Site-archief
Bezwering
Kira Wuck
.
De poëziebundel ‘De zee heeft honger’ is de derde uitgave en tweede gedichtenbundel van Kira Wuck. Haar debuut ‘Finse meisjes’ uit 2012 werd zeer goed ontvangen. In dat jaar werd ze Nederlands kampioenschap poetryslam, en in 2013 kreeg ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en werd ze genomineerd voor de C. Buddingh’prijs. In de bundel ‘ De zee heeft honger’ uit 2017 komt de melancholische en verwonderde kijk op de wereld van Wuck terug. Dit in combinatie met de soms absurde situaties maken de bundel bijzonder.
In de gedichten is het alsof je in een situatie binnenvalt, je krijgt een stuk informatie en daar moet je het mee doen. Er worden weinig of geen emoties beschreven waardoor de bundel wat afstandelijk aandoet. Hoewel dit een objectieve kijk op de dingen kan suggereren is het tegendeel waar, door de keuze van de informatie die in een gedicht wordt meegegeven ontkom je er niet aan om in de denkwijze van de dichter mee te gaan en die is vaak negatief of heeft een heel veroordelende strekking. Toch blijven de gedichten van Wuck aantrekkelijk, misschien juist wel door deze aanpak. Zoals bijvoorbeeld in het gedicht ‘Bezwering’.
.
Bezwering
.
Als de stewardess zegt dat we eerst onszelf
voordat we anderen
lacht een man, zijn ruwe huid barst open
in een oogwenk trekt hij een mes uit zijn laars
drukt het tegen de wang van zijn buurman
in zijn koffer:
ongelezen brieven, een pil tegen eenzaamheid
en een gebed tegen angst
het gaat zelden mis, zegt de stewardess
dus vergeet wat ik net gezegd heb.
voedende moeders dragen geen bomgordel
de bomen zwaaien van welke kant je ook komt
.
Uit mijn boekenkast
De 100 beste gedichten van 2014
.
Uit mijn boekenkast heb ik vandaag de bundel ‘De 100 beste gedichten’ gekozen door Ahmed Aboutaleb voor de VSB poëzieprijs 2014 genomen. Bladerend door deze bundel kwam ik een voor mij nog onbekende dichter tegen Maria de Groot.
Ze staat met 1 gedicht vermeld in de bundel en dat is getiteld ‘Adagio’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Venetiaanse gedichten’ uit 2012.
.
Adagio
.
Ik woonde op de brug van de frambozen
en mocht daar in de nacht de sterren tellen.
Ik kon hun aantal in het water lezen.
Zij hadden mij voor deze taak gekozen
omdat ik verder durfde overhellen
dan zij die als de dood de diepte vrezen.
Soms wist ik niet meer waar ik was gebleven,
begon mijn arbeid, met geduld bemeten,
opnieuw te midden van de glinsteringen.
Ik ben alleen. Ik lijd een dubbel leven.
Ik kan bij dag de vruchten niet vergeten
die in de duisternis te rijpen hingen.
.
De twee apen van Bruegel
Wisława Szymborska
.
In een aantal supermarkten staan tegenwoordig boekenkasten waarin je je oude boeken mag achterlaten. Je mag ook boeken uit deze boekenkasten meenemen. Eufemistisch worden deze boekenkasten ‘bibliotheek’ genoemd, waar ze dat vandaan halen is me een raadsel. Het heeft werkelijk niets met een bibliotheek te maken.
In deze kasten staan veelal oude en onleesbare boeken tussen wat modernere maar kapot gelezen boeken. Het lijkt dan ook meer op een dumpplaats van oude boeken dan op de uitgebalanceerde en actuele collecties die bibliotheken te bieden hebben.
Toch kan ik het niet laten er even een blik in te werpen als ik er een tegenkom. Zo ook vorige week. Tussen de al genoemde oude en oninteressante boeken (zelfs een aantal titels die ik in de jaren ’80 las voor mijn Engels lijst) stond dit keer zomaar wel iets van waarde (voor mij). Weliswaar onder de koffie spetters maar toch: ‘Uitzicht met zandkorrel; een keuze uit de gedichten’ van Wislawa Szymborska in een vertaling van Gerard Rasch.
Het leuke aan dit boek is nog wel dat de vorige eigenaar met potlood van alles bij de titels van de gedichten in de inhoudsopgave heeft geschreven. Nog leuker is het dat hij of zij voorin het boek een getypte (met een ouderwetse typemachine) lijst heeft geplakt met ‘het ABC van de mijns inziens beste gedichten’. Dat het er net iets minder zijn dan de helft van alle gedichten in de bundel maakt het vooral curieus.
Ik ben toch blij met deze bundel, Szymborska (1923 – 2012). Ze behoort tot de belangrijkste dichters van haar generatie in Polen en is een van de meest gelezen én gelauwerde dichters van deze tijd. Uit de bundel ‘Uitzicht met korrel’ heb ik voor het gedicht ‘De twee apen van Bruegel’ gekozen (hoewel dit gedicht niet op het lijstje van de vorige eigenaar staat), vooral omdat de eindexamenperiode op dit moment gaat beginnen in mei.
.
De twee apen van Bruegel
.
Zo ziet mijn grote eindexamendroom eruit:
twee apen zitten aan de ketting voor het raam,
buiten waait de hemel voorbij
en baadt de zee.
.
Ik leg examen af in de geschiedenis van de mensen.
Ik stotter en modder.
.
De ene aap, die me aanstaart, luistert ironisch,
de andere doet alsof hij dut –
maar wanneer op een vraag een stilte volgt
zegt hij me voor
met een zacht gerammel van zijn ketting.
.
Abracadabra
Delphine Lecompte
.
Delphine Lecompte (1978) debuteerde in 2004 in het Engels met de roman Kittens in the Boiler, daarna schakelde ze over naar gedichten in haar moedertaal. Voor haar debuutbundel ‘De dieren in mij’ kreeg ze de C. Buddingh’-prijs 2010 en de Prijs Letterkunde 2011 van de Provincie West-Vlaanderen. Hierna volgde nog bundels als ‘Verzonnen prooi’ (2010), ‘Blinde gedichten’ (2012), ‘Schachten en amuletten’ (2013) en ‘De baldadige walvis’ (2014), ‘Dichter, bokser, koningsdochter’ (2015 waar ze mee genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs) en ‘Western’ uit 2017.
Delpine Lecompte verhult niets in haar poëzie, bedient zich van een poëtica zonder franjes en jongleert met taal, aldus een recensent. Oordeel zelf. Uit de bundel ‘Western’ uit 2017.
.
Abracadabra in zijn slaap
.
Een man verleidt mij met een woordspeling
Hij is een pas ontslagen kraanmachinist
We nemen de bus naar de badstad waar ik leerde vechten
Vechten, tellen, stelen, lezen, schrijven, goochelen, turnen
De andere buspassagiers zijn jong en keurig.
Ik haat keurigheid in jonge mensen
Ik haat keurigheid in oude mensen
Ik haat keurigheid
Mijn vader is keurig
Ik haat mijn vader niet, hij staat op het punt om maagkanker te krijgen.
De pas ontslagen kraanmachinist zegt: ‘Ik draag mijn moeder op handen.
Toen ze zeven was heeft ze een duiker gered.’
‘Gered waarvan?’ Vraag ik oprecht nieuwsgierig
‘Van zichzelf natuurlijk!’
We stappen uit de bus, de zee oogt oud en wellustig.
Ik hou van wellust in oude mensen
Ik hou van wellust in jonge mensen
Ik hou van wellust
Mijn moeder is wellustig
Vroeger dacht ik dat ik mijn moeder niet graag zag, nu weet ik dat ik haar aanbid.
We delen een wafel, we strelen een opblaasboot
De boot is lek, de wafel is teleurstellend
In een bunker bedrijven we de liefde
De pas ontslagen kraanmachinist klinkt als een gewonde reiger
Wanneer hij klaarkomt, het is een afknapper.
Na de seks valt hij in slaap
Hij zegt verscheidene keren ‘abracadabra’ in zijn slaap
Dat vind ik grappig.
.
Frederike Kossmann
Jonge dichters
.
Deze Haagse dichteres (1994) won in 2012 de scholenslam won met het team van Segbroek college in Den Haag. Frederike werd namens de scholenslam afgevaardigd naar de halve finale van de NK poetryslam, zeer verrassend ging zij als nummer 2 door naar de finale. In de finale van het NK eindigde ze als 6e. Verder trad ze onder andere op tijdens de museumnacht in het Nutshuis , bij Podium X, Woord op Noord, in Spijkenisse en Brielle. Tegenwoordig woont ze in Amsterdam en is ze cultureel antropoloog.
In 2013 trad ze toe tot het Haags Dichtersgilde.
.
Alle Dagen Heel Druk
.
Alle Dagen
Heel Druk
Zo heet ik
Dat staat op het dossier
ADHD 2518849
Eigenlijk
Ben ik niet zo druk
Niet van buiten
Nu niet
Nooit niet
Nooit geweest
Ik stuiter of spring niet
Ik ren en ik gil niet
Ik heb een eerst zien dan geloven
Maar er is niks te zien
Dus niemand gelooft
Probleem
Verweg onder de tafel
Willen mijn tenen friemelen
Moeten mijn benen wiebelen
Hoewel ik wil blijven zitten
Begint het spier voor spier te kriebelen
Omstebeurt
Span ik alles even aan
Om de neiging te onderdrukken
Zomaar op te staan
Te springen en te rennen en te gillen
Niemand ziet mij alles ingespannen aanspannen
Ik zit er uiterst ontspannen bij
Dat kan
Ogen zijn geen ramen
Gesloten luiken tranen
Achter tralies
Voor de allergrootste spier
Het aller friemeligste
Wiebeligste
Kriebeligste stuk spier
Daar ben ik niet de baas
Daar wordt alles gedaan
Wat ik liever laat
Mijn gedachten hebben pootjes
Staartjes hoorntjes en geniepige oogjes
Zij houden van de chaos
Zij houden mij van mijn werk
Zorgen dat ik alles vergeet
Laten me struikelen, stotteren
En lachen dan om de blauwe plek
U kent dit fenomeen van scholen
Frequent op het speelplein
Dames en heren,
Ik word gepest
In mijn hoogsteigen brein
Van de dokter
Kreeg ik pillen
Die amputeren pootjes
Maar niet voor 24 uur
Ze groeien ’s avonds weer aan
En dan staan ze me op te wachten
Nonchalant tegen de muur
Gebalde breinen vuisten
Steken uit een breinig leren jack
En er valt weinig te ontwijken
Binnen je eigen hek
Elke dag nieuwe blauwe plekken
Van binnen op dezelfde plek
Soms laat ik ze maar lopen
Ik word er leuker van
Grappig spontaan aandoenlijk
Zeggen de mensen om me heen
Maar als al die mensen weg zijn
Dan zie ik het verval
Sleutels kwijt, afspraken vergeten
Gaten in mijn broek
Geen geld dus ook geen eten
Op zich mag ik niet klagen
Mijn leven is zeker niet verkeerd
Ik ben tenslotte niet de enige
Er zijn nog minstens tweemiljoenvijfhonderdachttienduizendachthonderdnegenenveertig anderen
Die van binnenuit worden geregeerd
.
Dichter van de maand april
Sabine Kars
.
De dichter Sabine Kars ken ik al jaren. Eind 2012 stonden we al eens samen op een podium met andere dichters in Brielle, ze werd 3e bij de eerste Ongehoord! gedichtenwedstrijd met het gedicht ‘Thuisfront’, ze trad als dichter op in het Witte Kerkje in Maassluis op mijn verzoek, we werden beide uitgenodigd door Greta Lugtmeier bij de presentatie van haar bundel ‘Onderstroom’ in 2015 en ik werd door haar en Mas Papo als eerste studiogast uitgenodigd bij hun prachtige radioprogramma bij B-FM met als titel ‘Over poëzie en muziek’ https://www.overpoezieenmuziek.nl.
Sabine Kars heeft zich door de jaren heen ontwikkeld als een zeer boeiende en bijzondere dichter. Ik plaatste al eerder gedichten van haar op dit blog en deze maand dus elke zondag een gedicht van haar hand. Vandaag als eerste een gedicht ‘A capella’.
.
A capella
.
ik zag je gaan
in jouw allerlaatste huid
en buiten werd het almaar kouder
.
je wilde weg uit dit huis waar je
nergens kon dansen, nergens kon huilen
nu staan je ogen te huur
.
ergens moet er iets vergeten zijn
maar niet het grafieten baden
in een ontluisterende jeugd
.
er was niets om voor te blijven en
onder het aanhoudend stijgen
van heliumgevulde huizen
raak ik ook jouw woorden kwijt
.
je glazen vragen die herhaalden
de verhalen op de vlucht
was je toen al weg?
.
nu waai je uit
en hoor ik enkel nog
het schudden van een rusteloze taal
.
wat rest
is het telkens weer
het telkens weer gaan zingen
.
en de bloemen die zich roeren
wie weet is het de laatste dag
.
Achterover opgroeien
Maartje Smits
.
Hoewel dichter Maartje Smits (1986) zichzelf op haar website http://www.maartjesmits.nl omschrijft als een schrijvend detective is zij voor mij toch echt een dichter. In 2009 is Maartje afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie, bij de afdeling Beeld & Taal. In 2011 voltooide ze haar Master in Design aan het Sandberg Instituut. Naast dat ze columns voor De Groene Amsterdammer schrijft geeft ze les aan de Gerrit Rietveld Academie en op ArtEZ (Arnhem). Haar achtergrond op de Rietveld Academie (Beeld & Taal), komt vooral naar voren in de vele gedichten die ze van clips heeft voorzien en die je kunt vinden als je op haar naam googeld en zoekt op video’s.
In 2012 stond ze al eens, onder andere samen met de toen nog volledig onbekende Marieke Rijneveld, op het podium van Ongehoord! In 2016 was ze één van de Poëziebusdichters. Na haar debuutbundel ‘Als je een meisje bent’ in 2015 volgde in 2017 de poëziebundel ‘Hoe ik een bos begon in mijn badkamer’. Uit haar debuutbundel ‘Als je een meisje bent’ het gedicht ‘Achterover groeien’.
.
achterover opgroeien
.
het begint met onderwaterlikken
koprollen de tong naar buiten
elkaar proberen te raken
achterover opgroeien maar desgevraagd
het gevolg ervan binnenstebuiten
keren
borsten wegbidden
een jaar lang vergeving vragen
uitdijen tot stilstand verzuipen
het zwembad heet nu spleasure centrum
de abdicatie van je vrouwelijkheid
de haak
de badmeester
de buurjongen
vergeten
vergeten
.
Zweef
F. Starik
.
Afgelopen vrijdag overleed de dichter F. Starik (1958), het zal veel van jullie niet zijn ontgaan. Frank von der Möhlen zoals zijn echte naam luidde was behalve dichter ook prozaïst, fotograaf, zanger, performer en beeldend kunstenaar. F. Starik studeerde dan ook fotografie en mixed media aan de Rietveldacademie. Gedurende zijn publicerende leven kwam zijn veelzijdigheid regelmatig naar voren. Zo publiceerde hij een gedichtenbundel ‘De grote vakantie’ uit 2004 met een CD en een andere bundel met een tentoonstelling. In oktober 2012 schreef ik al over een ander project van Starik, de ‘drijvende-gedichten-kamer’ van de Amerikaanse kunstenaar Aiah Armajani, op een eiland in de Noordbuurt in Amsterdam, waar Starik een gedicht voor schreef dat te lezen is bovenop het hekwerk rondom het eiland.
Waar F. Starik natuurlijk ook zeer bekend mee geworden is, is de Poule des Doods, een dichterscollectief (dat hij oprichtte) dat zorgt voor een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen. Het initiatief van de Poule des Doods kent ondertussen beginnende navolging in Rotterdam, Den Haag en Antwerpen.
Van 2010 tot 2011 was Starik stadsdichter van Amsterdam. Ter afsluiting van zijn stadsdichterschap verscheen een driedubbeldikke editie van de Amsterdamse daklozenkrant Z!, waarvan in twee weken 20.000 exemplaren werden verkocht.
Starik debuteerde in 1974 met de bundel ‘Mot, of de neerslag van twijfel’ dat hij in eigen beheer uitgaf. Daarna volgde nog vele bundels. De laatste was de bundel ‘Staat’ waaruit het volgende gedicht.
.
Zweef
.
Als kind kon ik ’s nachts het raam uit vliegen
ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht
als een meeuw op de wind, het was niet moeilijk en niet zwaar
ik spreidde simpelweg mijn armen en zweven maar.
Freud zegt hierover: een gesublimeerd verlangen naar macht
ach, wist ik veel, ik was een kind, ik was veertien jaar.
Nu hoor ik vaak een bel gaan in mijn hoofd
soms de zoemer van de buitendeur, soms
het schorre belletje van boven
sinds ik geen wekker meer bezit
rinkel ik mezelf wakker in de nacht
of zegt iemand keihard hallo in mijn oor
het klinkt zeer levensecht maar
nooit staat er iemand naast mijn bed.
Ik ben het zelf die de bel produceert
die de wekker wekt
zichzelf telefoneert
ik ben het zelf die hallo zegt
vliegen doe ik allang niet meer.
.















