Site-archief

Ik ben!

John Clare

.

Ik schreef al eerder over een roman die ik aan het lezen ben ‘Wat we kunnen weten‘ van Ian McEwan. Nu ik de roman heb uitgelezen kan ik alleen maar zeggen: Lees dit fantastische boek! In dit boek zit zoveel; liefde, spanning, kijk op de toekomst en op de tijd van nu, een inkijkje in het literaire leven in Engelse universiteitssteden, een doemscenario, de klimaatverandering, suspense en ga zo nog maar even door. Razendknap gecomponeerd en, de reden dat ik dit boek ben gaan lezen, de zoektocht naar een verloren gewaand gedicht van uitzonderlijke schoonheid.

Ik zal hier niet verklappen hoe het verhaal gaat, maar dat ik vooral het tweede deel van het boek aan één stuk heb uitgelezen, maakt het voor mij een klein meesterwerk. En dan heb ik het nog niet over alle dichters, de stukken en quotes uit gedichten en de verhalen over poëzie en de wereld daarachter. Juist dat element maakte dat ik met enige regelmaat aantekeningen maakte voor dit blog. Wat te denken bijvoorbeeld van een van de hoofdpersonen Vivien die een dissertatie schreef over de Engelse dichter John Cale.

John Clare noemde ik in een post over de bundel ‘Country poems‘ nog een minder bekende naam. Wist ik veel dat John Clare (1793-1864) wordt gezien als een belangrijke 19e-eeuwse Engelse dichter en ook wel de ultieme romantische dichter wordt genoemd. Met bewondering voor de natuur en begrip van de orale traditie, maar met weinig formele scholing, schreef Clare talloze gedichten en prozastukken, waarvan vele pas postuum werden gepubliceerd.

Zijn werken belichten op prachtige wijze de natuur en het plattelandsleven en tonen zijn liefde voor zijn vrouw Patty en voor zijn jeugdliefde Mary Joyce. Hoewel zijn eerste boek ‘Poems Descriptive of Rural Life and Scenery’ (1820) , populair was bij zowel lezers als critici, had Clare het lange tijd moeilijk om professioneel door te breken. Zijn werk werd pas zo’n honderd jaar na zijn dood op grote schaal gelezen. Waarschijnlijk zijn beroemdste gedicht is ‘I am!’ dat verscheen in ‘The life of John Clare uitgegeven een jaar na zijn dood in 1865.

.

I am!

.

I am! yet what I am none cares or knows,

My friends forsake me like a memory lost;

I am the self-consumer of my woes,

They rise and vanish in oblivious host,

Like shades in love and death’s oblivion lost;

And yet I am! and live with shadows tost

.

Into the nothingness of scorn and noise,

Into the living sea of waking dreams,

Where there is neither sense of life nor joys,

But the vast shipwreck of my life’s esteems;

And e’en the dearest—that I loved the best—

Are strange—nay, rather stranger than the rest.

.

I long for scenes where man has never trod;

A place where woman never smil’d or wept;

There to abide with my creator, God,

And sleep as I in childhood sweetly slept:

Untroubling and untroubled where I lie;

The grass below—above the vaulted sky.

.

Wat we kunnen weten

D.H. Lawrence

.

Ik lees de roman ‘Wat we kunnen weten’ van Ian McEwan over een verloren gegaan gedicht van de (fictieve) dichter Francis Blundy. Het gedicht in kwestie heet ‘A Corona for Vivien’ en werd geschreven door de dichter Francis Blundy als verjaardagscadeau voor zijn vrouw. Tijdens een feestelijk diner met vrienden droeg Francis Blundy het voor, waarna het nooit meer werd teruggevonden. Althans, dat wordt ons voorgehouden. Het verhaal speelt zich af in het jaar 2119 nadat de wereld grotendeels is overspoeld door het stijgen van de zeespiegel.

In de loop der jaren groeide de legende en de reputatie van het gedicht, wat leidde tot veel speculatie over het lot ervan. Mocht het ooit gevonden worden, dan zou dat niet alleen een literair mysterie oplossen, maar ook de carrière van de academicus die het ontdekt heeft een flinke boost geven. Een verhaal in romanvorm kortom, die ook een liefhebber van poëzie kan bekoren. Tel daarbij op dat ik al langer een liefhebber ben van de romans van Ian McEwan en je begrijpt dat ik me goed vermaak met dit boek.

Het gedicht ‘A Corona for Vivien’ beslaat 210 regels en is geschreven in de vorm van een sonnettenkrans. Een  sonnettenkrans (Het Latijns voor krans is corona) is een reeks van precies vijftien sonnetten met strenge vormeisen. Van de veertien sonnetten is steeds de slotregel de beginregel van het eerstvolgende sonnet, en de slotregel van het veertiende sonnet is gelijk aan de beginregel van het eerste sonnet. Het vijftiende sonnet (het meestersonnet geheten en daarmee de krans van de sonnetten) moet zijn samengesteld uit de beginregels (of eindregels) van de eerste veertien sonnetten in de juiste volgorde.

Geen sinecure dus het schrijven van een sonnettenkrans. In de roman heeft Blundy gekozen voor het Petrarchaanse  sonnet, bestaande uit twee coupletten, waarvan het eerste deel (het octaaf) acht regels en het tweede (het sextet) zes regels telt. Het rijmschema wat werd aangehouden was het traditionele ABBAABBA CDECDE. Of het gedicht wordt teruggevonden (er was slechts één exemplaar op dierenhuid geschreven met inkt en alleen die avond met vrienden voorgedragen) is de vraag, daar gaat het boek over en ik heb het nog niet uit.

In ‘Wat we kunnen weten’ worden regelmatig dichters en gedichten aangehaald. Zoals het gedicht ‘Meeting Among the Mountains’ van de Engelse dichter D.H. Lawrence (1885-1930) uit de bundel  ‘Unrhyming Poems (1917-28)’. Hij schrijft: “Hij had haar met hartgrondige afkeer aangekeken, met dezelfde hatelijke blik als waarmee de man met de ossenkar de dichter aankijkt in het gedicht ‘Meeting Among the Mountains’ van D.H. Lawrence ‘De bruine ogen, zwart van haat en nijd’ (de 7e strofe). Voor de liefhebbers van fraai geschreven proza over poëzie is dit boek een absolute aanrader.

.

Meeting Among the Mountains

The little pansies by the road have turned
Away their purple faces and their gold,
And evening has taken all the bees from the thyme,
And all the scent is shed away by the cold.
Against the hard and pale blue evening sky
The mountain’s new-dropped summer snow is clear
Glistening in steadfast stillness: like transcendent
Clean pain sending on us a chill down here.
Christ on the Cross! — his beautiful young man’s body
Has fallen dead upon the nails, and hangs
White and loose at last, with all the pain
Drawn on his mouth, eyes broken at last by his pangs.
And slowly down the mountain road, belated,
A bullock wagon comes; so I am ashamed
To gaze any more at the Christ, whom the mountain snows
Whitely confront; I wait on the grass, am lamed.
The breath of the bullock stains the hard, chill air,
The band is across its brow, and it scarcely seems
To draw the load, so still and slow it moves,
While the driver on the shaft sits crouched in dreams.
Surely about his sunburnt face is something
That vexes me with wonder. He sits so still
Here among all this silence, crouching forward,
Dreaming and letting the bullock take its will.
I stand aside on the grass to let them go;
— And Christ, I have met his accusing eyes again,
The brown eyes black with misery and hate, that look
Full in my own, and the torment starts again.
One moment the hate leaps at me standing there,
One moment I see the stillness of agony,
Something frozen in the silence that dare not be
Loosed, one moment the darkness frightens me.
Then among the averted pansies, beneath the high
White peaks of snow, at the foot of the sunken Christ
I stand in a chill of anguish, trying to say
The joy I bought was not too highly priced.
But he has gone, motionless, hating me,
Living as the mountains do, because they are strong,
With a pale, dead Christ on the crucifix of his heart,
And breathing the frozen memory of his wrong.
Still in his nostrils the frozen breath of despair,
And heart like a cross that bears dead agony
Of naked love, clenched in his fists the shame,
And in his belly the smouldering hate of me.
And I, as I stand in the cold, averted flowers,
Feel the shame-wounds in his hands pierce through my own,
And breathe despair that turns my lungs to stone
And know the dead Christ weighing on my bone.
.