Site-archief
Jean Pierre Rawie
Rondeel
.
Gisteren kwam ik ergens in een stuk over poëzie een stukje over Jean Pierre Rawie tegen. In de late jaren negentig van de vorige eeuw heb ik het genoegen gehad Jean Pierre Rawie te mogen ontmoeten toen hij voordroeg tijdens een schrijversmarkt in de gemeente waar ik toen werkte. Een bijzonder heerschap was het, een dandy. Tenminste, ik denk dat hij graag als zodanig door het leven wilde gaan. Wat mij toen al opviel (ik was toen nog niet zo bezig met poëzie) was dat zijn gedichten zo mooi van structuur waren, zo makkelijk in het gehoor lagen en een beetje gedateerd aandeden. Dat laatste was mijn onwetendheid. Hoewel ik zelf geen bestaande structuren of vaste vormen gebruik in mijn poëzie waardeer ik ze wel degelijk. Jelou (jeloupoems.blogspot.nl) een door mij gewaardeerd dichter kan dit ook heel mooi.
.
Als voorbeeld een gedicht van Jean Pierre Rawie met als titel en als vorm, de uit de Middeleeuwen afkomstige versvorm, rondeel.
Rondeel: 4 regels + 4 regels +5 regels, rijmschema abba + abab + abbaa
.
Rondeel
.
Mijn wonder jij aanminnige vriendinnen,
ik heb mijn nachten wel met u doorwaakt:
gij waart gemeenlijk zo innemend naakt
en liet u zo welwillend voor mij winnen.
.
(Uw warme lijfjes tegen ’t witte linnen,
de legerstede die tevreden kraakt;
mijn wonderlijk aanminnige vriendinnen,
ik heb mijn nachten wel met u doorwaakt.)
.
Soms schiet het mij pas naderhand te binnen
hoezeer wij ons au fond hebben vermaakt
(al is het vaak te spoedig uitgeraakt,
maar viel er aan iets diepers te beginnen,
mijn wonderlijk aanminnige vriendinnen?)
.
Bron: Gedichten.nl
Uit: Wij hebben alles nog te goed (2001)
Gedichten op vreemde plekken
Deel 64: op een grachtenmuur
.
Op de muur van een Grachtenwand in Utrecht staat het volgende gedicht van Ingmar Heytze. De laatste zin is tevens de titel van zijn boek uit 2001 ‘Hier heeft de oudste steen gelijk’. Een boek dat ik iedereen zeer kan aanraden.
‘Hier heeft de oudste steen gelijk’ is een zomerdagboek dat Ingmar Heytze bijhield in de zomer van 2001.
.
De terrorist en de poëzie
Invictus
.
Toen Timothy McVeigh op 11 juni 2001, de dag dat zijn doodstraf uitgevoerd zou worden, die hij kreeg na het plegen van een bomaanslag op een gebouw van de federale overheid in Oklahoma city, zijn final statement mocht maken, deed hij dit door het overhandigen van een handgeschreven gedicht aan zijn bewaker Harley Lappin.
Het gedicht was van William Ernest Henley getiteld ‘Invictus’ (betekenis: god van de onoverwinnelijkheid) uit 1875. Aangenomen wordt dat Henley in dit gedicht het bestaan van een god volgens de Christelijke doctrine ter discussie stelt of ontkent
Waarom McVeigh juist dit gedicht over schreef en aan de bewaker overhandigde daar kunnen we slechts naar gissen. Meteen na het overhandigen van de tekst werd McVeigh om het leven gebracht middels een dodelijke injectie.
De dichter Henley kreeg op zijn twaalfde Tuberculose waarna zijn rechterbeen werd geamputeerd. Zijn linkerbeen kon worden gespaard maar hij in zijn latere leven had hij enorm veel pijn door de abcessen die zijn lichaam teisterde. Velen denken dat zijn afkeer van het Christendom hier mee te maken heeft.
Dit is het briefje dat McVeigh aan de bewaker overhandigde mat daaronder de tekst van ‘Invictus’.
De titel Invictus was niet de originele titel van het gedicht. Dat had geen titel. De titel Invictus werd later door zijn redacteur toegevoegd toen het gedicht werd opgenomen in The Oxford book of English verse.
.
.
Invictus
.
Out of the night that covers me,
Black as the pit from pole to pole,
I thank whatever gods may be
For my unconquerable soul.
.
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeonings of chance
My head is bloody, but unbowed.
.
Beyond this place of wrath and tears
Looms but the Horror of the shade,
And yet the menace of the years
Finds and shall find me unafraid.
.
It matters not how strait the gate,
How charged with punishments the scroll,
I am the master of my fate:
I am the captain of my soul.
.







