Site-archief

A winter night

William Barnes

.

‘Country poems’, een bundeltje uit 1959 in de serie ‘Pocket poets’ samengesteld door Geoffrey Grigson is een klein mooi bundeltje met een doorsnee van alle beroemde Engelse dichters uit de voorgaande eeuwen. Zo staan William Shakespeare, Alfred Tennyson en William Wordsworth er in met elk drie gedichten maar ook minder bekende namen als Walter De la Mare, Walter Savage Landor en John Clare.

Maar er staan ook een paar gedichten in die niet terug zijn te voeren naar een dichter. Het gedicht dat ik gekozen heb is van de dichter William Barnes (1801 – 1886). Niet zo’n heel bekende naam maar ook hij is vertegenwoordigd met drie gedichten in deze bundel.

William Barnes was een dominee, dichter en filoloog (Een filoloog bestudeert de taal- en letterkunde van volkeren door middel van beschikbare geschriften in samenhang met de cultuurgeschiedenis van een volk). Barnes studeerde naast Duits, Frans, Grieks en Latijn ook Italiaans en Perzisch. Hij publiceerde maar drie dichtbundels waarvan ‘Poems of rural life in a Dorset dialect’ zijn debuut was waarmee hij zijn naam als dichter vestigde. Zijn gedichten zijn vaak geschreven in het dialect van zijn geboortestreek en ze schetsen het leven op het Zuid-Engelse platteland.

Zijn gedichten kenmerken zich door een zachtheid en gevoelige tederheid, een diep inzicht in het nederige landleven en een bijzonder gevoel voor het lokale landschap.

.

A winter night

.

It was a chilly winter’s night;
And frost was glitt’ring on the ground,
And evening stars were twinkling bright;
And from the gloomy plain around
Came no sound,
But where, within the wood-girt tow’r,
The churchbell slowly struck the hour;

.
As if that all of human birth
Had risen to the final day,
And soaring from the wornout earth
Were called in hurry and dismay,
Far away;
And I alone of all mankind
Were left in loneliness behind.

.

WB

Grave_of_William_Barnes_-_Winterborne_Came

Zijn graf bij St. Peter’s Church in Winterborne Came

.

Met dank aan Wikipedia.

Boutens

P.C. Boutens

.

Hoewel zijn voorletters anders doen vermoeden was Pieter Cornelis Boutens (1870 – 1943) helemaal niet van de moderne.

Boutens groeide op in een Zeeuws, streng protestants middenstandsmilieu. Na het doorlopen van het Stedelijk Gymnasium Middelburg waar zijn talent voor Latijn en Grieks bleek en hij Plato’s Symposion vertaalde, ving hij de studie klassieke talen in 1890 aan aan de Universiteit Utrecht. In 1899 promoveerde Boutens op een onderzoek naar de Griekse komedieschrijver Aristophanes.

Zijn werk werd sterk geïnspireerd door de tachtigers maar ook door Plato, Sappho en de Bijbel. Zijn stijl is gebaseerd op het idee van het bereiken van een “hogere werkelijkheid”,

De dichter wordt verweten dat hij in zijn laatste levensjaren lid werd van de door de Duitse bezetter gestichte Nederlandse Kultuurkamer. Dat lidmaatschap was door Boutens, die altijd apolitiek wilde zijn, echter bedoeld om de gelden van het Willem Kloosfonds te redden. Niettemin is dit voor velen altijd een smet op Boutens’ blazoen gebleven.

Hieronder het gedicht Leed en Geluk uit 1931. (uit Bezonnen verzen)

/

Leed en Geluk

.

Leed is het kleed
Dat ziel niet aflegt vóor zij het versleet,
Een kleed met ’t slapengaan niet uit te trekken.
En al uw warmgevoerde pracht
Van heerlijkheid haar toegedacht
Reikt niet het te overschaadwen of te dekken…
.
Toch, nachtegaal, zing voort!
Geluk is ’t éne woord
Dat haar slaapwandlend hart vermag te raken…
Daar waakt het tot nieuw leven op:
Als roos die berst uit rozenknop,
Zwelt het al vreemde windselen te slaken…
.
Geduld, geduld, geduld…!
In schoonheid nieuwvervuld,
Niet anders mag zij u behoren…
Reeds schift de volle schaduwkring:
Geleidelijk uit haar verduistering
Treedt weer de gave maan tevoren

.

boutens04

 

Met dank aan gedichten.nl en Wikipedia