Site-archief
Rhyme doesn’t pay
Paul van den Hout
.
Paul van den Hout (1939-2015) was een Nederlands dichter (light verse), vertaler en romanschrijver. Hij studeerde Grieks en Latijn in Leiden en Groningen en tijdens zijn studies raakte hij bevriend met voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen (1943-2010) en Jean Pierre Rawie (1951).
Als dichter publiceerde Van den Hout in het literaire tijdschrift Kort Verhaal, dat later zou worden omgedoopt tot De Tweede Ronde. Daarnaast verschenen er twee dichtbundels van zijn hand; ‘Oud heden’ (2002) en ‘De muze en de misdaad’ (2010) een verhaal in versvorm. Ook verschenen gedichten van hem in bloemlezingen zoals in ‘Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19e t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’.
Dat de poëzie geen vetpot is blijkt ook uit het feit dat Van de n Hout voor zijn broodwinning een groot aantal titels uit de Bouquetreeks vertaalde.
In de bundel ‘Reisgenoten op dit narrenschip’ de geestigste gedichten uit vijftig nummers van De Tweede Ronde (1993), bijeengebracht en ingeleid door Jos Versteegen, kwam ik het sonnet ‘Rhyme doens’t pay’ tegen, een mooi voorbeeld van Van den Hout’s kunne.
.
Rhyme doesn’t pay
.
Van alle verzen die hij tobbend, weegt en wikt,
ze toetsend aan het oor, ze op de lippen proevend,
is ’t aantal dat hij overhoudt ronduit bedroevend,
als vel na volgeschreven vel wordt weggemikt.
.
Dan heeft die Dante het ‘m toch maar mooi geflikt,
verzucht hij, met verbeten nijd zijn pen dichtschroevend.
Maar ’s avonds in de kroeg hangt hij weer, dronken snoevend,
de Dichter uit, wat men – mèt zijn jenever – slikt.
.
Na jaren van droog brood, huurschuld en bedsermoenen
heeft hij toen op een nacht zijn hele werk verbrand
en, turend in het vuur, vervloekt zijn visioenen.
.
Zijn vrouw is trots op hem; ze kan hem nu wel zóenen:
hij heeft een heuse baan, een rekening courant,
en loopt ook nooit meer naast zijn braaf gepoetste schoenen.
.
Christine de Pisan
Christine de Pisan
.
in ‘The Penguin Book of French Verse.1 To the Fifteenth Century, ingeleid en bijeengebracht door Brian Woledge, kwam ik een gedicht van Christine de Pisan (of Pizan) tegen, in het Frans en vertaald in het Engels met de titel ‘Ballade’. Haar naam zei me niet veel dus ik zocht haar op en wat blijkt:
Christine de Pisan (ca. 1364/1365 – ca. 1430) was een Franstalige schrijfster van Italiaanse afkomst. Nadat ze op 25-jarige leeftijd weduwe was geworden, begon ze met schrijven om haar familie te onderhouden. Daarmee was ze een van de eerste vrouwen die een professionele literaire carrière begon en werd ze een prominente moralist en politiek denker in middeleeuws Frankrijk.
Ze genoot als auteur de bescherming van leden van het hof van koning Karel VI van Frankrijk en schreef ook werken voor hen in opdracht. Ze schreef onder andere talrijke gedichten over hoofse liefde, een biografie van Karel V van Frankrijk, en verscheidene werken waarin zij opkwam voor vrouwen.
Alle reden dus om het gedicht ‘Ballade’ (dat vreemd genoeg ook in het Engels werd vertaald als ‘Ballade’ in plaats van ‘Ballad’ hier te plaatsen. In het Engels en in het originele Frans.
.
Ballade
.
Welcome back, my darling! Now put your arms around me and
kiss me. How have you been since you went away? Have you been
well and happy all the time? Come here, sit down beside me, and
tell me how things have been with you, both ill and well, for I must
know the full account of that.
.
Ballade
.
Tu soies le tres bien venu,
M’amour! Or m’embraceet me baise.
Et comment t’es tu maintenu
Puis ton depart? Sain et bien aise
As tu esté toujours? Ca vien,
Coste moi te sié et me conte
Comment t’a esté, mal ou bien;
car de ce vueil savoir le compte.
.
Eden
Jules Deelder
.
Vandaag voor mijn boekenkast gaan staan en daar, ongezien, de bundel ‘Dag & Nacht‘ van Jules Deelder (1944-2019) uit 2014 (uitgegeven destijds voor zijn 70ste verjaardag) gepakt. De gedichten in deze bundel zijn gekozen en ingeleid door (toen nog) burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb. Zonder te kijken een willekeurige pagina opgeslagen , 82 in dit geval, en daar staat het gedicht ‘Eden’. Deelder is een vaste gast op mijn blog, zo kwam ik erachter dat de eerste keer dat ik over hem schreef al uit 2008 dateert.
.
Eden
.
Het leven in de Hof van Eden
was te mooi om waar te wezen
.
De zon kwam op de zon ging onder
De tijd was nog niet uitgevonden
.
Er was hemel er was aarde
Er was lucht en er was water
.
In het bos de wilde beesten
Er was Adam er was Eva
.
Ze leefden met elkaar in vrede
Zonder doel en zonder reden
.
Ze kenden oorzaak noch gevolg
Er was toekomst noch verleden
.
Ze waren en dat was genoeg
Te zijn zonder het te weten
.
Al deze mensen
Hans Lodeizen
.
Dag drie van -Kort weg- met dit keer een gedicht van Hans Lodeizen (1924-1950) dat ik nam uit de Ooievaarpocket 103 ‘De dichter en de dood’ ingeleid en bijeengebracht door Chr. Leeflang uit 1961. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Het innerlijk behang en andere gedichten‘ uit 1950. Het gedicht is getiteld ‘Al deze mensen…’.
.
Al deze mensen…
.
al deze mensen
bezig met zichzelf
bezig dood te gaan
.
tenslotte is het mijn eigen
leven waaraan ik bouw,
mijn eigen leven en
al de andere levens
tenslotte ben ik er alleen
.
tenslotte stroomt de hele
wereld uit mij als bloed
uit een ader, mijn oogopslag
is een wond en die wond is de
wereld, is mijn leven
waaraan ik dood bloed
.
als ik dood ben
zul je aan me denken
ik heb voor jou geleefd
jij was mijn enige
want het was jouw leven
waaraan ik bouwde
tenslotte was jij er alleen
.
Vrijhaven voor poëzie
Rotterdam
.
Dat Rotterdam door veel mensen gezien wordt als de hoofdstad van de poëzie van ons land begrijp ik wel. De stadsdichter is er een monument, veel dichters van naam kwamen en komen uit Rotterdam, de stad bied vele plaatsen waar de poëzie vloeit, of het nu de geschreven poëzie is, poetry slam, spoken word, bruggedichten of Poetry International, de stad ademt poëzie.
Het verbaasde mij dan ook niet, toen ik de bundel ‘Rotterdam Vrijhaven voor Poëzie’ in handen kreeg dat deze in opdracht van het gemeentebestuur van Rotterdam was uitgegeven in 2001. Een stad met een dichtende burgemeester Aboutaleb, die jarenlang onderdak bood aan de dichtende nachtburgemeester Jules Deelder, is bijna verplicht zich te laten kennen in dit opzicht. De bundel bevat gedichten van Rotterdamse, andere Nederlandse en internationale dichters. De gedichten werden door de leden van gemeenteraad vanaf 29 april 1999 voorgelezen bij het begin van raadsvergaderingen als opmaat voor Rotterdam 2001, culturele hoofdstad van Europa.
De bundel werd in een kleine oplage van 500 hors commerce uitgegeven en het is een prachtige bundel. Mooi vormgegeven, harde kaft, fraaie stofkaft, stevig papier en de gedichten zijn van grote kwaliteit. De grote Rotterdamse namen zijn vertegenwoordigd (Deelder, Waskowsky, Kneepkens, Vaandrager, Sleutelaar, Beranová) maar ook grote buitenlandse namen als Brodsky, Ginsberg, Shiraishi en Masalha. De gedichten zijn gekozen, samengesteld en en van dichterslexicon voorzien door Martin Mooij.
Ik koos voor een gedicht van Hans Wap (1943) dichter, decorontwerper en beeldend kunstenaar. Wap debuteerde in 1967 met de bundel ‘Schoten en filtersigaretten’. Wap tekent en schildert ook in zijn gedichten. Het gedicht van zijn hand is getiteld ‘havenstad’.
.
havenstad
.
waar aankomst en vertrek
tesamen vloeien
onzichtbare lijnen
lopen door de zee
.
het schuim
staat op de golven
en de glazen
orkanen blazen
.
in plastic boterhammen-
zakken
daar is geluk gezocht
en zwaar geleden
.
staan koffers met verleden
tijd
op overtreffende treden
en liggen paspoorten
.
vol littekens
te rotten in depots
naast een kompas vol richtingen
dat wacht
op het vertreksein
.
Ik had als kind
Willem Wilmink
.
Ik lees in de bundel ‘Ik had als kind een huis en haard’ uit 1996, een bloemlezing uit het werk van Willem Wilmink (1936-2003). Een mooi uitgegeven bundel in een harde kaft met linnen. De gedichten in deze bundel zijn gekozen en ingeleid door een andere grote dichter Jean Pierre Rawie.
In de bundel staan twee Rondelen en ze zijn dan ook getiteld ‘Rondeel’ wat ik dan weer grappig vind want feitelijk geef je een gedicht dan de naam van de versvorm die je gebruikt. Geen dichter zal een gedicht in vrije vorm ‘gedicht in vrije vorm’ of iets dergelijks noemen. En wat te doen als je een bundel met rondelen schrijft? Nummeren? Bij sonnetten heb ik dat wel gezien.
Maar goed, twee rondelen dus. Een van de twee trof me omdat het een rondeel is naar Charles d’Orléans (Le temps a laissé son manteau, of vrij vertaald ‘De tijd heeft zijn jas afgelegd’) een gedicht over de komst van de lente. Wilmink heeft er geen vertaling van gemaakt maar met het zelfde onderwerp in gedachte een eigen invulling aan gegeven.
Wil je meer over het rondeel lezen kijk dan op https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/02/13/kwatrijnen-en-rondeel/
.
Rondeel
.
naar Charles d’Orléans
Le temps a laissé son manteau
.
Het jaar heeft zijn jas niet meer aan
van regen en vrieswind en kou,
en is in het luchtigste blauw
vanochtend naar buiten gegaan.
.
De vogeltjes fluiten en slaan,
ze hebben een boodschap voor jou:
het jaar heeft zijn jas niet meer aan!
.
En zeg eens, hoe vind je dat staan:
fonteinen met sluiers van dauw
en beekjes met zilveren mouw?
’t Heeft alles wat nieuws aangedaan:
het jaar heeft zijn jas niet meer aan.
.
Holland
E.J. Potgieter
.
Vakantie in eigen land is thuis blijven of naar een ander deel van het land reizen. Afhankelijk van waar je woont is Holland het een of het ander. Dichter Potgieter(1808 – 1878) schreef eeen gedicht over Holland. Ik nam het over uit de bundel ‘Geliefde gedichten die iedereen kent maar niet kan vinden’ gekozen en ingeleid door Wim Zaal uit 1972.
.
Holland
.
Graauw is uw hemel en stormig uw strand,
Naakt zijn uw duinen en effen uw velden,
U schiep natuur met een stiefmoeders hand, –
Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!
.
Al wat gij zijt, is der Vaderen werk;
Uit een moeras wrocht de vlijt van die helden,
Beide de zee en den dwing’land te sterk
Vrijheid een’ tempel en Godsvrucht een kerk.
.
Blijf, wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem:
Zorg, dat Europa den zetel der orde,
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem’,
Land mijner Vad’ren, mijn lust en mijn roem!
.
En wat de donkere toekomst bewaart,
Wat uit haar zwangere wolken ook worde,
Lauw’ren behooren aan ’t vleklooze zwaard,
Land, eens het vrijst’ en gezegendst’ der aard’.
.













