Site-archief
Hoorzaam
Dichtkunstkrant
.
Bij het opruimen kwam ik de Dichtkunstkrant 2016 tegen. Al bladerend stuitte ik op het gedicht ‘Hoorzaam’ van Steven Graauwmans. Graauwmans (1972), is een Vlaams dichter woonachtig in Brussel. Hij publiceerde o.a. gedichten in De Revisor en De Brakke Hond maar ook in bladen als Passionate, Krakatau en Gierik. In 2006 verscheen zijn debuutbundel ‘Uitzicht lotto’ gevolgd door ‘Reservisten van maandag’ in 2009 en ‘In de blauwe zon’ in 2012.
.
Hoorzaam
.
Zonder geluid hoor je het
hoe de kraan lekt, de kinderen op straat
hoe nylondraden door de lucht spannen
hoe de ruis op herinneringen zich afzet
op dagdagelijksheid
.
Je hoort hoe een grasmaaier aanslaat op zondag
hoe de vrouw de man de huid vol scheldt.
Je hoort het zand tussen je tenen
het getsjirp van lage zwaluwen.
Je hoort hoe de gong slaat
na het verloren gevecht
.
hoe de vuist geheven
tegen een wereld in slow motion.
Wij verhoren het lawaai van elke dag:
hoe in onze borst een boom barst
hoe we de splinters tellen.
Karper
Ruth Lasters
.
In haar gedichten belicht de dichter Ruth Lasters altijd de plaats van de mens in de wereld. Met scherpte en zorgvuldige detaillering, maar ook met een innemende poëtische compassie roept ze een wereld op waarin wonderlijke gedachten en associaties de overtuiging van wetmatigheden aannemen.
Dit staat in zoveel woorden geschreven in de VPRO Gids bijlage over Poetry International bij Ruth Lasters (1979) , Vlaams dichter en schrijver. Zij publiceerde gedichten in onder meer ‘Lava’, ‘Deus ex Machina’, ‘Revolver’, ‘En er is’, ‘Krakatau’, ‘NRC Handelsblad’, ‘Het Liegend Konijn’ en in de bloemlezing ’21 dichters voor de 21ste eeuw’. De redactie van het literair tijdschrift De Brakke Hond selecteerde in 2003 werk van de schrijfster voor de bundel ‘Mooie jonge honden’. In 2015 won een gedicht van haar hand de Turing poëzieprijs.
Uit ‘Lichtmeters’ waar ze de Herman de Coninckprijs 2016 voor won het gedicht ‘Karper’.
.
Karper
Dat niemand ooit de hele vorming van een ijsvlakte zag,
echt elke tel van hoe een vijver tot betreedbaarheid
stolt. Allicht is daar geen enkele totaalgetuige van, nu en
vroeger niet. Dat zekere raakpunt met
mensen uit eerdere tijden maakt hen plots nabij, alsof ze door
de troebele ijsspiegel naar mij kijken. Vooral in het midden
bij de vastgevroren karper in het wak als een tijdgat, waardoor zij
wel de troost lijken te seinen dat zij uitgerekend nu
met ongeveer evenveel ontbreken, aan de andere zijde zijn als wij
zenuwcellen hebben, als zit er in ons hoofd
van elk van wie hier is geweest
de felste sprankel.
.






