Site-archief

Averij aan de wereld

Ewa Lipska

.

De Poolse dichter Ewa Lipska (1945) is één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de grote generatie Poolse dichters die na de tweede wereldoorlog werden geboren. Ze debuteerde in 1961, net 16 jaar oud met enkele gedichten in een dagblad. Tijdens de jaren ’70 was ze actief als poëzieredacteur bij uitgeverij Wydawnictwo Literackie in Krakau. Een paar jaar na de val van het communisme verhuisde ze naar Wenen waar ze werkzaam was in het Poolse Instituut. Inmiddels woont en werkt ze weer vanuit Krakau.

Sinds haar debuutbundel ‘Wiersze’ (Verzen) uit 1967 heeft ze ruim twintig poëziebundels gepubliceerd. Hiervoor ontving ze in binnen en buitenland talloze literaire onderscheidingen.  Ze is lid van de Poolse en Oostenrijkse PEN Club , oprichtend lid van de Vereniging van Poolse Schrijvers (1989), lid van de Poolse Academie van Kunsten en Wetenschappen. Haar poëzie is in vele talen vertaald en in 2024 verscheen er bij uitgeverij P de mooi vormgegeven bundel ‘Averij aan de wereld’ 100 gedichten van haar hand, gekozen, vertaald en van commentaar voorzien door René Smeets, Maarten Tengberger en Kris Van Heuckelom. Deze bundel is een nieuwe loot aan de ‘kleine Poolse bibliotheek’ van uitgeverij P.

Een bundel waar steeds op elke bladzijde aan de ene kant het vertaalde gedicht in het Nederlands is opgenomen en daarnaast het gedicht in het Pools. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Maffia” of in het Pools ‘Mafia’ in een vertaling van Maarten Tengbergen.

.

Maffia

.

Wij handelden in Shakespeare

sinds onze vroegste kinderjaren.

Van het verbod op lyriek

is niets terecht gekomen.

.

Capo di tutti i capi

De Godfather

van mijn debuut

gaf mij de eerste instructies:

.

Er is geen kunst

zonder geweld

de harde hand van woorden

de terreur van stijl.

.

We aten Siciliaanse croissantjes

bepoederd met ochtendmist.

.

Tot op vandaag

slaap ik tussen de versregels door

met de wapens in de aanslag.

.

Dat treft goed

wanneer het succes van de zon opkomt.

.

De rokkenjager

en diens bijdehante tante

.

Herta Müller (1953) is van Roemeense komaf maar woont en werkt in Duitsland sinds 1987. In 2009 ontving zij de Nobelprijs voor Literatuur en eerder kreeg ze al de Kleist-prijs, de Marieluise-Fleisserprijs en de Europese Literatuurprijs. Ze is naast dichter ook schrijver en essayist.

Voor mij is vooral haar werk als collagedichter interessant. Haar huis ligt vol kleurige knipsels van woorden en afbeeldingen uit kranten en tijdschriften welke ze gebruikt om haar herkenbare collagegedichten mee te maken. Haar gedichten zijn fantasievol en humoristisch maar net als in haar proza steekt toch ook hier af en toe verbijstering en angst de kop op. In 1982 debuteerde ze met de verhalenbundel ‘Niedrungen’ waarna nog vele boeken en bundels volgde. Een groot deel van haar werk is vertaald in het Nederlands.

In 1987 trad ze toe tot de Duitse PEN-club, die ze in 1997 verliet, omdat deze was samengegaan met de DDR-afdeling die in haar opinie teveel samenwerkte met de Securitate, de geheime dienst uit Roemenië, een land dat ze was ontvlucht omdat diezelfde Securitate gezorgd had dat ze werd ontslagen bij ‘De machinefabriek’ waar ze vertaalster was omdat ze weigerde met de geheime dienst samen te werken.

In 1987 werd een bundel van haar vertaald in het Nederlands ‘Barrevoets in februari’ waarna er nog verschillende zouden volgen. Zoals de bundel ‘De rokkenjager en diens bijdehante tante’ uit 2011, een vertaling van ‘Die Blassen Herren Mit Den Mokkatassen’ uit 2005. Ik zet de Duitse titel erbij want in deze dikke bundel staan de oorspronkelijke collagegedichten in het Duits (uiteraard) met daarbij in tekst de Nederlandse vertaling van Ria van Hengel.

Uit deze bundel nam ik een gedicht zonder titel met daarbij het oorspronkelijke collagegedicht in het Duits.

.

de zwager van mijn vader had van de oorlog

nog maar één arm de andere was van wasdoek

gevuld met zand in plaats van een hand zat

er vingergroot een haalkje aan dat glom onder

water lokte de vissen naar boven de zon was

onder het viaduct geschoven met haar gele

laatste tand algauw kwamen de avondspreeuwen

in een zwerm voorbij die leken voor mij op het

jasje met zand in de mouw

en op de trap naar het kanaal ging slechts een

lachwind aan de haal

.

Geen uitweg

Ewa Lipska

.

Ewa Lipska (1945) is een Pools dichter, columnist. Daarnaast was ze redacteur van de poëzie sectie Literaire uitgeverij (1970-1980), directeur van het Pools Instituut in Wenen (1995-1997), lid van de Poolse en de Oostenrijkse PEN Club, stichtend lid van de Vereniging van Poolse Schrijvers (1989) en lid van de Poolse Academie van Wetenschappen.

In 1967 debuteerde ze met de bundel ‘Gedichten’ en sinds die tijd publiceerde ze vele bundels, won ze vele literaire prijzen en was ze regelmatig te zien en te horen op literaire festivals in Europa en de Verenigde Staten. Daarnaast werden veel van haar teksten op muziek gezet. In vertaling van Esselien ’t Hart hier het gedicht ‘Geen uitweg’ uit 1990.

.

Geen uitweg

.

Dit is dat hotel. Deze kamer.

Het bed waarin zij hebben geslapen.

De roze magnolia’s hangen nog in de kast.

Zij hebben bijna de hele stad met liefde besmet.

Mensen vielen elkaar in de armen.

Meisjes hingen mannen om de hals

als namaaksieraden.

In de wisselkantoren

werden kussen gewisseld.

Men stierf niet meer.

De lijkwagen vervoerde pasgehuwden.

Ambtenaren lazen de gedichten van Ronsard.

Censors schrapten de horizon.

Corrigeerden het uitzicht uit het raam.

Midden op het marktplein werd

Feest der liefde van Watteau opgehangen.

Uit luidsprekers klonken

de liederen uit Dichterliebe van Schumann.

De dieren kregen vleugels aangemeten

in de vorm van harten.

De terreur der liefde regeerde het stadje.

Weigeraars werden in de afgrond gestort.

Was het mogelijk dat zij niet wilde liefhebben?

Iemand trachtte een rede te houden maar het sloeg nergens op.

Een ander had een misdaad op het puntje van zijn tong.

De ratten verlieten massaal de stad

zonder om te kijken naar het vuurwerk.

Men danste juist op het verplichte bal.

En alleen zij wisten al dat

een stap vooruit de dood betekende

en een stap achteruit slechts moord.

 

.

lipska

Avond

Julian Przyboś

.

Julian Przyboś (1901 – 1970) was een Pools dichter, essayist en vertaler. Hij werkte als docent, in de bibliotheek van Lvov, als samensteller van literaire werken, als diplomaat in Zwitserland en als directeur van de bibliotheek Jagillonian in Krakow en als vice-president van de PEN club.

Zijn eerste gedichten in de jaren twintig kenmerken zich door de invloed van de theorie van Peiper. Daarin schuilt de fascinatie voor de bewuste poging om een creatieve tekst te maken. De dichters zien zichzelf als ambachtslieden. De gedichten gaan ook vaak over het creatieve proces die een metafoor lijkt voor het werk van de dichter. In de gedichten van Przyboś in deze periode komt ook zijn fascinatie met techniek naar voren die zich manifesteert in het gebruik van conventionele wetenschappelijke taal.

In de jaren dertig worden zijn gedichten meer reflectief en realiseert hij het idee van de avant-gardistische poëtica. Zijn gedichten worden dan gekenmerkt door discipline in woord en beeld. Hij is dan een meester in het gebruik en het stapelen van metaforen. Later nog komen steeds meer autobiografische motieven voor in zijn poëzie zoals het leven op de boerderij.

Uit de bundel ‘Bittere oogst’ vertaald door Gerard Rasch en uitgegeven door de Bezige Bij in 2000 het gedicht ‘Avond’.

.

Avond

.

Dezelfde sterren

fluisterden de avond als een ontboezeming.

.

De lantaarns kwamen uit de donkere poorten op straat

en hielden in de lucht stil halt.

.

De schemer transformeert de ruimten zachtjes.

.

De tuinen hebben hun bomen verlaten,

de grijze huisjes aan de rivier zijn weggedreven.

.

In lage oevers tussen Elzen stroomt verdriet.

.

Alleen de horizon nog buigt de hemel open

met de maan

en de weg leidt lang in de herinnering.

.

En jouw handen zaaien tussen ons een ver verschiet.

.

JP

evening