Site-archief

Metamorfose

Glück en Cummings

.

De Poëzieweek 2026 (29 januari – 4 februari) heeft als thema ‘Metamorfose’. Dichter en schrijver Ellen Deckwitz schrijft het poëziegeschenk. Om alvast in de sfeer te komen heb ik een dubbelgedicht gewijd aan dit onderwerp. Twee gedichten van internationale dichters die over metamorfosen schreven. Allereerst de Amerikaanse dichter en essayist Louise Glück (1943-2023).

Louise Glück is een Nobelprijswinnaar voor Literatuur die de moeilijkheden van het leven vaak confronteert met een strakke, precieze schrijfstijl. In haar gedicht ‘Metamorphosis’ beschrijft Glück de diepgaande en pijnlijke transformaties die de dood teweegbrengt, waaronder de mentale aftakeling van haar vader, de verandering in hun relatie en haar eigen angst – en vervolgens acceptatie – voor verlies. Het volledige gedicht bestaat uit drie delen die lees je hier.

Het tweede gedicht is van een van mijn lievelingsdichters E.E. Cummings (1894-1962) en is getiteld ‘Metamorfose’.

 

2. Metamorfose

 

Mijn vader is mij vergeten 

in de opwinding van het sterven. 

Zoals een kind dat niet wil eten, 

hij besteedt nergens aandacht aan.

 

Ik zit aan de rand van zijn bed 

terwijl de levenden ons omringen 

als zoveel boomstronken.

 

Eens, voor de allerkleinsten 

een fractie van een moment, dacht ik 

hij leefde weer in het heden; 

toen keek hij naar mij 

terwijl een blinde man staart 

rechtstreeks in de zon, aangezien 

wat het ook met hem kon doen 

is al gedaan.

 

Toen zijn blozende gezicht 

zich van het contact afwendde.

.

Metamorfose

.

We hebben door een vreemde en vermoeiende tijd geploeterd,

Alleen al de kalender noemt het winter;

Wij hebben een aarden poel aanschouwd, diep in slijm,

Stel je een hemel van steen voor.

.

We hebben het leven gevonden, verborgen tussen de plooien van het slijk,

Overal voelde ik leven, overal hoorde ik leven in harmonie.

De aarden schelp kraakt van het verlangen daaronder;

De lente kruipt uit de cocon.

.

Haar nietige vleugels trillen van de wil om te groeien,

Ze klampt zich vast en spreidt zich uit als een oog dat zich opent;

Groter, vaardiger, meer ontwikkeld, zie,

De perfecte vlinder.

.

Aan Bertolucci

Pier Paolo Pasolini

.

Al eerder schreef ik over filmregisseur en dichter Pier Paolo Pasolini (1922-1975) en de bundel ‘De as van Gramsci’. In deze bundel uit 1957, in mijn vertaling door Karel van Eerd, die ook voor het nawoord tekende, uit 1989, staat het gedicht ‘Aan Bertolucci’. De Bertolucci die het hier betreft is Attilio Bertolucci (1911-2000).

Attilio Bertolucci dichter en schrijver en de vader van filmregisseurs Bernardo en Giuseppe Bertolucci. Op 18 jarige leeftijd, in 1929, publiceerde Bertolucci zijn eerste poëtische bundel, ‘Sirio’. In 1932 kreeg hij met zijn werk ‘Fuochi di Novembre’ (November branden) lof van Italiaanse dichters als Eugenio Montale .

In 1951 publiceerde hij ‘La capanna indiana’ ( De Indiase hut) en won hij de Viareggio-prijs voor literatuur. In deze periode bouwde hij een vriendschap op met Pier Paolo Pasolini. In 1971 werd ‘Viaggio d’inverno’ (Winterreis) gepubliceerd, een van Bertolucci’s mooiste werken. Dit werk bracht een opmerkelijke verandering van stijl in Bertolucci’s poëzie: terwijl de eerste werken, volgens Franco Fortini , werden gekenmerkt door “de keuze voor een nederige taal voor pastorale situaties”, was ‘Viaggio d’inverno’ complexer en werd gekenmerkt door een onzekerheid. van gevoelens.

Zijn laatste werk was ‘La Lucertola di Casarola’ (De hagedis van Casarola) uit 1997, een verzameling werken uit zijn jeugd en andere ongepubliceerde gedichten. En over deze dichter en vriend van Pasolini schreef de laatste het gedicht ‘Aan Bertolucci’.

.

Aan Bertolucci

.

Het verleden leeft: ook hier. Hier, het oude boerenland,

hierboven hervonden, waar het voor ons eeuwiger is.

Het zijn de laatste dagen, of zeg maar, de laatste jaren

van geploegd land met rijen stronken langs de sloten,

van sneeuwslijk rondom de moerbeien zojuist gekapt,

van nog groene dijken langs droge greppels.

Ook hier: waar de heiden christen was, en met hem

zijn grond, het land dat hij bebouwde.

Een nieuwe tijd zal dit alles tot niets terugbrengen:

en daarom kunnen we er om rouwen: met zijn duistere

barbarenjaren, zijn Romaanse aprilmaanden.

Wie het straks niet meer kent, dit land dat overleefde,

hoe zal die ons kunnen begrijpen? Zeggen wie wij zijn geweest?

Maar wij zijn het die hém moeten begrijpen,

opdat hij geboren wordt, al is hij te laat voor deze dagen van licht,

voor deze wintereinden die versteld doen staan,

in het zacht en stormig Zuiden, in het donkerbewolkte Noorden…

.

Verandering

Adriaan Morriën

.

Als er iets actueel is geweest het afgelopen jaar, en dat klinkt misschien raar, dan is het het feit dat er steeds wat veranderde. Aan de ene kant veranderde er niets; we zaten en werkten thuis, gingen niet uit, niet op vakantie, niet op visite, en aan de andere kant veranderde er constant dingen; mondkapje voor, mondkapjes af, winkels dicht, winkels open, niet op vakantie, wel op vakantie, QR code, Corona App. Elke zoveel weken een persconferentie waarin ons gewenst gedrag met en tussen onze medemens weer aan verandering onderhevig was.

Adriaan Morriën (1912 – 2002) schreef in zijn bundel ‘Moeders en zonen’ uit 1962 een mooi gedicht over verandering. Dat er ogenschijnlijk steeds iets veranderd maar eigenlijk alles bij hetzelfde blijft.

.

Verandering

.

Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.

.

Er is niets anders – en gelukkig maar –
dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.

.