Site-archief

Moeder en muze

Ed. Hoornik

.

Na een post over gedichten over vaders kan een gedicht over de moeder natuurlijk niet uitblijven. Ed. Hoornik schreef een prachtig gedicht over de moeder en de muze.

Ed. Hoornik (1910 – 1970) behoorde tot de Amsterdamse school. De Amsterdamse school was een verzameling dichters die een ironische, cynische of opstandige kijk op de dagelijkse werkelijkheid laten blijken in hun gedichten. Dit was dan vaak een reactie op de, in hun ogen, hoogdravende en onwezenlijke poëzie van hun voorgangers van voor 1937. Andere dichters van de Amsterdamse school waren Maurits Mok, Jac. van Hattum en Gerard den Brabander.

Aanvankelijk was het werk van Ed. Hoornik sociaal-kritisch. Zijn latere werk is sterk getekend door zijn ervaring als overlevende van concentratiekamp Dachau en heeft daarom vooral de confrontatie met de dood als thema. Naast gedichten schreef hij ook toneelstukken, romans en essays.

Uit zijn bundel ‘De erfgenaam’ uit 1940 het gedicht over de moeder en de muze.

.

Moeder en muze

.

Zij vond de melk nog in de stenen beker

en ’t ei, dat hij gepeld had laten staan;

altijd onrustig, ook al deed hij zeker,

was hij gekomen om weer weg te gaan.

.

Hem nawuivend liet zij de hand traag zinken,

en hield zich in, terwijl hij sneller ging,

alsof in hem een sterk nieuw lied ging klinken,

waarin hij wraak nam op haar liefkozing.

.

Geen moeder kan de dichter muze wezen,

al drinkt hij aan haar borst ’t Verlangen in;

geen moeder kan hem van de waan genezen

een God te zijn tussen de mensen in.

.

erfgenaam

ed-hoornik

Erts

Gabriel Smit

.

Ik heb inmiddels ruim 6 meter aan dichtbundels verzameld door de jaren heen en daar zitten bijzondere exemplaren tussen. Een mooi voorbeeld daarvan is de bundel ‘Erts’ uit 1955. Een bloemlezing uit de poëie van heden, samengesteld en ingeleid door Bert Voeten.

Het aardige van dit soort bundels, zeker als ze al wat ouder zijn, is dat ik er dichters in tegen kom waar ik nog nooit van gehoord heb. Dichters die, om wat voor reden dan ook, ooit bekend waren en in de vergetelheid zijn geraakt. Een voorbeeld van zo’n dichter is Gabriel Smit (1910-1981).

Als je op zijn naam zoekt op internet kom je al snel een uitgebreide bi(bli)ografie tegen op http://www.schrijversinfo.nl

Dan blijkt Smit in zijn tijd een bekende dichter te zijn geweest. Op de website van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie staat te lezen over hem: “Dichter, prozaïst, journalist, toneel- en jeugdboekenschrijver, vertaler. Gold als een van de bekendste katholieke dichters, in de periode 1940-1970.
Werkzaam als journalist bij De Gooi en Eemlander (1933-1944) en bij het Utrechtsch Dagblad (1939-1950). Hij was daarna literair redacteur van De Volkskrant (1952-1975). Ook was hij na de oorlog redacteur van weekblad De Linie en het literair tijdschrift Roeping.” Ook won Smit gedurende zijn leven verschillende literaire prijzen waaronder tweemaal de Henriëtte Roland Holstprijs (1957 en 1967).

Uit de bundel ‘Erts’ en oorspronkelijk verschenen in De Gids in 1955 de gedichten ‘Omschrijvingen van de liefste I en II’.

.

Omschrijvingen van de liefste

  I

Je komt. Ik houd mijn adem in. Even

valt alles stil, auto’s zijn eeuwen

oud, Het uur is een eerste sneeuwen,

bijna dalend, bijna teruggedreven.

.

Samen weten wij wat niemand vermoeden

kan. Tussen ons beiden houden

onzichtbare stemmen een vertrouwde

doortocht open. Neuriënd behoeden

.

zij de zee voor terugval, blijven

van hart tot hart lang voor onze

geboorte hun verrukking slaan.

.

Nu ben je er. de wolken drijven

weer, de stad begint weer te bonzen.

Maar het neuriën houdt aan.

.

.

II

Samen zijn wij op reis. De dagen

glijden als in een trein de weiden

aan ons voorbij. Soms komen vragen

je ogen, je schoot verwijden,

.

adem opent je handen, even

trilt waterlicht aan de ramen,

gewiek van vogels, gevleugeld leven.

wij denken niet, wij kijken, samen.

.

Soms staat de trein verwonderlijk

stil. Buiten ligt het bezonnen

landschap en wacht, onvoltooid.

.

Even is ons samenzijn afzonderlijk,

dan weet het zich weer begonnen.

Soms is een hand genoeg, soms nooit.

.

IMG_2592

 

 

Angel Island

Chinese immigranten poëzie

.

Angel Island is een eilandje in de San Fransisco Bay (waar ook Alcatraz Island ligt) waar tussen 1910 en 1940 ongeveer een miljoen Aziatische immigranten de Verenigde Staten in kwamen. Daarom wordt Angel Island ook wel het Ellis Island van de westkust genoemd.

Door de Chinese Exclusion Act uit 1882, welke één van de meest belangrijke beperkingen was als het ging om vrije immigratie naar de VS, werd het  Chinese arbeiders verboden naar de VS te emigreren. Toch kwamen er tussen 1910 en 1940 ruim 55.000 Chinezen naar de Verenigde Staten.

De meeste van hen moesten jaren verblijven in barakken op Angel Island. Tijdens hun verblijf begonnen de Chinezen met het kalligraferen van Chinese poëzie op de muren van de barakken in zwarte inkt. Toen de districts commissioner langs kwam rapporteerde hij graffiti op de muren waarna deze werden overgeschilderd.

De Chinese bewoners begonnen toen met het uitsnijden van de poëzie in kalligrafie in de houten muren. In de periode tussen 1910 en 1940 werden vervolgens alle muren maar liefst 8 maal over geschilderd.

In 1931-1932 werd door twee bewoners onafhankelijk van elkaar gesproken van 80 tot 90 gedichten die op deze manier de wanden sierde. In 1970 kwam men tot 135 gedichten en nader onderzoek in 2004 toonde aan dat er maar liefst 200 gedichten en tekstfragmenten te vinden waren op de muren in de voormalige barakken.

In 1964 werd onder druk van de Chinees-Amerikaanse gemeenschap geijverd voor het behoud van de barakken. Het eiland met zijn historische gebouwen is nu een National Landmark.

Een aantal vertalingen van de teksten in het Engels:

*

This is a message to those who live here not
to worry excessively.
Instead, you must cast your idle worries to
the flowing stream.
Experiencing a little ordeal is not hardship.
Napoleon was once a prisoner on an island.

*

In the quiet of night, I heard, faintly, the whistling of wind.
The forms and shadows saddened me; upon
seeing the landscape, I composed a poem.
The floating clouds, the fog, darken the sky.
The moon shines faintly as the insects chirp.
Grief and bitterness entwined are heaven sent.
The sad person sits alone, leaning by a window.

 

Angel-island-wall-poetry_2464

Angel-island-wall-poetry-less-clear_2458

Onweer

Arseni Tarkovski

.

Arseni Tarkovski (1907-1989) werd geboren in Jelizavetgrad en werkte als journalist en vertaler van oosterse poëzie. Tarkovski begon pas na zijn vijftigste poëzie te publiceren. Zijn gedichten zijn filosofisch en traditioneel van aard in de traditie van het Acmeïsme. Het Acmeïsme is een stroming die in 1910 in Rusland ontstond. De Acmeïsten verzetten zich tegen het symbolisme en streefden in hun verzen naar opperste helderheid. Acmeïsme komt van het Griekse woord ‘acme’ dat ‘hoogtepunt’ betekent.

Uit de bundel ‘De tweede ronde’ uit 1993 het gedicht ‘Portret’.

.

Portret

.

Niemand die zich naast mij zet.

Aan de muur hangt een portret.

.

Over de geportretteerde

Zie ik vliegen rondmarcheren.

.

Als mijn blik haar blik ontmoet,

Vraag ik: Gaat het u daar goed?

.

Vliegen op haar blinde ogen,

En zij antwoordt afgewogen:

.

‘Hoe vergaat het jou, alleen

In je lege huis van steen?

 

.

Arseny Tarkovsky

De mooiste van Yeats

William Butler Yeats

.

Lannoo | Atlas gaf in 2010 de bundel ‘De mooiste van William Butler Yeats’ uit. Een bundel samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. In deze bundel de mooiste gedichten van Yeats met vertalingen van Ben Cami, Paul Claes, Jan Eijkelboom, Adriaan Roland Holst, Hedwig Schwall, Koen Stassijns, Geert van Istendael en Ivo van Strijtem. Met een gedegen uitgebreide inleiding van professor doctor Hedwig Schwall is dit een bijzondere bundel. In de bundel een kleine vijftig gedichten met hun vertalingen.

Uit deze bijzondere bundel het gedicht ‘All things can tempt me’ met de vertaling van Geert van Istendael en Koen Stassijns met de titel ‘Haast alles lokt mij’.

.

All things can tempt me

All things can tempt me from this craft of verse:
One time it was a woman’s face, or worse —
The seeming needs of my fool-driven land;
Now nothing but comes readier to the hand
Than this accustomed toil. When I was young,
I had not given a penny for a song
Did not the poet Sing it with such airs
That one believed he had a sword upstairs;
Yet would be now, could I but have my wish,
Colder and dumber and deafer than a fish.

.

Uit: The green Helmet and other poems, 1910

.

Haast alles lokt mij

.

Haast alles lokt mij van dit dichtwerk weg:

Ooit was ’t een meisjeslach of, brute pech –

De valse noden van mijn dwaze land;

Nu neem ik niets zo makkelijk ter hand

Als dit gewoon karwei. Als jonge vent

Gaf ik voor liederen geen rooie cent,

Tenzij de dichter zong met een aplomb

Of hij een zwaard had liggen in ’t salon;

Kreeg ik mijn zin, dan was ik nu gewis

Kouder en stommer en dover dan een vis.

.

9789077441046

 

images