Deze kant boven

C. Buddingh’

.

Vorige maand heb ik een paar oudere bundels van C. Buddingh’ (1918-1985) gekocht en lezend in deze bundels wordt mijn waardering voor Buddingh’ als dichter steeds groter. Waar ik in het verleden nog weleens dacht dat Buddingh’ de boel in de maling nam met korte gedichten die vooral grappig waren en die je snel weer vergat, nu kijk ik daar toch wat anders naar. Zijn fantasie en manier van dichten is zo eigen. Een gedicht van Buddingh’ pik je er zo uit. De typografie, zijn eigenzinnige kijk op de taal en de poëzie, en zijn experimenteerdrang kenmerken zijn gedichten.

Op de achterkant van de bundel ‘Deze kant boven’ uit 1965 lees ik: “Jaren vóór de experimentelen het bolwerk der vaderlandse poëzie bestormden en innamen schreef hij experimentele gedichten; jaren vóór ‘de nieuwe stijl’ op haar beurt een knuppel in onze zwanenvijver wierp, vloeide uit zijn puntige pen het soort poëzie waarop deze jongste stroming in onze dichtkunst haar program zou baseren”.

In deze bundel staan nog steeds de korte puntige (bijna Luule-achtige) gedichtjes als:

.

spreker

.

de spreker betoogde

wat betoogde de spreker?

ja, dat zei de spreker niet

.

Maar ik kwam ook een wat langer, inhoudelijker gedicht tegen, getiteld ‘improvisatie’ met een motto van de Franse dichter Paul Eluard (1895-1952) ‘le ciel change’ ( De lucht verandert). Dit gedicht wil ik hier graag met jullie delen.

.

improvisatie

.

le ciel change

paul eluard

.

welaan dan: de lucht verandert:

er komen kleine witte wolkje, ziet u wel

(de meteorologen zullen er ongetwijfeld

een naam voor hebben) ze drijven op blauw

(denkt u, maar vanzelfsprekend

is dat gezichtsbedrog)

als mollige meisjes in een natuurbad-

jaja als ik het niet dacht:

natuurlijk moeten er weer meisjes bij komen

(u kunt ook geen vijf minuten

zonder erotiek)

nu vooruit dan, van mij mag het: droom dus gerust

van mollige jonge meisjes

als u naar een stel schapewolkjes kijkt

.

(de zinnen zijn er tenslotte)

.

Johan Clarysse

Het geduld van water

.

Ik wil dit blog bericht, dat een recensie bevat van de bundel ‘Het geduld van water’ van Johan Clarysse, beginnen met een compliment. Een compliment en mijn grote waardering voor uitgeverij P uit Leuven. Al enige tijd valt me op dat uitgeverij P een stroom van bijzondere dichtbundels uitgeeft van dichters die een grote kwaliteit hebben. Blijkbaar is er bij deze uitgeverij oog voor talent en de wil nieuwe en reeds publicerende dichters uit te geven. Het valt me toch op dat juist de wat kleinere fondsen oog hebben voor de poëzie (denk ook aan U2pi en het fonds Open) waar de van oudsher grotere uitgeverijen wat meer op safe lijken te willen spelen. Een groot compliment dus aan de uitgever.

En nu is er dus weer een nieuwe bundel in het fonds van P, ‘Het geduld van water’ van Johan Clarysse (1957). Ik ken Johan Clarysse als dichter van de derde plaats in de Rob de Vospoëziewedstrijd van Meander. In die hoedanigheid publiceerde wij van MUGzine zijn gedicht in editie 20. Clarysse studeerde filosofie en is actief als beeldend kunstenaar en dichter. Naast het gedicht in MUGzine verschenen zijn gedichten in Het gezeefde gedicht, De Schaal van Dighter, de Poëziekrant, Roer en op de website van Meander. En waar hij als beeldend kunstenaar helemaal door is gebroken, zijn werk vele malen bekroond is en in verschillende musea te vinden is, is ‘Het geduld van water’ zijn debuutbundel als dichter (met een schilderij van Clarysse als omslag).

De uitgeverij schrijft op haar website over deze bundel: “Johan Clarysse legt ervaringen en herinneringen vast in treffende beelden, in een taal die helder en raadselachtig is en een zegging die zich tot de essentie beperkt. ‘Het geduld van water’ is een krachtig debuut dat formuleert wat ons ontglipt omdat we er aan voorbijgaan of de dagelijkse taal tekortschiet. De verzen van Clarysse schommelen tussen revolte en aanvaarding, verlangen en vervulling, empathie en observatie.”

Ronkende taal, zoals zo vaak gebezigd door uitgeverijen. Maar wat is mijn ervaring bij het lezen van deze bundel? Allereerst de uitgave zelf. Zoals ik gewend ben van P verzorgd en professioneel uitgegeven. De bundel is opgedragen aan L. en heeft als ‘motto’ een strofe van een gedicht van Rutger Kopland:

.

Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom

wat wij vinden niet is

wat wij zoeken?

.

Bij zo’n motto word ik enthousiast. Want zijn wij allemaal (ik in ieder geval) niet op zoek naar wat we niet zoeken maar juist wat we vinden. Hier komt de filosoof Clarysse al een klein beetje om de hoek kijken, en niet voor het laatst. De bundel is verder opgebouwd uit 5 hoofdstukken: Afscheid, Spiegel, Breinmist, Uitzichten en Vergetelheid. Elk hoofdstuk wordt ook voorafgegaan door een strofe of uitspraak van een dichter en éen filosoof. Afscheid door een uitspraak van W.H. Auden, Spiegel door Fernando Pessoa, Breinmist door René Char, Uitzichten door Wisława Szymborska en Vergetelheid door Friedrich Nietzsche. Niet de minste dichters en denkers.

In het hoofdstuk ‘Afscheid’ zijn twee gedichten in meerdere delen opgenomen. Het gedicht ‘Afscheid’ lijkt me te gaan over een (zijn) moeder en het gedicht ‘Rechter en vriend’ over een (zijn) vader. Beide gedichten zijn met veel warmte en empathie geschreven. In het hoofdstuk ‘Spiegel’ is er sprake van de ander. De ander die gespiegeld wordt in de gedachten en gevoelens van de spreker (de dichter). In slechts vijf gedichten wordt je als lezer meegenomen in een relatie die zich steeds op een andere plek afspeelt maar waarin gezocht wordt en gevonden, waarin verlangd wordt en aanvaard. Hier wordt langzaam duidelijk hoe de ronkende woorden van de uitgever (dichter?) invulling krijgen.

In het hoofdstuk ‘Breinmist’ is er sprake van een ‘zij’ (een moeder vermoed ik) die de aansluiting met het hier en nu kwijt raakt. Dementie die liefdevol beschreven wordt zonder sentimenteel te worden. In het gedicht ‘Alfabet’ wordt het treffend benoemd:  Laten we gisteren vergeten en over morgen / praten. Iets bestaat pas als je het benoemt, / zegt ze, in een alfabet dat ze / steeds opnieuw voor mij verzint.

Het hoofdstuk ‘Uitzichten’ staat in het teken van het ‘zien’ (zien, kijken, ogen bekijken). De dichter bekijkt en beschrijft hoe hij de wereld, de stad, de kunst, een boek, het geluk ziet, ervaart. De uitzichten zijn de ik-ervaringen die de dichter met ons deelt. Deze gedichten zijn zintuigelijk, intiem op een observerende manier (opnieuw een invulling van de belofte op de binnenflap van deze bundel).

In het laatste hoofdstuk ‘Vergetelheid’ lees ik minder een duidelijke boodschap of idee terug. In de gedichten wordt er vooruit en terug gekeken, de tijd, de ik figuur, herinneringen  als verdwijnend en terugkerend in de tijd. Het hoofdstuk en de bundel sluit af met het gedicht ‘Blessuretijd’. In dit gedicht komen een aantal dingen samen. De dood en de tijd, het alledaagse leven, de kunst en de filosofie. En het besef dat alles eindig is.

Johan Clarysse heeft met de bundel ‘Het geduld van water’ een volwassen dichtbundel afgeleverd, een bundel waarin veel te ontdekken en te genieten valt. Geen ellenlange prozagedichten, geen vaste versvormen maar gedichten in een vrije vorm waarin het spelen met de taal vanaf de eerste bladzijde een hoofdrol is toegekend. De taalvondsten en -ideeën zijn rijk en origineel. In deze bundel wordt inhoud gegeven aan de belofte van de uitgever (en dichter) die wordt gedaan op de binnenflap voorin: “Wie de kronkelwegen van het leven en de liefde heeft geproefd herkent in Claryssens verzen een tochtgenoot” . Ik herken mijzelf in deze bundel als een ‘tochtgenoot’.

.

Blessuretijd

.

Nu de doden trekken aan mijn mouw,

ga ik door:

.

met keukenkruiden kweken,

springen en spreken

in het ongewisse, met adem

blazen in mijn doeken.

.

Pendelen tussen

wat voltooid is en onaf,

tussen het kind en het badwater,

tussen moederhart en getal,

.

speel ik in blessuretijd.

.

Orpheus

Zsuzsa Beney

.

Terwijl ik wat aan het rondzoeken was op het wereldwijde internet kwam ik, zoals zo vaak terecht op de website dbnl.org. Wat een ongekende schat aan informatie en moois is hier toch te vinden. Dwalend door de vele pagina’s aan fraais kwam ik terecht op een pagina over De Tweede Ronde, tijdschrift voor Literatuur, jaargang 25 uit 2004. Het Hongarije nummer.

Nu zal de zorgvuldige lezer van dit blog wel weten dat ik eind jaren negentig en begin van deze eeuw regelmatig in de zusterstad van Maassluis, Hatvan, in Hongarije kwam. Ik ben hier vele malen geweest voor het land ten prooi viel aan de autocraat Orbán. Daarna eigenlijk nooit meer. Ik moest meteen denken aan een artikel in de Volkskrant van zaterdag over de megalomane manier waarop Orbán Hongarije verkwanseld en aan zelfverrijking doet.

Juist daarom wilde ik iets van de Hongaarse dichter Zsuzsa Beney (1930-2006) hier plaatsen. Allereerst om te laten zien dat er veel moois uit Hongarije kwam en komt ondanks de gure politieke wind die daar waait en omdat in het gedicht dat ik op dbnl.org las me deed denken aan Orbán. Als je voor de boom zijn naam leest weet je dat ook hij ooit verdwijnt en wordt vergeten en alles wat hij gedaan heeft verbrokkeld zal worden door de wind.

Het gedicht ‘De boom’ (‘A fa’) werd voor De Tweede Ronde vertaald door Anikó Daróczi en Ellen Hennink.

.

De boom

.

Elk jaar sterft hij en wordt hij geboren,
maar zijn bestaan sterft niet in de winter.
En toch is hij sterfelijk: zijn takkenkroon
zal ooit verbrokkeld worden door de wind
.
die nu nog nergens is. Zijn stam zal gekliefd worden
door een bliksem die nog slaapt in de tijd.
Zoals zijn vergaan in het bestaan,
zoals het pulseren van winter en lente
.
in hemzelf. Zoals het weten van zichzelf in de heelheid
van de stilte. Het is meer dan het suizen
van bladeren vallend door het net van de woorden.
Een schepsel, niet in de tijd geworteld.
.
.

Opluchting

Marc Tritsmans

.

Bladerend door de Poëziekalender 2025 van Plint, kom ik vele prachtige gedichten tegen, waaronder een gedicht van Marc Tritsmans. De Vlaamse dichter en milieu- en duurzaamheidsambtenaar (wat hebben dichters toch vaak boeiende ‘tweede’ beroepen) Tritsmans (1959) debuteerde in 1992 met de bundel ‘De wetten van de zwaartekracht’. Gedichten van zijn hand verschijnen in tijdschriften als Hollands Maandblad, NWT, Tirade, De Gids en De Tweede Ronde. Ook zijn maar liefst zeven gedichten van hem opgenomen in Gerrit Komrijs ‘Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’.

In 2012 stelde Vzw dederdeoever uit het Oost-Vlaamse Schellebelle hem als landschapsdichter aan. Tritsmans bekleedde het ambt voor de periode van 1 jaar. Tritsmans won een aantal poëzieprijzen waaronder in 2011 de Herman de Coninckprijs voor ‘Studie van de schaduw’ en zijn poëzie is vertaald naar het Engels en het Afrikaans. Tevens won hij daar de publieksprijs voor het beste gedicht met ‘Uitgesproken’.

Zijn laatst verschenen bundel ‘Terwijl wij nog slapen’ is uit 2023. In 1994 verscheen zijn tweede bundel ‘Onder bomen’, daaruit nam ik voor vandaag het gedicht ‘Opluchting’.

.

Opluchting

.

Zo dicht tegen de eeuwigheid aan

houd ik je stevig bij de hand.

Want elk moment wordt hier gestolen

.

van de goden. Een eenzame wolk

hapert even bij de hoogste bergtop.

Ademloos bekijken we dit schouwspel

.

wetend dat het nooit voor ons was

bedoeld. En in de stilte weerkaatst

onze lach tegen de ijzige wanden.

.

Met iets van opluchting omdat we

heel precies weten hoe het hier

voorgoed zonder ons zal zijn.

.

 

Poëzieweek 2025

Lijfelijkheid

.

Van 30 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 wordt in Nederland en Vlaanderen weer de Poëzieweek gevierd.  Het thema van de Poëzieweek is dit jaar Lijfelijkheid, en Charlotte van den Broeck (1991) is verantwoordelijk voor het Poëzieweekgeschenk. Dit motto Als motto werd gekozen naar aanleiding van de woorden uit de bundel ‘Kameleon’ van Charlotte Van den Broeck: “in dit plooibare huis dat huid heet”.

Op de website van de Poëzieweek 2025 zijn, zoals elk jaar, vele activiteiten te vinden waaronder de speciale uitgave van MUGzine 2025. Deze Luule-special bevat meer dan 20 Luules, het kleine eigenzinnige zusje van MUGzine;  vluchtig, grappig, een tikje naïef, serieus, poëtisch, tegendraads of kunstzinnig. De Luules werden geschreven door een keur aan dichters die de afgelopen 5 jaar in de MUGzines hun poëzie hebben gepubliceerd. Deze special zal verkrijgbaar zijn vanaf eind januari en wordt aan alle donateurs van MUGzine toegestuurd.

Later zal ik hierover meer schrijven. Nu een lijfelijk gedicht van H.C. ten Berge (1938) getiteld ‘Over de tong IV’ uit de bundel ‘Va-banque’ uit 1977.

.

Over de tong IV

.

De mond gaat open als een gouden doos,

de tong zwemt rond en zendt de woorden uit

bij tussenpoos

.

liefde en poëzie

worden altijd met lippen beleden

.

wat tussen kop en kont

als chemiese reaktie is begonnen

krijgt gestalte

als het in een zin is uitgemond

.

liefde en poëzie

worden daarom met lippen beleden

.

de mond gaat open als een gouden doos,

de tong zwemt rond en zendt de woorden uit

bij tussenpoos

,

Oud en Jong

Hans Dorrestijn

.

Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en pak ik ‘blind’ de bundel ”t Houdt een keer op’ van Hans Dorrestijn (1940) uit de kast. Een relatief nieuwe bundel van eind 2024. Opnieuw open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar staat het volgende gedicht ‘Oud en jong’.

Deze bundel heeft dezelfde titel als zijn laatste theatershow waarover hij schrijft: ‘Sorry lieve mensen, daar ben ik nog! Ik kan er ook niet zoveel aan doen. De tachtig gepasseerd, maar toch weer het podium op. Ik weet natuurlijk zelf ook wel dat ik niet eeuwig door kan gaan. Daarom heet mijn theaterprogramma ’t Houdt een keer op.

Een weergave van de teksten van deze theatershow zijn nu ook in boekvorm te krijgen en precies dat boek heb ik dus nu in handen.

.

Oud en jong

.

Ik ben de oudste die ik ken,

maar ik kan nog heel goed handenwringen.

En ik doe nog heel veel dingen

waar ik eigenlijk te oud voor ben:

duiven ringen, touwtje springen,

hoedje wip en koude kip,

Egmond Buiten, Egmond Binnen,

elastiek, reclameborden.

Verder kan ik niets verzinnen

al ligt het wel voor op mijn tong.

Een mens kan altijd ouder worden

maar helaas, helaas, niet jong.

.

Poëzie in den Lande

Alphen Taal

.

In Nederland, en dat zal in België niet veel anders zijn, zijn overal dichtersgroepen en poëziestichtingen actief die podia organiseren, publicaties verzorgen, activiteiten organiseren en stadsdichters benoemen of kiezen. In de categorie Poëziepodia heb ik in de loop der tijd verschillende van deze initiatieven en clubs de revue laten passeren. Dat dit belangrijke initiatieven zijn blijkt wel uit de vele dichters die doorgebroken zijn en hun eerste schreden hebben gezet op een open podium of met de inzending van een deelname aan een poëziewedstrijd. Laagdrempelige, open, toegankelijke broedplaatsen voor jonge en nieuwe dichters zonder keuring of oordeel.

Een van die poëziegemeenschappen is Alphen Taal. Ik werd gevraagd door Peter Bouchier of ik interesse had in de voorzittersfunctie van deze stichting. Hoewel ik uiteraard vereerd was en zeker ook geïnteresseerd moest ik het aanbod afslaan in verband met mijn drukke werkzaamheden, de drie bestuurs- raad van toezichtfuncties die ik al bekleed en mijn particuliere poëziebezigheden (MUGzine, Mugbooks uitgeverij, Dichter bij de Dood en voordrachten). Maar ik heb Peter beloofd hier op dit blog aandacht aan te besteden omdat ik de stichting een warm hart toedraag, ze hele mooie initiatieven ontwikkelen en omdat ik het belangrijk vind dat dit soort poëzie- of taalstichtingen blijven bestaan.

Dus woon je in de omgeving van of in Alphen aan den Rijn, heb je het poëziehart op de juiste plek zitten en vind je het leuk om samen met anderen allerlei activiteiten te organiseren meld je dan aan via de website van Stichting Alphen Taal.

Geen blogbericht zonder gedicht en daarom het gedicht van de nieuwe stadsdichter van Alphen aan den Rijn, spoken word artiest Chanty Louis getiteld ‘Afro’, en het gedicht ‘Benthuizen’ van de vorige stadsdichter en voorzitter van Alphen Taal Lars Ferwerda.

.

Afro

.

Mijn haar neemt geen blad voor de mond

Ze mondt uit in een bladzijde van trots

Niet vaak als model geboekt

Omdat ze is afgeschreven

.

Gelukkig heb ik haar ontmoet

bij de gevonden voorwerpen van

losgelaten angsten

.

Eend

Bart Chabot

.

In 2024 verscheen van Bart Chabot, de thema-uitgave van de Boekenweek getiteld ‘Ooievaarsblues’. Het verscheen als paperback in een oplage van 30.000 stuks en er werden 230 genummerde exemplaren uitgegeven in een gebonden editie met stofomslag door de CPNB. Ik ben in bezit gekomen van één van de genummerde exemplaren (nummer 77) en ben daar zeer content mee. De titel is een verwijzing naar de stad Den Haag waar de ooievaar in het stadswapen van de stad een prominente plaats inneemt.

Bart Chabot (1954) selecteerde en bewerkte voor ‘Ooievaarsblues’ 18 gedichten uit zijn poëtisch oeuvre en voegde daar twee nieuwe gedichten aan toe ‘Metaalmoeheid’ en ‘Black Cadillac’. Dit zijn echter vrij lange gedichten (per stuk 5 pagina’s) ook Bart Chabot is ten prooi gevallen aan de prozagedichten die tegenwoordig zo in zijn. Ik heb daar iets minder mee, al zijn ze zeer lezenswaardig.

Daarom koos ik voor een ander gedicht. Het gedicht ‘Eend’ dat ook al werd opgenomen in zijn bundel ‘Greatest hits vol.1’ uit 2004. Zoals in alle gekozen gedichten staat ook in dit gedicht de familie van Chabot centraal, in dit geval zijn zoon Sebastiaan, maar is ook de humor nooit ver weg.

.

Eend

.

disneyland paris bestaat vijf jaar
er valt confetti uit de wolken
.
we zitten aan de lunch
in het new york hotel
sebastiaan en ik lopen naar het buffet
ik til het deksel op
van een enorme vleesschotel
– pap – vraagt sebas – is dat kip?
van de damp beslaat mijn bril
– that’s duck sir – schiet een ober ons te hulp
het tafelzilver hangt plotseling
op eigen kracht in de lucht
– you mean donald? – vraag ik
wijzend op de eendenborstjes
stilte daalt over de tafels
dan stijgt homerisch gelach op
.
sebastiaan kijkt niet blij

.

Smalltalk

Sven Cooremans

.

Bladerend in Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu, kom ik gedichten tegen van de Vlaamse dichter Sven Cooremans (1970).

Sven Cooremans studeerde filosofie in Leuven en klinische psychologie in Brussel en werkt momenteel aan een doctoraatsonderzoek.  Hij debuteerde in 2003 met de dichtbundel ‘Myeline’.  Zijn verhalen en gedichten verschenen in diverse literaire tijdschriften als De Brakke Hond, DW&B, Yang, Deus Ex Machina en Gierik & NVT en werden in meerdere bloemlezingen opgenomen, onder andere 21 dichters voor de 21e eeuw, Hotel New Flandres en De 100 beste gedichten van de VSB Poëzieprijs 2015. In 2014 won hij met het gedicht ‘Sisyphus’ de tweede prijs in de Turing Gedichtenwedstrijd. Bij PEN Vlaanderen was hij meerdere jaren als bestuurslid verantwoordelijk voor het Writers in Prison Committee en hij was redactielid van Gierik & NVT.

Zijn laatste bundel ‘In rivieren zal ik altijd een gisteren zien’ uit 2023 volgt Cooremans de Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944) tot in de diepe hellecirkel van de Tweede Wereldoorlog. In Het Liegende Konijn staan gedichten uit zijn bundel ‘Het is dat of stoppen met zingen’ uit 2013. Een van deze gedichten is getiteld ‘Smalltalk’. Voor sommige mensen een gruwel, voor andere smeerolie tot een gesprek.

.

Smalltalk

.

de zee hier blauw noemen

.

en over de stenen vloer van stoelen

en schaaldieren het geschuifel opmerken

.

van de woorden de getijden

.

alleen maar om in deze volle kamer

te kunnen blijven

.

bijvoorbeeld dat alles tegenwoordig

kan worden weggewerkt

.

neem nu die rimpels rond je mond: vul een glas

met ijskoud water en noem de zee

.

hier blijvend blauw

.

Kleren

F.L. Bastet

.

De enige keer dat ik aandacht besteedde aan dichter F.L. Bastet op dit blog, was toen ik een dubbelgedicht plaatste over begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. Dat doet dichter, archeoloog, literator, biograaf, schrijver en essayist Frédéric Louis Bastet (1926-2008) geen eer aan en vandaar vandaag opnieuw aandacht voor deze P.C. Hooft-prijs winnaar (in 2005 voor zijn essayistische oeuvre).

Bastet studeerde klassieke talen en archeologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1958 promoveerde hij er tot doctor in de Letteren. Van 1966 tot 1976 was hij hoogleraar klassieke archeologie aan de universiteit Leiden. Na zijn professoraat werd Bastet conservator van de klassieke afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden.

Naast zijn wetenschappelijk werk schreef Frédéric Bastet biografieën, biografische romans, fictie, essay- en dichtbundels. In 1959 debuteerde Bastet met de roman ‘De aardbeving’ en een jaar later, in 1960, als dichter, met de bundel ‘Gedichten’. Als dichter publiceerde hij vooral in de jaren ’60 en ’80 bundels. Zijn laatste poëzie werd in 2005 gepubliceerd onder de titel ‘Twee gedichten’.

In 1980 verscheen ‘Catacomben’ Een keuze uit de gedichten. Uit deze bundel nam ik het fraaie gedicht ‘Kleren’.

.

Kleren

.

Ik hield van je kleren,

ordeloos over de stoel.

Als wij verzadigd waren

trok je ze langzaam aan:

.

medeplichtigen.

.

Ze moesten je immers behoeden

tegen de kou van de wereld,

tegen de vreemde handen

van wie niet weten konden

met hoeveel liefde

– zo was het toch wel –

met hoeveel liefde ik ’s nachts

in het stroombed en de eeuwige vlakte

je warmte had toegedekt.

.