Site-archief

The Waste Land

T.S. Eliot

.

Vorige week bezocht ik het filmhuis voor de film ‘Problemski Hotel’ naar het boek van Dimitri Verhulst. Een bijzondere film, dramatisch en komisch tegelijk. In deze film citeert de hoofdpersoon Bipul enige keren een aantal zinnen uit het gedicht ‘The Waste land’ van T.S. Eliot (1888 – 1965) en dan met name de regels uit de eerste strofe  ‘April is the cruelest month’. De eerste 7 regels van de eerste strofe bevatten deze regels. In deze regels noemt T.S. Eliot April een wrede maand terwijl wij hier in het Westen April zien als de maand dat de Lente begint.

In dit gedicht spreekt een getormenteerd mens. Een dichter die aan depressies lijdt. In plaats van het mooie nieuwe te zien voelt de dichter hier een pijnlijke opluchting en brengt dit pijnlijke herinneringen bij hem boven. In de rest van het gedicht werkt hij dit (zijn depressie) verder uit. In de film verwijzen deze regels naar de problemen en uitzichtloosheid van de vluchtelingen in de opvang (het Problemski Hotel).

T.S. Eliot droeg dit gedicht op de dichter Ezra Pound. Het gedicht bestaat uit 5 delen. Als je het gehele gedicht wil lezen kan dat op http://www.poetryfoundation.org/poem/176735 Ik plaats hier het eerste gedeelte.

.

The waste Land

              I. The Burial of the Dead

 

 April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.
Summer surprised us, coming over the Starnbergersee
With a shower of rain; we stopped in the colonnade,
And went on in sunlight, into the Hofgarten,
And drank coffee, and talked for an hour.
Bin gar keine Russin, stamm’ aus Litauen, echt deutsch.
And when we were children, staying at the arch-duke’s,
My cousin’s, he took me out on a sled,
And I was frightened. He said, Marie,
Marie, hold on tight. And down we went.
In the mountains, there you feel free.
I read, much of the night, and go south in the winter.

 

  What are the roots that clutch, what branches grow
Out of this stony rubbish? Son of man,
You cannot say, or guess, for you know only
A heap of broken images, where the sun beats,
And the dead tree gives no shelter, the cricket no relief,
And the dry stone no sound of water. Only
There is shadow under this red rock,
(Come in under the shadow of this red rock),
And I will show you something different from either
Your shadow at morning striding behind you
Or your shadow at evening rising to meet you;
I will show you fear in a handful of dust.
                      Frisch weht der Wind
                      Der Heimat zu
                      Mein Irisch Kind,
                      Wo weilest du?
“You gave me hyacinths first a year ago;
“They called me the hyacinth girl.”
—Yet when we came back, late, from the Hyacinth garden,
Your arms full, and your hair wet, I could not
Speak, and my eyes failed, I was neither
Living nor dead, and I knew nothing,
Looking into the heart of light, the silence.
Oed’ und leer das Meer.

 

  Madame Sosostris, famous clairvoyante,
Had a bad cold, nevertheless
Is known to be the wisest woman in Europe,
With a wicked pack of cards. Here, said she,
Is your card, the drowned Phoenician Sailor,
(Those are pearls that were his eyes. Look!)
Here is Belladonna, the Lady of the Rocks,
The lady of situations.
Here is the man with three staves, and here the Wheel,
And here is the one-eyed merchant, and this card,
Which is blank, is something he carries on his back,
Which I am forbidden to see. I do not find
The Hanged Man. Fear death by water.
I see crowds of people, walking round in a ring.
Thank you. If you see dear Mrs. Equitone,
Tell her I bring the horoscope myself:
One must be so careful these days.

 

  Unreal City,
Under the brown fog of a winter dawn,
A crowd flowed over London Bridge, so many,
I had not thought death had undone so many.
Sighs, short and infrequent, were exhaled,
And each man fixed his eyes before his feet.
Flowed up the hill and down King William Street,
To where Saint Mary Woolnoth kept the hours
With a dead sound on the final stroke of nine.
There I saw one I knew, and stopped him, crying: “Stetson!
“You who were with me in the ships at Mylae!
“That corpse you planted last year in your garden,
“Has it begun to sprout? Will it bloom this year?
“Or has the sudden frost disturbed its bed?
“Oh keep the Dog far hence, that’s friend to men,
“Or with his nails he’ll dig it up again!
“You! hypocrite lecteur!—mon semblable,—mon frère!”
.
.

PH.

September 1958: Portrait of American-born poet TS Eliot (1888 - 1965) sitting with a book and reading eyeglasses, around the time of his seventieth birthday. (Photo by Express/Express/Getty Images)

September 1958: Portrait of American-born poet TS Eliot (1888 – 1965) sitting with a book and reading eyeglasses, around the time of his seventieth birthday. (Photo by Express/Express/Getty Images)

Verhalen vertellen

Bibliotheekplaza

Vandaag was ik op bibliotheekplaza van Probiblio, een provinciale organisatie die bibliotheken ondersteunt. Een aantal zeer inspirerende sprekers en een krantenbericht uit de Spits of de Metro (wie houdt ze nog uit elkaar) verder brachten mij de volgende overdenking.

Allereerst de sprekers: Aanwezig waren o.a. Nalden (van de gelijknamige blog en WeTransfer), Patricia Martin, Ben Hammersley en Mark Mieras. Zij spraken over de toekomst. De toekomst van social media, van de veranderingen in de wereld, de vlucht die internet heeft genomen en wat dat betekent voor toekomstige generaties en over wat dit voor betekenis heeft voor de hersenen (niet allemaal over al deze onderwerpen maar ze kwamen allemaal aan de orde bij de verschillende sprekers).

Een inspirerende, griezelige, enthousiasmerende en verontrustende dag. Als laatste spreker had de wetenschapsjournalist Mark Mieras een bijzonder onderwerp gekozen: Mensen zijn niet digitaal en onze hersenen zijn geen harde schijf. Zeer informatief. Wat bleef hangen uit zijn presentatie was dat mensen behoefte hebben aan verhalen. Om te vertellen, om naar te luisteren, om te lezen.

Dat deed me denken aan een stukje uit de krant van vanmorgen. Daarin stond een artikel over wat de mens gelukkig maakt. Uit uitgebreid onderzoek is gebleken dat shoppen niet gelukkig maakt (wat door verschillende vrouwelijke collega’s onmiddelijk naar het rijk der fabelen werd verwezen 😉 maar dat etentjes met vrienden en gedeelde ervaringen met anderen gelukkig maken. Waarom? Omdat deze ervaringen herinneringen veroorzaken. Net als verhalen. Herinneringen worden verhalen, deze worden gedeeld en dragen bij aan het geluksgevoel van jezelf en anderen.

Waarom schrijf ik dit, deze blog gaat toch over poëzie? Dat klopt. Voor mij is poëzie het vertellen van verhalen in verdichte vorm. Elk gedicht is een verhaal op zich. Herinneringen zijn een natuurlijke en overvloedige bron van inspiratie voor dichters.

Voorbeelden te over ook in de poëzie. Hier een prachtig voorbeeld van Remco Campert.

.

Antwerps meisje

.

Het was laat in de avond

regen in lamplicht gevangen

sloeg neer op het macadam

van de Mechelsesteenweg

je had een offwhite jurkje aan

ik schatte je op vijftien

je liep langs de straat

waar ook ik overging

auto’s passeerden remden af

reden weer verder

je vroeg de weg naar de Muze

café waar Ferre optrad

Ferre Grignard de anger van jouw lied

zijn stem die op de radio geklonken had

en waarheen je nu op weg was

‘volg de tramrails maar

dan vind je hem vanzelf’

en ik onnnozelaar liet je gaan

.
Antwerps meisje

dat ik in mijn hart draag

wat heb ik toch gedaan

met mijn leven

.

(uit: nieuwe herinneringen, 2007)