Site-archief
Robert VanderMolen
Het meer
.
In het Volkskrantmagazine van afgelopen zaterdag staat een mooi artikel over een miljardair wiens vader begin vorige eeuw naar Amerika vertrok en daar een keten van supermarkten opzette. Zijn naam: Hendrik Meijer. Nu zul je je misschien afvragen waarom ik, op een blog over poëzie, iets ga schrijven over een miljardair die zijn geld verdient met het uitbaten van supermarkten in de Verenigde Staten? Een terecht vraag.
In het zeer leesbare artikel wordt Hendrik Meijer niet alleen als een zeer vriendelijk en sociaal begaan persoon beschreven maar wordt ook gewag gemaakt van het feit dat hij zeer in poëzie geïnteresseerd is, zelf poëzie schrijft maar zichzelf een zeer matig dichter noemt (hij heeft ooit eens een gedicht weten te laten publiceren in een verzamelbundel getiteld ‘Comfort Inn, een gedicht dat ik overigens nergens heb kunnen vinden in full text).
In het artikel wordt beschreven dat hij deel uitmaakt van een groep die zichzelf The Scribblers noemen (vertaling: de pennenlikkers), allemaal geboren zijn vanuit ouders die ooit Nederland voor Amerika verruilde, en samen over literatuur, poëzie, politiek (allemaal zijn ze anti-Trump) praten. Op tafel ligt een bundel poëzie van Bob VanderMolen (1947-2025), een vriend en dichter die overleden is. Een romantisch, poëtisch figuur en een lokale beroemdheid, volgens de schrijver van het artikel.
In het dagelijks leven huisschilder, publiceerde ‘Bob’ Robert VanderMolen maar liefst dertien bundels met glasheldere gedichten. Wanneer ik zoiets lees ga ik uiteraard op zoek en ik vond inderdaad allerlei gegevens en gedichten van deze Robert. Zo verscheen zijn werk in The London review of Books, Poetry Daily, The Poetry Foundation, Grand Street Parnassus, Poetry, Epoch Michigan Quarterly Review en Saint Ann’s Review. Uit zijn bundel ‘Skin’ uit 2021 komt zijn gedicht ‘The Lake’.
.
The Lake
.
Dry snow, the pines scaly
As deer parade single file
As if on duty, declining
The ridge without effort
Their nostrils and breath
Suddenly enlarged, down
To the dock stacked
Under snow and
What has blown into it,
Twigs and bark from birches,
And out onto ice
Above fish staring skyward
As dry as stuffed bass and pickerel
Mounted over a mantel
Growing smaller, like in a dust
Of snow flakes,
Or a broken sentence
In Old English
During that era we did
So many illuminating detours
—a breeze stirs,
Something barks back
.
As the surface bends
Under its own weight
.
The Olympic Girl
John Betjeman
Van de week schreef ik al over Philip Larkin en de vraag van Jessica Hynes aan Hugh Bonneville: Larkin of Betjeman. Hij koos voor Larkin maar Betjeman mocht er ook zijn (vond het tweetal). John Betjeman was een Engels dichter en literatuurcriticus. Zijn voorouders waren van Nederlandse afkomst. De oorspronkelijke familienaam was Betjemann. De laatste n verdween tijdens de Eerste Wereldoorlog om de naam minder Duits te doen lijken.
Betjeman (1906 – 1984) nam zichzelf niet al te serieus. Zijn gedichten zijn mede daardoor zeer toegankelijk. Hij schreef persoonlijk getinte, soms lyrische, maar ook humoristische en satirische gedichten, en deed dat in eenvoudige taal. Zijn dichtwerk mocht zich daardoor verheugen in de belangstelling van een breed publiek. Lees en oordeel zelf.
.
The Olympic Girl
The sort of girl I like to see Smiles down from her great height at me. She stands in strong, athletic pose And wrinkles her retroussé nose. Is it distaste that makes her frown, So furious and freckled, down On an unhealthy worm like me? Or am I what she likes to see? I do not know, though much I care, xxxxxxxx.....would I were (Forgive me, shade of Rupert Brooke) An object fit to claim her look. Oh! would I were her racket press'd With hard excitement to her breast And swished into the sunlit air Arm-high above her tousled hair, And banged against the bounding ball "Oh! Plung!" my tauten'd strings would call, "Oh! Plung! my darling, break my strings For you I will do brilliant things." And when the match is over, I Would flop beside you, hear you sigh; And then with what supreme caress, You'd tuck me up into my press. Fair tigress of the tennis courts, So short in sleeve and strong in shorts, Little, alas, to you I mean, For I am bald and old and green. .





