Site-archief

Ogenneuk

Piet-Hein Zijl

.

Ik kocht de bundel ‘Zoals een haan een ei legt’, de beste 100 gedichten uit de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2009. Het leuke aan dit soort bundels is dat er veel dichters in staan waar ik nog nooit van gehoord heb, dichters die blijkbaar in een zekere anonimiteit de pen ter hand nemen (of het toetsenbord) en daar een gedicht mee schrijven, opsturen naar de wedstrijdredactie en daar dan worden uitgekozen als één van de beste 100 inzenders. Ik heb al eerder geschreven over de editie van 2012, 2013, 2014, en 2016, en nu dus die van 2009.

In deze editie ken ik van de 100 beste gedichten (het zijn minder dan 100 dichters want een aantal is met twee gedichten opgenomen) er welgeteld 9 en dan alleen van naam (de enige die ik ken van een  bundel die ik gerecenseerd heb is Robin Veen). Maar lezend in de bundel kwam ik bij het laatste gedicht met de intrigerende titel ‘ogenneuk’. Bij het lezen van zo’n titel heb ik meteen een beeld en dat blijkt wonderwel te kloppen met hetgeen de dichter in het gedicht heeft willen beschrijven.

Het gedicht is van Piet-Hein Zijl (1946). Zijl is beeldend kunstenaar, tekenaar en graficus (etser), pianist en dus blijkbaar ook dichter. Heel veel meer kwam ik niet tegen maar laat het gedicht voor zichzelf spreken.

.

ogenneuk

.

met de jongedame van de kassa had ik

een halfminuutje of daaromtrent

ogenneuk want we lachen glim over mijn dichten over tijd

misschien kwam ik ook wel eerder klaar

of had ik me eerder al uit in elk geval de diepte van haar ogen

teruggetrokken zo sprankelend bruin en amandelvormig jong

of zij welllicht uit de mijne

.

dit alles na voltanken

Suzi in elk geval stroomde ervan over

zou binnenkort weleens over tijd kunnen zijn

net als mijn dochter dat is

.

met autobaby maar ook met mensenbaby amandelvormig ogend

zal kleinzoon Milo willen spelen

ook met de baby natuurlijk van zijn moeder het broertje

zo luidt de bestelling

‘mijn baby’ heet nu al trots zijn bezit

.

nu nog zijn mama met buikgriepachtige verschijnselen

die geen veel te vroege baby baren mag

geef alsjeblieft Milo zijn echte broertje of dan maar zusje

.

De zwaluwen zijn dit jaar niet gekomen

Robin Veen

.

Dichter, computerkunstenaar en fotograaf Robin Veen ken ik al een lange tijd. In 2016 was hij een van de genomineerde dichters die streden om de Ongehoord! poëzieprijs. Toen al viel hij me op door zijn vormvaste poëzie. In het ‘geweld’ van vrije poëzie-, prozapoëzie- en spoken worddichters is hij, net als een aantal light verse dichters een dichter die vast houdt aan de vaste vormpoëzie, in zijn geval aan het sonnet. Ik heb altijd veel respect gehad voor dichters die zich vrijwillig de vaste vorm van dichten opleggen. Omdat het veel moeilijker is dichten in een vaste vorm en omdat ik het zelf nooit echt onder de knie heb gekregen. Ik heb weleens een sonnet geschreven waar ik tevreden over was maar moest dat heel erg veel moeite voor doen. In die zin is het naast een creatief proces ook een ambacht.

Robin Veen (1953) beheerst deze creatieve ambachtelijke vorm van dichten als geen ander. Pas geleden verscheen bij uitgeverij U2pi in het open fonds, de bundel ‘De zwaluwen zijn dit jaar niet gekomen’. Op de achterflap  staat te lezen dat Veen door twee herseninfarcten gestopt is met dichten. Het gaat niet meer. Dat zijn laatste gedichten, zijn laatste sonnetten nu zijn gebundeld in deze bundel verdient een compliment aan Jos van Hest en Monica Boschman die de redactieraad vormen van het open Fonds.

De bundel is opgedeeld in een aantal hoofdstukken met titels als ‘De leugen van het licht’, ‘De wolken worden mist’, ‘Het ritme van verlangen’, ‘De dromers van het woord’, ‘De tol van de consumptiemaatschappij’ en ‘Een oude man spoelt aan’. Uit de titels van deze hoofdstukken, is de reis die Robin Veen maakt in deze laatste bundeling gedichten meteen duidelijk. Dit zijn woorden van een dichter die afscheid neemt van de poëzie en die komen aan.

Ik betrap mezelf erop dat door de vorm, het sonnet, de boodschap van gedichten met een zware lading, lichter worden, beter verteerbaar. Dat is de verdienste van Veen. Een voorbeeld zijn de laatste twee strofes in het gedicht ‘Furie’.

.

En ik besef: het allerbeste is

nog altijd rustig blijven, maar ik mis

de kalmte en ik kan er niet om heen

.

dat er voor mij geen sprankje hoop meer gloort.

De aarde dreunt, de kudde dendert voort.

Ervaring leert: een gnoe komt nooit alleen.

.

Op de achterflap van de bundel staat te lezen: “Ze zijn onverbiddelijk, de sonnetten van Robin Veen, Hard als aarde, zacht als water, razend knap van taal. Zijn gedichten getuigen van een vergeefs verlangen. Ze geven je klappen op je donder (waar die ook zit) en aaien je ziel (als je die hebt). En af en toe moet je nog lachen ook.” Gevold door een vraag die door het voorgaande eigenlijk al beantwoord is: “Hoe kan een dichter tegelijkertijd zo genadeloos en troostrijk zijn?”

Het laatste gedicht in deze bundel is voor mij de perfecte afsluiting van de reis die je aan de hand van de gedichten van Veen maakt. Het gedicht ‘Eiland’ eindigt met de zinnen: Het water zwijgt. Een oude man spoelt aan. De dichter Robin Veen zwijgt, maar hij spoelt aan, levend en wel. Zijn leven zal er vanaf nu anders uitzien, Veen blijft creatief op het gebied van de fotografie ( het omslag van de bundel is van zijn hand). In het omslag herken ik een combinatie van ‘De schreeuw’ van Edvard Munch en schilderijen van Dali. Van de dichter Robin Veen is dit zijn afscheid, van de fotograaf denk ik nog vaker iets te gaan zien of horen.

Mijn conclusie na het lezen van deze bundel is dat ‘De zwaluwen zijn dit jaar niet gekomen’ een groot publiek verdient. Liefhebbers van vorm en inhoud zijn bij deze bundel aan het juiste adres. Elk gedicht weer appelleert aan mijn liefde voor poëzie, veel gedichten wil ik na lezing onmiddellijk nog eens lezen. Een bundel om te koesteren en na lezing zo nu en dan nog eens ter hand te nemen als herinnering aan hoe bijzonder poëzie in de sonnetvorm kan zijn.

Tot slot nog een gedicht uit deze bundel die me zeer aanstaat en waarin Veen zichzelf (en de ‘dichter’) op de hak neemt getiteld ‘Stilte’.

.

Stilte

.

De dichter geeft aan stilte een geluid.

Dit kleine woord dat, als je hardop spreekt,

ontegenzeggelijk zichzelf verbreekt,

verdraagt dus nooit een klank. wat erop duidt

.

dat de poëet dus wel een ijdeltuit

moet zijn die anderen de loef afsteekt

die literair zijn anus heeft gebleekt.

Zijn voordracht tekent hem ten voeten uit.

.

Hij vindt zichzelf behoorlijk geniaal

als hij de stilte mooi verwoordt in taal

die mijlenver de inhoud overstijgt

.

en als hij dan uiteindelijk weer zwijgt,

blijkt dat de luisteraars, moe van zijn dwepen,

er stilletjes van tussen zijn geknepen.

.