Site-archief
Dennis O’Driscoll
1954 – 2012
.
Opnieuw is er een dichter overleden. Op Facebook las ik het bericht van het overlijden van Dennis O’Driscoll op 24 december jongstleden.
Deze Ierse dichter publiceerde in totaal 9 poëziebundels, ontving vele prijzen voor zijn werk en had een eredoctoraat in de literatuur aan the University College in Dublin. O’Driscoll’s werk karakteriseerde zich door het economische woordgebruik en terugkerende motieven als sterfelijkheid en de breekbaarheid van het alledaagse leven.
Voor dat O’Driscoll zelf poëzie publiceerde was hij actief en bekend als poëziecriticus. The Times Literary Supplement noemde hem eens ‘een van Ierlands meest gerespecteerde poëziecritici’. In het Engels taalgebied een grote naam, voor wie het (nog) niet kent, op http://www.poetryfoundation.org kun je zijn biografie alsmede een aantal gedichten van zijn hand lezen. Hier alvast een gedicht van hem.
.
Normally speaking
In ons hoofd zit wat voorbij is
Ankie Peypers (1928 – 2008)
.
Gistermiddag was ik bij het afscheid van een collega en in een van de speeches hoorde ik daar de zin ‘In ons hoofd zit wat voorbij is’.
Die zin intrigeerde me en ik heb hem gelijk genoteerd. Vandaag heb ik er naar gezocht en het blijkt een citaat te zijn van Ankie Peypers.
Eig. Johanna Annie Peijpers, Nederlandse dichteres en prozaschrijfster (Amsterdam 29.9.1928). Aanvankelijk journaliste bij het socialistische bladDe Vlam en bij Het Vrije Volk. Ze debuteerde met poëzie in Libertinage en in 1951 verscheen haar bundel October. Haar gedichten vertonen verwantschap met de poëzie van de Vijftigers, vooral door de associatietechniek, maar ze heeft nooit echt deel uitgemaakt van deze groep. (Bron: dbnl.org).
Een voorbeeld van een van haar gedichten:
.
Dood
De vogels, executeurs-testementair
van de verzen die ik heb geschreven,
komen als het herfst wordt naar mij toe,
denkend dat het einde van mijn leven
samenvalt met het beginnend sterven
in de bomen rond hun vogelnesten,
met de onrust in hun vogelbloed.
Zij vliegen snel om nog op tijd te zijn
voor het bladerritselend verwaaien van mijn leven
en vragen mij:
dood-zijn is dat
zoals een telefoondraad is,
tussen twee palen strakgespannen,
omgeven door de ijle lucht
en roerloos zijn, een heel klein zwart,
dat niet kan zingen en geen antwoord geven?
.




