Site-archief
De Sidderrog
N.E.M. Pareau
.
In de bundel ‘Lees eens een gedicht’ uit 1974, samengesteld door T. van Deel kwam ik een mij onbekende dichter tegen (niet de enige trouwens) met de naam N.E.M. Pareau. Achter deze naam bleek de schrijver/dichter/jurist/hoogleraar rechtsgeschiedenis Herman Jan Scheltema (1906-1981) schuil te gaan. Nu moet ik eerlijk bekennen ook deze dichter niet te kennen al ging bij zijn naam wel een klein lampje branden (maar dat bleek een andere Scheltema te zijn).
Over zijn poëzie is bij mij niet veel bekend behalve dat hij destijds (in de jaren ’30 – ’40) in nauw contact stond met de schildersvereniging ‘De Ploeg’ in Groningen en dat hij behalve onder het pseudoniem Pareau ook schreef onder een ander pseudoniem namelijk Mr. J.Jer. van Nes.
Het gedicht De sidderrog komt uit ‘Mengelingen’ uit 1933 proza en poëzie.
.
De sidderrog
.
Schoon week en traag schuwt hij den vijand niet;
zijn blanke buik komt door het slijk gegleden
en peinzend starend prevelt hij gebeden,
’t vermoeide oog vol eeuwenoud verdriet.
.
Maar ijzig gif doorstroomt de klamme leden,
verschrikking, die het vadsig merg doorziedt.
Het oog vlamt op. De kille bliksem schiet.
De prooi is dood, de sidderrog tevreden.
.
Somwijl heeft hem het listig aas bedrogen,
de haak is door de dunne lip gebogen.
Thans spilt niet, ijdel rukkend, hij zijn kracht.
.
De visscher trekt… hij ziet het monster drijven
en loost het snoer – dan plots: de handen stijven;
de sidderrog zinkt bodemwaarts en lacht.
.
Dichter bij Rotterdam
G.J. Laan
.
In 1981 verscheen bij uitgeverij Futile een aardig boekje samengesteld door Meijer de Wolf, met als titel ‘Dichter bij Rotterdam’. In tegenstelling tot de ook niet onaardige bundel die een paar jaar geleden bij MUG books verscheen ‘Wij dragen Rotterdam’ in deze bundel geen hedendaagse dichters maar een overzicht van gedichten door de tijden heen over Rotterdam. Van de 16e eeuw tot de 20ste eeuw is er veel over Rotterdam geschreven in poëtische zin.
Wat opvalt zijn een aantal voor mij onbekende namen als C. A. Cocheret , W. Punt en B. Snel maar ook bekende (Rotterdamse) namen als Gerard Cox, Clara Eggink en J.H. Speenhoff, alsmede een groot aantal gedichten waar de dichter niet van bekend is. Een boek dat aan alle kanten rammelt (op het kaft staat M. de Wolff, op de titelpagina Meijer de Wolf bijvoorbeeld) met een rare bladspiegel maar dat maakt niets uit. Het is het levenswerk van deze de Wolf(f) en hij heeft een fraaie doorsnee van poëzie (hoge en lage) over Rotterdam bij elkaar gebracht.
Ik heb gekozen voor het gedicht ‘De Oude Binnenweg’ van G.J. Laan.
.
De Oude Binnenweg
.
Rond de Ouwe Binnenweg
draait ’t leven door.
Daar is geen sprake van hoge flats
of een groot glazen kantoor.
’n Biertje in ’n cafeetje,
bij de visman een vette bek.
Dan voel je je goed
en dan pas bruist je bloed,
Aan de Binnenweg is nog pret.
.
Die smalle Oude-Binnenweg,
’n stukje oud Rotterdam,
daar hoor je ’t orgel nog spelen,
in de kroeg zit ’n ouwe man.
Hij draait een zware Van Nelle
en bestelt weer een Ouwe Vlek,
want waar smaakt je borreltje lekkerder
dan aan de Ouwe-Binnenweg.
.
Rogi Wieg
- Liefdesgedicht
.
Zondag dus een gedicht van de dichter van de maand augustus Rogi Wieg.
Robert Gabor Charles Wieg, een kind van Hongaarse immigranten, debuteerde in 1981 met de bundel Cis-trans. In 1987 kreeg hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverdrijf’. Zijn afscheidsgedichten verschenen in het literaire tijdschrift ‘Extaze’. Uit deze bundel uit 1986 heb ik vandaag gekozen voor het gedicht ‘Liefdesgedicht’.
.
Liefdesgedicht
.
Dit is een jaar van ongemakken, lange
maanden waarin vreemde wendingen. Men
ziet het niet dat ik van heel dichtbij wat bange
uitdrukkingen heb. Het is ook dat ik niets verken,
.
niets werkelijk, geen stadsgedeelten voor een woord
dat teder is. Alsof mijn moedertaal
zich afsluit voor mijn dagverdrijf. De soort
van lichtval deze kleine dag bepaal
.
ik niet. Maar verder is er brood
zoals altijd en woordenboeken,
alfabet van wonderen. Of van een groot
.
verbruik van lettertekens, ik schrijf
toch dat ik van je houd,
al is het dat ik met mijn taal je hand verdrijf.
.
Kees van Kooten
Aan het werk
.
Iedereen kent Kees van Kooten van het legendarische duo van Kooten en de Bie of als schrijver van verhalen. Dat Kees van Kooten af en toe ook een gedicht schrijft (zoals wel meer schrijvers) is minder bekend. In de bundel ‘Aan het werk; Nieuwe verhalen, gedichten en beschouwingen van 81 auteurs uit Nederland en Vlaanderen’ uit 1981 staat het gelijknamige gedicht ‘Aan het werk’.
.
Aan het werk
.
Ik kijk mijn zoon.
Hij slaapt, ik schrik
en zie; daar ligt mijn vader.
Ik vraag hen wie ik wezen wil
en of ik die al nader.
Zij zwijgen dat ik verder moet.
.
Ik kus zijn halsslagader:
Barbara, klopt zij, Barbara.
(zijn mond geurt nog naar tandpasta)
.
Aan het werk dus, aan het werk!
De slagen der stomheid
zien te verslaan
door kakelend op
mijn handen te staan.
.
foto: nufoto.nl
Begin
Gerrit Komrij
.
Hoewel Gerrit Komrij regelmatig genoemd wordt in mijn blogs moet ik tot mijn grote schaamte bekennen dat ik maar een enkele keer over zijn werk heb geschreven of een gedicht van hem heb geplaatst (de laatste keer toe hij overleed in 2012). Daarom vandaag twee gedichten uit zijn bundel ‘De os op de klokketoren’ uit 1981. Het eerste gedicht uit deze bundel met als titel ‘Begin’ en het tweede gedicht met als titel ‘Janus’.
.
Begin
.
De tijd is op. wat onder was werd boven
en het glazuur sprong van de eeuwigheid.
De bodem trilt. we leven in een oven.
Nog even en we zijn het vuur ook kwijt.
.
Platvissen zwemmen nog door stilstaand water.
Ze drinken alles leeg en vallen om.
De wereld droogt en krimpt. een laatste krater
haalt adem en lanceert haar als een bom.
.
Een heel eind verder zal, in een heelal
waar vlinders dansen en waar bijen gonzen,
de aarde die van ons was als een bal
geruisloos op een verend grasveld plonzen.
.
.
Janus
.
De zee is droog. Het vasteland is nat.
Alleen de dode dingen hoor je zingen.
De levende hebben hun tijd gehad
en zwijgen stom. Groeten uit Scheveningen.
.
Op dit strand worden alle vrouwen mooi.
Hun ogen glanzen en rondom hun monden
verdwijnt hier elke levervlek en plooi.
Haast om te zoenen zijn hier alle honden.
.
De jongens daarentegen hebben in
hun neuzen onophoudelijk bezoek
van kevers, in hun oogkas huist een spin.
Hun voorhoofd is vergaan, hun wang is zoek.
.
Erts
Gabriel Smit
.
Ik heb inmiddels ruim 6 meter aan dichtbundels verzameld door de jaren heen en daar zitten bijzondere exemplaren tussen. Een mooi voorbeeld daarvan is de bundel ‘Erts’ uit 1955. Een bloemlezing uit de poëie van heden, samengesteld en ingeleid door Bert Voeten.
Het aardige van dit soort bundels, zeker als ze al wat ouder zijn, is dat ik er dichters in tegen kom waar ik nog nooit van gehoord heb. Dichters die, om wat voor reden dan ook, ooit bekend waren en in de vergetelheid zijn geraakt. Een voorbeeld van zo’n dichter is Gabriel Smit (1910-1981).
Als je op zijn naam zoekt op internet kom je al snel een uitgebreide bi(bli)ografie tegen op http://www.schrijversinfo.nl
Dan blijkt Smit in zijn tijd een bekende dichter te zijn geweest. Op de website van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie staat te lezen over hem: “Dichter, prozaïst, journalist, toneel- en jeugdboekenschrijver, vertaler. Gold als een van de bekendste katholieke dichters, in de periode 1940-1970.
Werkzaam als journalist bij De Gooi en Eemlander (1933-1944) en bij het Utrechtsch Dagblad (1939-1950). Hij was daarna literair redacteur van De Volkskrant (1952-1975). Ook was hij na de oorlog redacteur van weekblad De Linie en het literair tijdschrift Roeping.” Ook won Smit gedurende zijn leven verschillende literaire prijzen waaronder tweemaal de Henriëtte Roland Holstprijs (1957 en 1967).
Uit de bundel ‘Erts’ en oorspronkelijk verschenen in De Gids in 1955 de gedichten ‘Omschrijvingen van de liefste I en II’.
.
Omschrijvingen van de liefste
I
Je komt. Ik houd mijn adem in. Even
valt alles stil, auto’s zijn eeuwen
oud, Het uur is een eerste sneeuwen,
bijna dalend, bijna teruggedreven.
.
Samen weten wij wat niemand vermoeden
kan. Tussen ons beiden houden
onzichtbare stemmen een vertrouwde
doortocht open. Neuriënd behoeden
.
zij de zee voor terugval, blijven
van hart tot hart lang voor onze
geboorte hun verrukking slaan.
.
Nu ben je er. de wolken drijven
weer, de stad begint weer te bonzen.
Maar het neuriën houdt aan.
.
.
II
Samen zijn wij op reis. De dagen
glijden als in een trein de weiden
aan ons voorbij. Soms komen vragen
je ogen, je schoot verwijden,
.
adem opent je handen, even
trilt waterlicht aan de ramen,
gewiek van vogels, gevleugeld leven.
wij denken niet, wij kijken, samen.
.
Soms staat de trein verwonderlijk
stil. Buiten ligt het bezonnen
landschap en wacht, onvoltooid.
.
Even is ons samenzijn afzonderlijk,
dan weet het zich weer begonnen.
Soms is een hand genoeg, soms nooit.
.
Rijmklank
Vormen van rijm
.
Ik krijg weleens de vraag wat poëzie nu eigenlijk is. Daar is natuurlijk geen eenduidig antwoord op te geven. Zoek naar definities en je vindt er vele. Ik heb in het verleden al wel verschillende aspecten van poëzie beschreven op dit blog (in de categorie literaire kunst) en wil daar de komende weken weer een en ander aan toevoegen.
Om te beginnen Rijm. Hoewel ik zelf niet van de rijm ben (ik heb de rijmdwang in het verleden ook af moeten leren) zijn er prachtige rijmende gedichten geschreven. Gedichten in vaste versvormen maar ook gedichten met voorrijm, middenrijm etc.
Vandaag wil ik stilstaan bij drie soorten rijmklanken: Volrijm, Alliteratie en Assonantie .
Volrijm
Bij Volrijm is er sprake van klankovereenkomst bij zowel klinkers als medeklinkers.
Slik en stik. Deze vorm, waarbij de beklemtoonde lettergreep niet gevolgd wordt door een andere, noem je mannelijk of staand rijm
Rapen en gapen. Deze vorm, waarbij de beklemtoonde lettergreep wel gevolgd wordt door een andere, noem je vrouwelijk of slepend rijm.
Toeteren en ploeteren. Deze vorm, waarbij de beklemtoonde lettergreep gevolgd wordt door twee onbeklemtoonde lettergrepen, noem je glijdend rijm.
Alliteratie
Bij Alliteratie is er sprake van klankovereenkomst van de begin medeklinkers.
Liesje leerde Lotje lopen langs de lange Lindelaan. Kapper Karel knipte koppige kerels kaal.
In het boek Opperlandse Taal & Letterkunde van Hugo Brandt Corstius uit 1981 zijn mooie voorbeelden te vinden.
Assonantie
Bij assonantie is er alleen klankovereenkomst van de klinker. Assonantie wordt veel door rappers gebruikt en zou je kunnen beschouwen als een zwakkere vorm van rijm. Maar ook de grote dichters maakte gebruik van deze vorm, zoals hier in een strofe van Martinus Nijhoff.
Maar ’t leven is te vast en hard:
Of we al een rustplaats graven,
Noch nimmer kwam de grote nacht
en is een mensch gaan slapen
.
Hans en Monique Hagen hebben in hun bundel ‘Jij bent de liefste’ en gedicht geschreven waar van allerlei soorten rijm inzit. De titel is ‘Onzichtbaar’ uit 2002.
.
Onzichtbaar
de nacht is onzichtbaar
die ik nooit meer vind
Taarlo
Herman de Coninckzondag
.
Uit de bundel ‘Met de klank van hobo’ uit 1981 vandaag het “najaarsgedicht” met de titel ‘Taarlo’.
.
Taarlo
Wij lopen door het najaar met ons twee.
En dat gevoel heb ik ook in de lente
Wij lopen door veel bruine kroegenbruin van blaren
en door veel donkerrood gemis, appellation controlée,
dat dieper wordt in de kelder van de jaren.
Wij lopen door de beiger wordende bossen van Drenthe.
Hoor de wind door de henna-bomen varen
met een klank van hobo,de zwerver onder de instrumenten.
33, en in het midden van het donker woud
des levens. En met een gevoel van nergens horen
in de bossen thuis en thuis verloren.
Zullen wij later, misschien, ooit?
De zomer is voorbij, er wordt niet meer gehooid.
Het hier is nergens, en het nu is nooit.
.
Kon je maar beiden zijn, in wisseling…
C.O. Jellema
.
Cornelis Onno Jellema (1936 – 2003) was dichter, literatuurcriticus en essayist. Hij debuteerde in 1961 met poëzie in De Gids maar zijn werk kreeg niet veel aandacht. Dat veranderde in 1981 toen de bundel ‘De schaar van het vergeten’ werd gepubliceerd. In zijn vroege werk zocht Jellema naar een relatie tussen de verteller in het gedicht, en de wereld buiten die verteller. Later speelt de tijd een belangrijke rol. In enkele bundels probeert hij een synthese tussen voelen en denken, ofte wel emotie en ratio, te bewerkstelligen. De gedichten van C.O. Jellema zijn kenmerkend door een strakke vorm, en geregeld maakt hij gebruik van de sonnetvorm.
Zo ook in het gedicht ‘Kon je maar beiden zijn, in wisseling…’ uit de bundel ‘Ongeroepen’ uit 1991.
.
Kon je maar beiden zijn, in wisseling…
.
Kon je maar beiden zijn, in wisseling
van lied en echo, voorgaand en geleid,
voorstelling van hoorbare werkelijkheid
die, in haar klank voorbij, herinnering,
.
zich nestelt in het oor van ieder ding
en ’t is Eurydice die zich bevrijdt
met oogopslag, gestalte blijkt – de tijd
de wederkeer nu van een beweging
.
wier richting, strevend derwaarts, tegenstroom
ontketent in atomen van bestaan:
er rest in ’t goedgesprokene dat nooit
.
verdelgbaar residu – noem het jouw droom:
’t voorziet in niets en wil toch verder gaan.
Gestold geruis wordt water als het dooit.
.
Verlanglijstje
Zondag: Herman de Coninck
.
Na mijn overpeinzing van afgelopen zondag kreeg ik meerdere reacties om toch vooral nog even door te gaan met de Herman de Coninck-zondag. Zoveel bijval voor continuering kan ik natuurlijk niet negeren dus ook de komende weken nog op zondag een gedicht van deze prachtige dichter.
Vandaag het gedicht ‘verlanglijstje’ uit de bundel ‘Met een klank van hobo’ uit 1981.
.
Verlanglijstje
Geef me Nescio en Tsjechov, oude boeken.
Geef me na mijn zoveelste kale reis
iemand die mij twee haren uittrekt
en glimlachend zegt: je wordt grijs.
Geef mij alles en zeg: het is niets.
Geef me niets en zeg: dat is alles.
Geef me mijzelf, geef me jou.
Ik heb gezocht naar wist ik maar wat.
Geef me nu eindelijk
wat ik altijd al had.
.

















