Site-archief
19 jaar en 1 dag
Remedie
.
Ik kwam er vandaag achter dat ik gisteren, 19 jaar geleden ben begonnen met dit blog. De aanleiding was de voorgenomen publicatie van mijn debuutbundel ‘Zichtbaar alleen‘ die ik samen met kunstenaar en fotograaf Ruben Philipsen maakte. Grappig om dat eerste bericht terug te lezen, opgesteld in de derde persoon enkelvoud, alsof het over iemand anders ging dan mijzelf. Indertijd had ik geen idee waar ik aan begon. Ja een dichtbundel maken en laten uitgeven, dat was duidelijk maar een blog? Mijn uitgever Henriëtte Faas zei dat het een goed idee was om op die manier wat aandacht aan de bundel te besteden. En omdat ik wilde dat de bundel een succes zou worden ben ik gaan bloggen.
Nu 19 jaar en 1 dag later blog ik nog steeds. Als sinds ruim 17 jaar elke dag. Over poëzie, je kunt tenslotte maar zoveel kwijt over een dichtbundel, al zijn er in de loop van de tijd wel vier aan toegevoegd: ‘Je hebt me gemaakt met je kus‘ (met Alja Spaan), ‘Zoals de wind in maart graven beroert‘, ‘Winterpijn‘ en ‘XX-XY‘ waarvan de laatste twee als E-bundel. En natuurlijk heb ik al lang weer genoeg gedichten geschreven om een nieuwe bundel te vullen, en die staat ook op de planning maar de tijd ontbreekt me momenteel om hier iets mee te doen (komt nog).
In de afgelopen 19 jaar (en 1 dag) ben ik me meer en meer gaan toeleggen op het schrijven over poëzie, en alles wat maar een beetje met poëzie te maken heeft of er tegen aan schuurt. Een blik op de categorieën geeft dat goed weer, en ik zou er zo nog tien of twintig categorieën aan toe kunnen voegen maar ik probeer het te beperken. Tegenwoordig weten ook uitgeverijen mij te vinden en sturen me dichtbundels toe, die ik heel graag recenseer.
terugkijkend kan ik alleen maar tevreden zijn over de ontwikkeling van dit blog. Met bijna 500 vaste abonnees en inmiddels bijna 6000 blogberichten, meer dan 2 miljoen boeken en meer dan 1 miljoen bezoekers denk ik dat ik voor veel mensen iets breng dat ze waarderen. En dat is waar ik het voor doe, mijn liefde voor poëzie delen. Geen blogbericjh zonder gedicht, en naar aanleiding van dit bericht koos ik voor het gedicht ‘Remedie’ van dichter Harmen Wind (1945-2010) uit de bundel ‘Plaatselijke tijd’ uit 1997. Vooral door de eerste zin van de tweede strofe. En voor papier mag je ook dit blog lezen.
.
Remedie
.
Tegen de angst. Al wat ik schrijf
weerstaat mijn wanhoop, elke zin
waaraan ik ademloos begin
jaagt mij de stuipen van het lijf.
.
Want op papier ben ik niet bang.
Hier gelden vastgestelde wetten
die mij uit razernij ontzetten
en redden van de ondergang.
.
Kunst zet het leven naar zijn hand,
brengt het terug tot dunne lijnen
die zich, tegen verval bestand,
tot het verstilde beeld verfijnen
van windfiguren in wit zand
waarin ik veilig kan verdwijnen.
.
Herman de Coninck
Intimiteit onder de melkweg
.
Afgelopen weekend was ik in België en daar verbleef ik in een huis met veel boeken. Een van die boeken had meteen mijn aandacht want het was geschreven door een van mijn favoriete dichters Herman de Coninck (1944-1997). Het bleek een bundel uit 1994 met beschouwingen over poëzie te zijn bijeengebracht onder de titel ‘Intimiteit onder de melkweg’, waarvan de meeste in de jaren daarvoor verschenen in het Nieuw Wereldtijdschrift, De Morgen of Ons Erfdeel. ‘Over poëzie’, zo luidt ook de ondertitel, hoewel er ook twee stukken instaan over fotografie. Fotografie dan als een soort van taalloze poëzie, hetzelfde maar anders: ‘Poëzie en fotografie gaan over iedereen, altijd, overal. Persoonlijk vond ik deze twee stukken wel interessant om te lezen maar vanuit een poëzie standpunt minder belangrijk.
Tijdens het lezen bedacht ik me dat ik dit boek wilde hebben, ook omdat ik niet genoeg tijd had om het uit te lezen. Dus bestelde ik het tweedehands bij een antiquariaat in Rotterdam. Wel noteerde ik al een paar zinnen die ik las en die ik interessant vond. Deze twee zinnen zijn:
‘Poëzie komt pas als het er niet meer op aankomt’ en ‘Door een beschaving van het teveel, sterft de kunst van het weinige uit’.
Over beide zinnen is veel te zeggen. De eerste zin geeft aan dat (in de visie van Herman de Coninck) poëzie niet aan actualiteit hoeft te doen, niet activistisch hoeft te zijn. Pas wanneer er ruimte en tijd is om rustig te contempleren wordt poëzie geboren. Een interessante gedachte en kloppend in wat ik weet van Herman de Coninck en hoe hij poëzie schreef.
De tweede zin is juist weer heel actueel. Poëzie opnieuw is de kunst van het weglaten, het ruimte bieden aan inzichten en ideeën die de dichter niet opschrijft maar waar de dichter wel ruimte toe biedt door het gedicht. De Coninck was ook heel uitgesproken over proza en poëzie; die gaan niet samen. Als je kijkt naar de prozaïsche poëzie die momenteel zo populair is, dan weet ik zeker dat Herman de Coninck daar niet blij van zou worden. Maar deze uitspraak gaat op voor zoveel meer dan alleen de poëzie. Leg zo’n uitspraak tegen de wereld van nu en je begrijpt wat ik bedoel.
De bundel ga ik verder lezen en ik kom er hier vast en zeker nog op terug. Voor nu wil ik eindigen met, uiteraard, een gedicht van Herman de Coninck. Ik koos voor het gedicht ‘Parabel van de verloren vader’ uit zijn bundel ‘Vingerafdrukken uit 1997.
.
Parabel van de verloren vader
.
Zoon wil wereld veranderen.
Vader eigenlijk liever zoon.
Maar hij kan alleen een zin veranderen
tot die niet meer anders wil.
Je zal maar jong zijn en meningen hebben
van anderen, en verder niks,
niet eens een dode vader.
‘Dat eigen leven, begin daar gvd. eens mee,
en kom over tien jaar eens terug met verdriet
in plaats van gelijk, bijvoorbeeld na een vrouw of twee.
Dat ik kan zeggen: je bent dezelfde gebleven.’
Het bovenstaande is tien jaar geleden geschreven.
En aldus is tien jaar later geschied.
.
Zwaan kleef aan
Henny Vrienten
.
Eind jaren zeventig hoorde ik op de radio een Nederlands bandje met het nummer ‘Ik zou het willen doen’. Ik was meteen verkocht en al snel had ik de LP in huis van Doe Maar met de gelijknamige titel ‘Doe Maar’. Doe Maar bestond toen uit Carel Copier, Piet Dekker, Jan Hendriks en Ernst Jansz. Toen het jaar later ‘Skunk’ uit kwam was ik al fan en ook deze LP was al snel in mijn bezit. Piet Dekker had inmiddels plaats gemaakt voor Henny Vrienten. Ik bleef Doe Maar trouw tot aan de LP 4US maar naar concerten ging ik toen al niet meer, die waren overgenomen door hordes gillende jonge meisjes en daar had ik als 20 jarige echt helemaal niets mee, en de rest is geschiedenis.
In de jaren nadat Doe Maar al gestopt was bleef ik Ernst Jansz en Henny Vrienten wel volgen als schrijvers en liedjesmakers. Dat Henny Vrienten (1948-2022) een grote voorliefde had voor poëzie wist ik wel maar toen ik pas geleden de bundel ‘Zwaan kleef aan’ uit 2009 werd ik verrast door wat hij in het voorwoord schreef: “In mijn jeugd was ik onder de indruk van een pater op het seminarie, die hele veldslagen uit het hoofd in dichtvorm kon navertellen, of ‘De overwintering der Hollanders op Nova Zembla’ van Tollens. Het galmde als een kathedraal, maar je voelde de kracht van de poëzie. De echte ontdekking kwam met de bloemlezingen ‘Atonaal‘ van Simon Vinkenoog en ‘Nieuwe griffels schone leien‘ van Paul Rodenko. Die heb ik jaren bij me gedragen. Toen ik eenmaal succes kreeg in de muziek, stak ik mijn geld niet in bontjassen, maîtresses of Porsches maar in een zich gestaag uitbreidende poëziebibliotheek”.
Ook ik werd destijds gegrepen door ‘Nieuwe griffels schone leien’ en ik denk dat dat voor mij ook de basis is geweest van wat ik inmiddels wel mijn poëziebibliotheek kan noemen. In zijn voorwoord gaat hij verder met: “Poëzie lees ik om ontroerd te raken, om uit het evenwicht te worden geslagen, om formuleringen te vinden die ik zelf nooit zou kunnen verwoorden. En ook om inspiratie te vinden. Tegenover mijn belastingadviseur, die het merkwaardig vond dat ik vele poëziebundels per week kocht, heb ik hiervoor ook de term ‘kunstmest’ bedacht: de ene dag lees je mooie dingen, de volgende dag bedenk je zelf opeens iets. Poëzie is een fertilizer. Het is daarom ook eigenlijk merkwaardiger als mensen juist geen poëzie lezen.”
Ik dacht heel lang dat ik een van de weinige mensen was die er zo over dacht. Nu weet ik dat ik in goed gezelschap verkeer met deze mening.
In de bloemlezing ‘Zwaan kleef aan’ die op verzoek van Jaffe Vink van het ter ziele gegane weekblad Opinio werd samengesteld, koos Henny Vrienten telkens voor een gedicht waarbij hij telkens een ander gedicht uitzocht dat daarbij past, door vorm, inhoud, associatie of iets anders. Zijn aanpak doet me heel erg denken aan wat ik probeer te doen in de rubriek Dubbelgedicht. Op deze manier wordt je meegenomen door hem in zijn gedachten en ideeën. Vele dichters passeren de revue, Nederlandse dichters, Vlaamse dichters maar ook dichters van over de verschillende continenten.
Ik heb gekozen voor twee gedichten die bij elkaar geplaats werden van Judith Herzberg (1934) getiteld ‘Meeuwen’ en Rutger Kopland (1934-2012) getiteld ‘Een moeder’. Ik heb het commentaar van Henny Vrienten in dit geval erboven gezet. In de bundel staat dit steeds onder de gedichten. Voor liefhebbers van poëzie is de bundel ‘Zwaan kleef aan’ een pareltje, mocht je er nog aan kunnen komen, kopen zeg ik!
“Even denk je in een rustiek gedicht te zijn beland. Het geluid van meeuwen lokt ons naar de kust. Maar er klopt van alles niet: geen vogel vliegt, pikt of deint op een golf. Alleen trage kranen, ijzerwaren. Ook mooi, maar dat zochten we niet. Ik schrik van die laatste regel. Wie vangt de meeuwen, en wat willen ze ermee doen? Is dit een ver buitenland waar barbaarse gebruiken heersen, of loopt er in Nederland ergens een steile steeg omlaag naar de haven? Of is het een droom? Ach eigenlijk wel goed om op het verkeerde been te worden gezet. Op het eerste of zelfs het tweede gezicht hebben deze twee gedichten niet veel met elkaar te maken. Maar net als Judith Herzberg slaat Rutger Kopland in de laatste regel keihard toe.”
.
Meeuwen
.
Het krijsen van meeuwen wees de weg naar de zee;
een nauwe steeg, steil naar beneden, daar was de haven
maar niets dan boten, trage kranen, ijzerwaren. Geen vogel
vloog of liep te pikken of deinde op een golf.
Toch, het geluid hield aan; het geweld van machines
werd zelfs overstemd door het schreeuwen.
De kranen hevelden lichte. niet helemaal dichter kisten.
Tussen de brede spleten leefde opeens de lading: vlerken
en veren. Zo werden de meeuwen het ruim in gehesen.
.
Een moeder
.
loopt langzaam naar haar kind om
het niet te laten schrikken,
pakt het voorzichtig op om
het niet te beschadigen,
slaat dan keihard.
.
De wereld van het vers
Vogelvrij
.
In 1985 verscheen bij Athenaeum – Polak het boek ‘De wereld van het vers’ over het werk van Ida Gerhardt van Marie (M.H.) van der Zeyde. Van der Zeyde heeft Nederlands gestudeerd en promoveerde op Hadewych. Uit de tekst op de achterflap blijkt dat er niemand is die Ida Gerhardt en haar werk beter heeft gekend dan van der Zeyde. In de nalatenschap van de schrijfster (van der Zeyde) werd een afgerond hoofdstuk over ‘De Adelaarsvarens’ uit 1988 aangetroffen en dat hoofdstuk is in de editie van 1992 die ik bezit, opgenomen.
In dit boek is een vrijwel volledige beschrijving van de verzen, de poëzie en het dichterschap van Ida Gerhardt (1905-1997) opgenomen en dat is precies de vraag die de schrijfster van het boek bezig houdt. Een interessant en ook intrigerend boek. Over de bundel ‘De Slechtvalk’ uit 1966 is uiteraard ook een hoofdstuk opgenomen. Hierin worden enkele gedichten beschreven waaronder het gedicht ‘Vogelvrij’.
Van der Zeyde schrijft hierover: “Het eigenaardige ‘Vogelvrij’ staat min of meer op zichzelf, het lijkt anekdotisch (waarschijnlijk ‘waar gebeurd’), en erg mooi is het niet. Maar wanneer ik het goed zie, betekent het meer dan het zo oppervlakkig schijnt. Het zijn niet alleen die dorpskinderen, sterk, bot agressief, die een eenling die anders is ‘schelden en achtervolgen’. De burgerlijke wereld doet niet anders. En zelf in de literaire ‘wereld’ openbaart zich dezelfde tendens. Maar eigenlijk is het ook niet de slotstrofe, die ik in het vers het opmerkelijkst vind; het is de regel ‘en sloeg de kluiten van mijn jas’. Daar zit alles in, de grofheid van de bejegening, de droefheid daarover en ook de verachting. En het mengsel van bitterheid en nuchtere berusting, waarmee de dichter overgaat tot de orde van de dag. Een onopzettelijk en bijzonder sprekend klein zelfportret.”
.
Vogelvrij
.
Kinderen van een prachtig ras
– ik kwam hun noordelijk dorp voorbij –
scholden en achtervolgden mij
en één smeet raak met een pol gras.
.
En toen ik hen ontkomen was
zat ik tussen een wilgenrij,
een oude vrouw in de maand mei
en sloeg de kluiten van mijn jas.
.
Kinderen zijn oprecht en wreed:
zij zagen mij de dichter aan
en deden frank, wat meer discreet
de wereld dagelijks heeft gedaan.
.
Een pleidooi voor inspiratie
Overheid van nu over poëzie
.
Op de website Overheid van nu staat een interessant artikel van begin 2022 onder de titel ‘Alternatieve leestips: een pleidooi voor inspiratie’. Toen ik op het artikel stuitte en het had gelezen wist ik dat ik hier een blogpost aan zou wijden. In het kort is het artikel een aansporing aan professionals werkzaam bij de overheid om (meer) vrij te denken door het lezen van poëzie. Of, zoals het in het artikel wordt verwoord:
“Gedichten stimuleren je om vrij te denken, omdat er geen goed of fout is als het gaat om kunst. Er worden geen meningen gepresenteerd, maar vergezichten. Dat gunnen we alle professionals die interbestuurlijk samenwerken aan de grote maatschappelijke opgaven van nu.”
In het artikel wordt verwezen naar de bundel ‘Olijven moet je leren lezen’ van Ellen Deckwitz, de voormalig dichter des vaderlands (2013-2017) Anne Vegter wordt aangehaald en het artikel wordt geïllustreerd met regels en strofen uit gedichten van bovenstaande dichters en Lieke Marsman, Tjitske Jansen, Rodaan al Galidi, Hagar Peters en Joost Baars. Zo wordt er gesteld, en ik ben het daar zeer mee eens, dat: Wie poëzie leest, loopt het gevaar verliefd te worden op zinnen die je vervolgens de rest van je leven bij je draagt.
Ik denk dat iedere poëzieliefhebber een of meer dichtregels uit het hoofd kent omdat deze ooit een verpletterende indruk heeft gemaakt. Ook ik ken vele regels uit mijn hoofd, ik heb er al eerder over geschreven, uit gedichten van Judith Herzberg, Vasalis, Remco Campert en verschillende uit gedichten van Jules Deelder.
Het artikel eindigt met: “Poëzie neemt verschillende gedaantes aan: die van vergezicht, verdieping, vermaak, confrontatie, inspiratie of ontspanning. Die waarden gunnen we alle professionals die interbestuurlijk samenwerken aan de grote maatschappelijke opgaven van nu. Daarom dus poëzie als leestip op Overheid van Nu.” Een waardevolle tip lijkt me, elke dag poëzie lezen verrijkt je leven, je taal en je verbeeldingsvermogen. En ja sommige poëzie is niet meteen te begrijpen. Deckwitz schrijft hierover: “Beginnen met lezen van poëzie is ermee akkoord gaan dat je niet meteen alles begrijpt. Maar wel dingen gaat aanvoelen.”
Een compliment voor de (anonieme) schrijver van dit artikel, hopelijk wordt het door vele ambtenaren gelezen en in praktijk gebracht. Natuurlijk een gedicht, dit keer van Ellen Deckwitz getiteld ‘Fietsen’ dat gepubliceerd werd in literair tijdschrift Liter jaargang 12 in 2009.
.
Fietsen
.
Remco Ekkers
Bewondering
.
Op 4 juni jongsleden overleed dichter Remco Ekkers (1941 – 2021) op bijna tachtigjarige leeftijd aan een hartstilstand in zijn woonplaats Zuidhorn in Groningen. In de Volkskrant van donderdag 29 juli schrijft Jurre van den Berg een mooi stuk over Remco Ekkers in de rubriek ‘Het eeuwig leven’.
Een zin uit dat stuk bleef aan me hangen, niet alleen omdat ik het er roerend mee eens ben maar vooral ook omdat het aansluit bij iets dat ik al jaren zeg (maar daarover zo meer). De zin waar ik het hier over heb is de volgende:
‘Je ziet meer vogels als je meer weet van vogels. Dat geldt ook voor poëzie. Als iemand jou uitlegt hoe het in elkaar zit, kan je bewondering alleen maar groeien.’ Ik zeg al jaren tegen beginnende dichters (uit mezelf of als mij daarover vragen worden gesteld) dat de beste manier om als dichter te groeien, om betere poëzie te schrijven, is om heel veel poëzie te lezen, naar poëzie te luisteren. Hoe meer poëzie (vogels) je leest en tot je neemt, hoe beter je poëzie gaat begrijpen en hoe meer je daar als dichter van kan groeien.
Remco Ekkers zal als dichter herinnerd worden, hij zal, ook omdat hij baanbrekend werk heeft verricht op het gebied van poëzie voor jongeren, altijd een plaats innemen in de canon van de Nederlandse poëzie. Als eerbetoon en omdat het altijd goed is om poëzie (van hem) te lezen, hier het gedicht ‘Hoe je verder moet’ dat verscheen in literair tijdschrift Raster nummer 92 uit 2000.
.
Hoe je verder moet
.
Stap opgewekt voort
al weet je niet zeker
waar naar toe. Vooruit
.
over het glimmende asfalt
tussen de kale bomen
hoofd scheef, wuivend
naar het huis dat al in de mist
is verdwenen en straks vergeten.
.
Je zet een voet vooruit
en dan een andere.
Je kijkt niet naar de spiegeling
in de plassen, het beeld
van de takken waar je
tussen hangt, pats!
in het water.
.
Zo kom je verder
weg van wat is geweest.
.
Van kop tot teen
Van kop tot teen met Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera
.
In 2018 schreef ik een enthousiaste en positieve recensie van het boek ‘Woorden temmen’ van Kila van der Starre en Babette Zijlstra https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/05/09/woorden-temmen/ . Omdat het zo’n geweldig lees- en doe-boek is. Ik schreef toen onder andere: “Dit is het boek dat elke docent Nederlands in zijn of haar kast zou moeten hebben staan. Als je de jeugd bekend wil maken met poëzie op een speelse, verrassende, intelligente en moderne manier dan hoef je alleen maar de voorbeelden uit dit boek te volgen.” Woorden waar ik nog steeds achter sta. En nu is er dan een tweede deel van Woorden temmen van dichter Charlotte Van den Broeck (1991) en literatuurwetenschapper Jeroen Dera (1986).
Van den Broeck en Dera zijn ervan overtuigd dat je poëzie niet alleen met je hoofd, maar met je hele lichaam leest, met al je zintuigen en sensaties. Dat lichamelijke hebben ze heel letterlijk genomen: ieder gedicht in hun poëzie-doe-boek is gekoppeld aan een lichaamsdeel. Zo hoort ‘Graag verlossing’ van Gerda Blees bij de ogen, ‘de rivier’ van Lucebert bij de tong, ‘rib’ van Radna Fabias bij de rib en ‘Als het je overkomt’ van Marieke Lucas Rijneveld bij de knie. Aan de hand van inspirerende lees-, denk-, doe- en schrijfinvalshoeken ga je op poëtische avontuur.
bovenste deel van mijn hoofd
wordt weggenomen, weet ik
dat het poëzie is’
Emily Dickinson
Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera presenteren hun nieuwe bundel
Op vrijdag 11 september a.s. vindt om 16.00 uur bij boekhandel Donner in Rotterdam de boekpresentatie plaats van de nieuwe bundel van Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera.
Miriam Piters, neerlandicus en voormalig bestuurslid van Stichting Poetry International, zal dichter-performer Charlotte Van den Broek en literatuurwetenschapper Jeroen Dera interviewen ter gelegenheid van hun nieuwe boek. Tevens aanwezig is literatuurwetenschapper Kila van der Starre, een van de schrijvers van de eerste bundel in de reeks woorden temmen: 24 uur in het licht van Kila&Babsie.
Interview: 16.15-16.45 uur
Gelegenheid tot stellen van vragen-signeren boeken: 16.45-17.00 uur
Borrel: 17.00-18.00 uur (o.v.)
De vaas
Toon Tellegen
.
Van mijn broer kreeg ik uit de kringloopwinkel het boek ‘De geheimen van Wikke en Dille, aantekeningen over poëzie’ van Wiel Kusters uit 1988. In dit boek beschrijft Wiel Kusters op speelse en zinvolle wijze over verbanden tussen gedichten en andere verschijnselen in de Nederlandse poëzie. In korte hoofdstukken beschrijft hij gedichten en brengt hij allerlei informatie over op de lezer. Over dichters, levens van dichters, omstandigheden waarin de dichters leefden en waarin gedichten geschreven zijn. Maar ook verbanden tussen gedichten.
Zo beschrijft hij twee gedichten van Toon Tellegen waarin de vaas een rol speelt. Een van de twee gedichten is ook getiteld ‘De vaas’. Omdat ik dit gedicht zo mooi vind wil ik dit hier met jullie delen. Uit de bundel ‘De aanzet tot een web’ uit 1981 het gedicht ‘De vaas’.
.
De vaas
.
Tevoorschijn getoverd uit oude kranten
en tegen het licht gehouden,
je blauw is beroemd en nog altijd
kostbaar, je breekbaarheid
berucht.
Je bent mooi
en staat op een kast. Een kat
zoekt een vlieg die in jou zoemt.
Ik sta voor een gesloten deur, met bloemen, en te laat.
.
Awater en Meander
Poëzierecensies en artikelen
.
Wanneer je, zoals ik, graag op de hoogte blijft van de ontwikkelingen op het gebied van poëzie dan zijn er een aantal mogelijkheden. Allereerst kun je je abonneren op mijn blog, maar waarschijnlijk kom je hier al vaker, ik schrijf over alle mogelijke uitingsvormen in beeld en tekst van poëzie. Over poëzie in Nederland en België maar ook over poëzie van daarbuiten, in Europa en de andere continenten. In totaal kun je op dit blog al in 70 verschillende categorieën rond bladeren en dan beperk ik mezelf nog want ik zou er zo nog een aantal tientallen categorieën aan toe kunnen voegen.
Lees je naast dit blog graag artikelen over poëzie en recensies van poëziebundels dan zijn er twee media die ik graag bij je aanbeveel. Dit is de Poëziewebsite Meander en het Poëzoetijdschrift Awater. Over Meander schreef ik hier al vaker, dit is een prachtige poëziewebsite vol recensies, interviews, columns, artikelen over poëzie, klassiekers en actuele informatie en dit is allemaal hier https://meandermagazine.nl te vinden.
Het poëzietijdschrift Awater verschijnt driemaal per jaar en bevat een schat aan recensies en artikelen over poëzie en dichters. Ook hier weer enige actuele informatie en columns. Ook heeft Awater een website en die staat hier https://www.poezieclub.nl .
Meandermagazine is een wekelijkse nieuwsbrief waarop je je gratis kan abonneren. Meander werkt uitsluitend met vrijwilligers (waar ik er één van ben) maar je kunt Meander wel financieel steunen door een donatie te doen middels de donatieknop. Awater is naast de website een tijdschrift waar je een abonnement op kunt nemen. De basisvariant kost 24,50 voor 3 nummers. Daarnaast zijn er nog een aantal uitgebreider varianten van abonnementen.
Het Winternummer van Awater is pas uit en daarin staan onder andere artikelen over Frank Koenegracht, Ellen Deckwitz en T. van Deel en H.H. ter Balkt. Van Frank Koenegracht is het gedicht ‘Laat je zoon studeren’.
.
Laat je zoon studeren
.
Ik ontmoette iemand die mij denken leerde
Een ander wees waar de jenever stond
.
Zo dronk ik diep en in gedachten
Later viel ik op de grond
.
en droomde dat ik heel goed schaakte,
maar tegelijk door blaren liep.
.
Degene die mij wakker maakte
wilde beslist niet dat ik sliep.
.















