Site-archief

Vers van de pers

MUGzine 31

.

De nieuwe MUGzine is er!, op papier en morgen op de website. Dit keer met de winnende en genomineerde gedichten van de Rob de Vosprijs (de poëzieprijs van Meander). Deze prijs werd in 2025 toegekend door de jury aan de Vlaamse dichter Rik Dereeper (1962). MUGzine #31 opent met het voorwoord van onze redactiefilosoof Marianne Hermans en daarna meteen het winnende gedicht van Dereeper getiteld ‘Veldstraat 39. Een extra aanbeveling voor de kunst in #31 van Mariken van Heugten die deze editie van een voorjaarstintje voorziet, en het MUGgedicht van dichter Irene Wiersma.

De jury van de Rob de Vosprijs bij monde van Marc Bruynseraede en Monique Wilmer-Leegwater schreef over het winnende gedicht van Rik Dereeper:

In ‘Veldstraat 39’ heeft de dichter het thema ‘Dwalen’ treffend weergegeven. Het gedicht ontroert door zijn sobere toon en precieze waarneming van ouderdom, herinnering en verlies. Met groot inlevingsvermogen en zuivere formulering laat de dichter verstaan wat het is aan dementie te lijden. De Jury werd getroffen door de heldere, beheerste taal, waarmee de dichter een man schetst die, op weg naar een huis dat ooit zijn huis was, letterlijk en figuurlijk de weg kwijt is. De twijfel, stuurloosheid, slepende traagheid geven gestalte aan de tragiek. Bij mij kwam het beeld voor ogen van ‘De aardappeleters’ van Vincent Van Gogh: het schaarse licht, het duistere van de scène, de onontkoombaarheid der dingen weegt door in de woorden van de dichter.

De zinnen ademen rust, onzekerheid en melancholie. De dichter vermijdt sentiment en kiest voor kleine observaties: het slaan van de torenklok, het zweet dat parelt, het zoemen van het struikgewas. Juist die details maken de emotie tastbaar, zonder ze te benoemen. Het gedicht toont beheersing, de dichter ademt stilte en suggestie uit.

Thematisch is het werk sterk gelaagd. Achter de zoektocht naar een adres schuilt het besef van het verdwalen in tijd en geheugen. De man zal ‘het woonhuis op een middag amper vinden’ en dat zal – in de toekomende tijd – legt een zachte voorbode van verlies. De slotstrofe brengt een indrukwekkende verschuiving: van concrete handelingen (‘zalf proberen’, ‘zijn gebit betalen’) naar een bijna metafysische aanvaarding van vergankelijkheid.
Vormgeving en taalgebruik zijn klassiek, gestructureerd in strofen van driemaal vijf versregels. De onderliggende betekenis in sober beeldgebruik, zonder taaltechnische kunstgrepen, vormgegeven.

Veldstraat 39 is een ingetogen miniatuur over ouder worden, geheugenverlies en het langzaam verdwijnen van wat eens vanzelfsprekend was. De dichter roept in enkele strofen een wereld van weemoed op, zonder één woord teveel.
Een gedicht dat staat als een huis. Het huis waarnaar de getroffene op zoek is.

Het gedicht staat dus in MUGzine #31. Om niet meteen alles hier al weg te geven kun je het gedicht lezen op de website of donateur worden van MUGzine. Een particulier en spontaan poëzie initiatief van drie mensen die een groot hart voor poëzie hebben. MUGzine gaat haar 6e jaar in en ‘is here to stay’. Wil je ons steunen om dit fijne minipoëziemagazine uit te blijven geven, word dan donateur en ontvang alle nummers van 2026 in je brievenbus. Wij doen er dan een leuk extraatje bij.

Om niet zonder gedicht te eindigen hier een ander prijswinnend gedicht van Rik Dereeper (prijswinnend in Poëziepad van A tot Z) uit De schaal van Dighter uit 2020.

.

De kennisboom voorbij

.

Paradijselijke wortels vroegen geen beloning
om de kruin vol appeltjes te hangen. Dankzij
hoge takken kreeg de Schepper wind te horen,
zag Hij wuifplezier. De laagste takken reikten

naar piepjong gevogelte en uitgefloten zielen,
naar de kortgearmde fruitplukster en al te luie
lekkerbek; hij droomde van een houten ladder
uit de stam waarboven verre vruchten lonkten.

Door zo’n hemels ooft ontstonden klimaapjes,
gezonde tanden, zaadpithandel, bloesemwinst
van gaarden, apfelstrudel, cider, sproeistoffen

en bovenal laagstammigen voor hooggehakte
heksen. Met hun lingerie polijsten zij de schil
en krijsen: wie in appels bijt, krijgt gore schijt.

.

Dag 4

Monique Wilmer-Leegwater

.

Uit de bundel ‘Wisselplaats’ uit 2023 van Monique Wilmer-Leegwater (1966) nam ik het gedicht ‘Wende’.

.

Wende

.

Kijk, in deze termendraf

deze kermenvloed, dit berkenboet

.

wanselt het dorp ekerharten tot bloedens toe

draagt velkerkronen naar hutten en kerken

drinkt aspensap uit blauwe kelken

tot sterrenmasten, maanbedrog.

.

Het schijn sel uiteindelijk bleek, dek ik

de wende onder mos en blad, kus het

donselig wamseltje, tussen grens

van dauw en damp, het stil geworden

drachtelijn, dag poppedein, dag.

.

 

Wisselplaats

Een recensie

.stijlfiguren, 

Van Monique Wilmer-Leegwater (1966) verscheen dit jaar de bundel ‘Wisselplaats’ bij uitgeverij U2pi. Wanneer ik een nieuwe bundel in handen krijg dan begin ik altijd met het lezen van de achterkant, en de gegevens in de bundel. Op de achterzijde van ‘Wisselplaats’ staat: In Wisselplaats geeft Monique Wilmer-Leegwater woorden aan de vervreemding tussen de mens en zijn natuurlijke omgeving. Waar is nog sprake van herkenning en verbondenheid?  En: in deze bundel klinkt de roep van een gezamenlijke oorsprong.

Nu weet ik en eigenlijk iedereen die weleens een boek of dichtbundel leest dat teksten op achterflappen leest dat je dit soort ronkende teksten met een korreltje zout moet nemen. Maar mijn ervaring leert me dat er altijd een kern van waarheid zit in dit soort bespiegelingen. Benieuwd of dit ook zo is bij deze bundel.

Wat me meteen opviel bij de eerste lezing van ‘ Wisselplaats’. Is dat dieren een belangrijke rol spelen in de poëzie van Monique. En dan vooral in hun relatie met de dichter. Paarden, vogels, maar ook elementen als bomen en gras. In de gedichten speelt de natuur in al haar rijkdom een rol zou je kunnen zeggen. De dichter verlangt naar het opgaan in en samen gaan met de natuur. Zoals in het gedicht ‘ Mogelijk een mens’ op pagina 32. “ Er ligt verwondering in hun blik, ben ik / een van hen, ben ik iets van belang / ben ik iemand die ergens voor staat.” De hun in deze strofe zijn de bomen. Die bomen keren terug aan het einde van het gedicht: “Zij zingen, vormen een boog, een erehaag van blad / en bloei voor al het uitzichtloze dat aan hen / voorbij blijft komen. “

In deze bundel worden mensen met dieren vergeleken, de levens van mensen met de levens van dieren, wordt er gepraat met de dieren, geeft ze (hiermee) dieren een stem. In het hoofdstuk ‘ Kijk, daar gaan de meisjes’ staan de dieren even wat minder centraal, daar is er tijd en aandacht voor een moeder en vrouw. En toch is de natuur ook in de gedichten in dit hoofdstuk nooit ver weg al wordt ze minder nadrukkelijk benoemd.

In het hoofdstuk ‘ Bloedbanden’ is ook ruimte voor het kind en de sterfelijkheid van de mens. En opnieuw verhoudt de dichter zich met de natuur buiten de mens. Een boom, een vos, een oerwoud, een oceaan, haviken. In het gedicht ‘ Schraal’ wordt dit als volgt verwoord: Ik verwelkom het dierenrijk op mijn gazon. Kom, dorstige vos, / armzalige haas, moedeloze bij. Laten we spreken / over toekomstige dagen.

Maar er valt meer te genieten in de bundel. In twee gedichten ‘ Olemaan’ en ‘Wende’ komt het taalgevoel van de dichter op een heel andere creatieve manier tot zijn recht. Deze gedichten zette me bij een eerste vluchtige lezing op het verkeerde been. Woorden als scharmen, kopsel, bandsel, ekerharten, lokselmazen, olemanen en drachtelijn lijken Nederlandse woorden te zijn (dialect wellicht) maar zijn gewoon verzonnen woorden. Bijzonder hoe je zo’n gedicht dan leest alsof het allemaal klopt wat er staat. Zoals in de zin uit ‘Wende’: Hoor hoe wendsels het land bedotten, zie / hun strook en kot besmuikt met bandsel.

Ik ben blij dat de dichter en de uitgever deze twee gedichten in de bundel hebben opgenomen. In het geheel en het thema van de bundel zou je kunnen betogen dat het twee losse flodders zijn in een verder met scherp geschoten relaas maar juist dit soort gedichten laten zien dat een dichter, hoe serieus ook in haar poëzie, ook een vrolijke, licht absurdistische kant heeft.

Het is moeilijk Monique in een traditie te plaatsen. Misschien een traditie die zich nog moet vormen. Net als ik heeft ze zich bij de Klimaatdichters aangesloten. Qua poëtische traditie zijn haar gedichten vrij maar maakt ze gebruik van stijlfiguren en enjambementen en doet dit zorgvuldig waardoor haar gedichten aan zeggingskracht toenemen. Als klimaatdichter is ze van het deel dat niet met een bestraffende vinger naar onrecht en veroorzakers van natuur- en klimaatschade wijst maar beschrijft ze situaties waar je als lezers je eigen conclusie mag en kan trekken.

Met deze bundel levert Monique Wilmer-Leegwater niet alleen bundel af die tot nadenken aanzet, maar vooral ook een bundel waarin taalgevoel en beschrijvingen van de mens-natuur relatie centraal staan.

Als ik dan terugga naar de tekst op de achterkant van deze bundel dan kan ik concluderen dat de redacteur die de tekst heeft geschreven met veel gevoel voor dramatiek de kern van de bundel heeft weten te beschrijven. Dat dit een reflectie in poëzie is, mag duidelijk zijn. Een frisse en wat mij betreft bloemrijke bundel die het verdient gelezen te worden ook buiten de groep van in klimaat geïnteresseerde poëzieliefhebbers.

Het gedicht dat ik koos om hier te plaatsen staat in het hoofdstuk ‘Notities van een klein toneel van onvolkomenheid’ en is getiteld ‘ Exodus’ .

.

Exodus

.

Het kind zingt een merellied, pikt wormen uit de aarde.

We imiteren vogels, er ligt een noodzaak in hun blijven.

Zoals het groen, de sterren, de sterren op het water, een gouden zon

in gedachten onze hemel zijn.

.

Aangevreten, uitgesleten, zijn bekoorlijk lijf kapot en zwart.

Niemand die hem nog herkennen kan, zijn naam durft

uit te spreken.

.

Zo leeg, zo kaal, zo schraal.

Vind je vergeldingsgdrang in genen, kent expansiedrift

een grens?

.

We weten nu hoe mooi hij was, hoeveel wij van hem hielden.

Hier is hij niet en waar is hij gebleven. We lopen en

we lopen maar, honden en katten kleven aan onze benen.

Niemand weet van wie ze zijn, of ze bij iemand horen.

.

 

Publicatie gedichten

De veerman

.

Enige tijd geleden stuurde ik twee gedichten in naar De veerman, Tijdschrift voor West- en Noord-Europese literatuur en kunst. In het februari nummer van dit jaar (nummer 6) zijn mijn gedichten opgenomen en vertaald in het Duits en Deens. De vertalingen zijn van de hand van Romain John van de Maele. Alle nummers van De veerman kunnen online worden gelezen door bemiddeling van de Hendrik Conscience Erfgoedbibliotheek. Je kunt ze lezen door op deze Link te klikken.

Ik ben in goed gezelschap want andere dichters van wie werk is opgenomen in dit nummer zijn onder andere Else Lasker-Schüler, Gerard Scharn, Marcel Wauters, Liliane Debrouwer, Gottfried Benn, Monique Wilmer-Leegwater, Georg Trakl en Christina Guirlande.

Mijn gedicht ‘Hij leert haar taal’ werd in het Duits vertaald ‘Er lernt ihre Sprache’.

.

Hij leert haar taal
.
Hij zal haar in de ogen kijken, diepte
ervaren zoals zij zijn breedte ervaart. Het
ruime sop met haar kiezen, oevers noch grenzen
erkennen of aanvaarden. Taal is wetenschap.
.
Haar taal is steeds weer anders, hij onderzoekt niet,
weet woorden als water, geeft ze haar wanneer hij kan,
droomt hoopvol van nieuwe resultaten.
Poëzie is in gesprek gaan met droom én daad.
.
Waar zij elkaar vinden in het nieuwe en onbekende
stromen woorden uit zijn handen. Zij neemt ze op
en weegt ze, haalt ze binnen met gretigheid.
Wat nieuw is en in de marges ligt zal zij oppakken.
.
Zo voeden zij elkaar zonder te eten, lopen zij vol
zonder te drinken, blijft de dichter in zijn eigen staart
bijten. Steeds geeft zij aan hoe zij te werk gaat en zal hij
haar taal moeten leren volgen.
Voor dat ene gedicht.
.
.
Er lernt ihre Sprache
.
Er wird ihr tief in die Augen schauen,
Tiefe erleben, wie sie seine Weite erfährt. Das
breite Wasser mit ihr wählen, weder Ufer noch Grenzen
anerkennen oder akzeptieren. Sprache ist Wissenschaft.
.
Ihre Sprache ändert sich immer, er forscht nicht,
kennt Worte wie Wasser, gibt ihr diese, wenn er kann,
träumt hoffnungsvoll von neuen Ergebnissen.
Lyrik bedeutet Gespräche führen mit Traum und Tat.
.
Wo sie sich im Neuen und Unbekannten finden,
fließen Worte aus seinen Händen. Sie nimmt sie
und wiegt sie, schleppt sie eifrig hinein.
Was neu ist und am Rande liegt, wird sie aufgreifen.
.
Sie füttern sich gegenseitig ohne zu essen, sie füllen sich
ohne zu trinken. Der Dichter beißt ständig im eigenen Schwanz.
Sie zeigt immer wieder wie sie vorgeht, und er wird lernen
ihrer Sprache zu folgen.
Für dieses eine Gedicht.
.
.