Site-archief
Littorina Littirea
Wim van Til
.
Wim van Til (1955) is een dichter en voormalig leraar Nederlands. Hij richtte in het jaar 2000 het Poëzie centrum Nederland op. Het Poëzie centrum Nederland is een studie- en documentatiecentrum voor moderne Nederlandstalige poëzie en omvat ruim 20.000 bundels, vele bloemlezingen en vertaalde poëzie en een uitgebreid knipselarchief met recensies, besprekingen, interviews en geschreven portretten van dichters en secundaire literatuur. Het Poëziecentrum Nederland is sinds maart 2014 gevestigd in Nijmegen.
Van Wim hoorde ik dat het Poëzie centrum Nederland, dat nu nog gevestigd is in de bibliotheek van Nijmegen moet verhuizen omdat de bibliotheek ruimte gebrek heeft. Een duivels dilemma, aan de ene kant begrijp ik de wens van de bibliotheek (ik heb er zelf als directeur van een openbare bibliotheek mee te maken met ruimtegebrek) maar aan de andere kant gaat het me zeer aan het hart dat het Poëzie centrum Nederland straks misschien geen onderkomen meer heeft.
En dat gaat me minstens zo aan het hart. Het PcN organiseert jaarlijks ruim 150 activiteiten rondom dichters, poëzie en schrijven en stelt het zich open voor lezingen, boekpresentaties en cursussen en stelt zich ten doel het lezen en bestuderen van poëzie te bevorderen in de breedste zin van het woord. Ik hoop dan ook van ganser harte dat het PcN snel een mooie en betaalbare plek en onderdak vindt want een dergelijke collectie mag niet verloren gaan.
Wim van Til is echter naast een van de dertig vrijwilligers die het PcN draaiende houdt, ook dichter. In 1981 debuteerde hij bij uitgeverij Opwenteling met de bundel ‘Dichtmaken open’ waarna nog 9 bundels zouden volgen. In 2000 verscheen de bundel ‘Sleutelhouder’ Gedichten 1979-1999. In deze bundel staat het gedicht ‘Littorina Littirea’ voor Rogi Wieg. De Latijnse titel doet vermoeden dat er iets heel spannends achter schuil gaat maar het is ‘slechts’ de Latijnse naam voor de Alikruik, een in zee levende kieuwslak.
.
Littorina Littirea
Voor Rogi Wieg
.
Van onze wandelingen onthoud ik vooral
je stem, die knarste onder onze voeten.
Uitgeleefd, verlaten. Die droge tik,
het definitief verschuilen, bijna naakt – je
beste vermomming, zo open.
De ogen naar binnen gekeerd,
dat ogenschijnlijk opgaan in de massa.
.
Geen zee, geen aarde. Slechts een kust
lijn van een wisselend einde.
.
Zoals poëzie fictie is, is verleden
tijd: wat niet gebeurt, waarvoor niet gekozen wordt.
De slag op het voorhoofd, geweest en nooit plaats gevonden.
.
Wie aanlegt, raakt zijn vrijheid kwijt.
Schutter wordt jachtwild, visser
wordt vangst. een blik om de schouder
maakt van de mens een gedicht.
.
In Flanders Fields
John McCrae
.
In de week dat het 100 jaar geleden is dat de eerste wereldoorlog eindigde wat extra aandacht voor dichters en gedichten uit die periode. Tot mijn grote verbazing had ik het beroemdste gedicht uit die tijd, ‘In Flanders Fields’ van John McCrae nog nooit behandeld op dit poëzieblog. Hoog tijd dus om deze omissie recht te zetten.
De Canadese arts John McCrae ging als vrijwilliger de Eerste Wereldoorlog in. In 1914 diende hij als brigadechirurg voor een artillerie-eenheid. Het jaar erna was hij gelegerd vlak aan het front in Ieper waar de gruwelen van de Tweede Slag om Ieper plaats vonden (de Duitsers lanceerden daar voor het eerst een aanval waarbij giftig chloorgas werd gebruikt). Terwijl hij de gewonde soldaten hielp en om de dode rouwde – waaronder zijn goede vriend, Alexis Helmer- schreef McCrae het gedicht ‘In Flanders Fields’, een gedicht geschreven vanuit het oogpunt van gevallen soldaten wier graven overgroeid zijn met wilde papaverbloemen . “In Flanders fields the poppies blow,” staat er: “Between the crosses, row on row”. John McCrae stierf in 1918 aan een longontsteking en hersenvliesontsteking, maar niet voordat het gedicht één van de populairste en meest geciteerde werken van de Eerste Wereldoorlog werd. Het inspireerde onder meer het gebruik van de papaver als de “bloem van de herinnering” voor de oorlogsdoden.
.
In Flanders Fields
.
In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved and were loved, and now we lie,
In Flanders fields.
Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.
.








