Site-archief

Langzaam leren lezen

Hoe lees je poëzie?

.

In Hard//hoofd van juli 2018 kwam ik een interessant artikel tegen van Vera Martens, ten tijden van dit artikel literatuurwetenschapper en programmamaker bij cultureel podium de Kargadoor in Utrecht en tegenwoordig senior adviseur cultuureducatie bij Rijnbrink, de Provinciale Ondersteuningsinstelling voor bibliotheken in Gelderland en Overijssel. Het artikel is getiteld ‘Langzaam leren lezen’ en gaat over het lezen van poëzie.

Naar aanleiding van een vraag aan haar vader en later een vriendin over het lezen van poëzie gaat ze met zichzelf een uitdaging aan om een week lang elke dag poëzie te lezen. Voor de doorgewinterde poëzielezer die ik ben een peulenschil maar zij stelt zich daarbij de volgende vraag: Wat zou er gebeuren als ik me zou verdiepen in leesstrategieën om deze vervolgens toe te passen op een aantal dichtbundels die staan te verstoffen in mijn boekenkast?

Bij deze uitdaging maakt ze gebruik van close reading. Dit is een methode uit de literatuurwetenschap waarbij je een tekst, in dit geval een gedicht, ‘naïef’ leest, achtergrondinformatie en eventuele moeilijke woorden opzoekt, de structuur van het gedicht analyseert en het werk interpreteert. Daarnaast maakt ze gebruik van de inzichten uit ‘Olijven moet je leren lezen’ van Ellen Deckwitz (1982) uit 2016.

Voor haar experiment leest ze gedichten uit bundels van Gerrit Achterberg, Ester Naomi Perquin, Alexis de Roode, Erik Spinoy, Tomas Tranströmer en Wislawa Szymborska en via YouTube luistert ze naar voordrachten Vicky Francken en Marjolijn van Heemstra. Vooral dat laatste vind ik opmerkelijk want het lezen van een gedicht is in mijn beleveing toch echt wezenlijk anders dan er naar luisteren.

In het artikel schrijft ze dat ze maximaal tien gedichten per dag leest omdat het een enorme opgave is “want gedichten zijn geen gemakkelijke teksten die lekker weglezen. Ze bestaan niet uit alledaags taalgebruik, maar uit ongebruikelijke woordcombinaties en zinstructuren. Mijn brein wordt flink uitgedaagd om de taal steeds om te zetten naar een beeld in mijn hoofd.” Het experiment levert haar een aantal bevindingen op.

  1. Het alledaagse wordt opmerkelijk. Zinnen als  “Een vrouw passeert. De echo raapt gehaast haar stappen op.” van Paul Rodenko en “De avondzon verpluist in zachte mist.” van Gerrit Achterberg, zorgen ervoor dat ze iets gewoons zoals het geluid van voetstappen of de lucht bewuster gaat waarnemen.
  2. Zelfkennis door poëzie. Een gedicht is voor meerdere interpretaties vatbaar. Als je weet dat jouw interpretatie net zoveel zegt over het gedicht als over jezelf, leer je door gedichten te lezen jezelf beter kennen.
  3. Poëzie heeft meerdere lagen. Hier komt close reading om de hoek kijken. Wanneer ze nauwkeuriger gaat lezen en moeilijke woorden en achtergrondinformatie over een gedicht opzoekt, krijgt het gedicht telkens een extra betekenis of verandert de interpretatie.
  4. Esthetische waarde van taal. Gedichten kunnen simpelweg bloedmooi zijn. Prachtig verwoord kunnen het kunststukjes van taal zijn.

Aan het einde van het artikel met voorbeelden van gedichten die ze las komt ze tot de volgende conclusie: “Het lezen van de gedichten bracht me rust en reflectie, iets wat ik in mijn volle, gehaaste leven wel kon gebruiken. Mijn angst voor gedichten is verdwenen, maar ik heb ook ontdekt dat sommige poëzie me gewoon niet ligt. Gedichten lezen doe je  niet alleen met je hersenen, maar ook met je hart. Dat je kennis nodig zou moeten hebben om poëzie te kunnen lezen, is een mythe die ontkracht wordt zodra je een beginnetje maakt.”

Een conclusie waar ik het helemaal mee eens ben. Ook voor iemand die dagelijks en al vele jaren lang poëzie leest bestaat er zoiets als geweldige poëzie en helemaal niet zulke beste poëzie, en beide omschrijvingen zijn meningen en onderhevig aan smaak van degene die het stelt. En zelfs in poëzie waar je niets mee hebt of die je echt niet begrijpt kunnen prachtige zinnen wonen. Wil je het hele artikel lezen klik dan hier.

Ik wil hier graag eindigen met een gedicht van Marjolein van Heemstra waar Vera Martens in haar artikel over schrijft getiteld ‘Als Mozes had doorgevraagd‘ uit haar gelijknamige debuutbundel uit 2009.

.

Als Mozes had doorgevraagd

.

Moest ik mijn land verlaten: ik zou blijven.
Stond mijn stad in brand: ik draaide om.
Moest ik mijn kind offeren: ik weigerde.
Zolang jij je niet laat kennen houd ik
benen op de grond, armen om het kind.
Mij scheep je bij geen bramenstruik af
met ‘ik ben die ik ben’, een kleine vlam, een donderstem.
Mozes was iemand van zijn tijd: dankbaar voor het leven,
bang om door te vragen en ook: een man,
die vragen niet zoveel.
Ik was blijven staan bij die struik tot je verscheen.
Geen smoesjes van doeken voor ogen omdat je straling te fel.
Mozes was brandgloed gewend, ik tl.
Kom maar op, zou ik zeggen. Zeg ik nu: Kom maar op.
Als niet Mozes, maar ik bij Horeb had gestaan ging het zo:

ik: Wie ben je?
jij: Ik ben die ik ben.
ik: Ik ook.
jij: Ja, jij ook.

Dan had ik je aangeraakt en jij mij.
Was de Bijbel geen boek, maar een omhelzing.

.

Illustratie: Rosanne van Leusden