Rudy Kousbroek (1929 – 2010) was was dichter, journalist, vertaler en essayist (hij ontving in 1975 de P.C.Hooftprijs voor essayistiek). Samen met auteurs als Lucebert, Gerrit Kouwenaar en Hugo Claus behoorde hij tot de groep der Vijftigers. Met Remco Campert gaf hij het tijdschrift ‘Braak’ uit. Kousbroek ontving voor zijn essayistisch werk vele prijzen maar zijn poëzie mag er ook zeker zijn.
Uit zijn bundel ‘Dierentalen en andere gedichten’ uit 2003 het gedicht ‘Nietsvermoedend’.
Over de doden niets dan goeds. Over hen die gaan sterven ook niet. Over een stervende heeft Herman de Coninck het volgende gedicht geschreven met de titel ‘In één nacht’ uit de bundel ‘Gedichten’ uit 2000.
.
In één nacht
In één nacht, tussen twee infarcten in, zegt ze hem
nog gauw waar hij de sleutel van haar kluis
kan vinden. Hij had een treffender laatste zin in huis.
Maar zij kent hem beter. Doodgaan is niets, maar al
die paperasserij. Hou jij je maar bezig met erven,
ik met sterven.
Hoe noem je iets wat je niet meer bent, een zoon of zo? Pijn?
De deur waardoor hij in het leven kwam, staat open. Het tocht
van oneindigheid. Van eindigheid. Hij is. Hij moet zijn.
Tijdens de Poëzieweek kreeg je bij de aankoop van een poëziebundel een gratis geschenk van de boekhandelaar. De kleine bundel ‘Neem en lees’ met 10 gedichten van de dichter Stefan Hertmans. Ik kende Stefan Hertmans niet maar hij blijkt bij onze zuiderburen een bekend dichter. Hertmans (1951) is een Belgisch auteur van een literair en essayistisch oeuvre (poëzie, roman, essay, theatertekst, kortverhaal) dat hem in binnen- en buitenland bekend maakt. Zijn gedichten en verhalen verschenen in het Frans, Spaans, Italiaans, Roemeens, Kroatisch, Duits, Bulgaars.
In 1995 ontving hij de Driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap en hij werd tweemaal genomineerd voor de VSB-poëzieprijs. Daarnaast ontving hij de Maurice Gilliamsprijs voor zijn bundel ‘Goya als hond’. Niet zomaar de eerste de beste dichter dus.
Het bundeltje met de 10 gedichten geeft een aardig beeld van Hertmans als dichter. Deze gedichten zijn bij elkaar gezet omdat ze als gemeenschappelijk thema ‘herinnering’ hebben. Uit ‘Neem en lees’ het gedicht ‘De overtocht’.
De Vlaamse dichter Eva Cox (1970) begon in 1999 met het schrijven van gedichten, die ze bijzonder overtuigend uit het hoofd weet voor te dragen. In 2001 won ze dan ook de Eerste Vlaamse Poetry Slam, waar ze topperformers als Peter Holvoet-Hanssen en Vital Baeken als concurrenten had. Gedichten van haar hand werden voor 2001 alleen in ‘Het Belang van Limburg’ en op een bord op het oud-kerkhof te Hasselt gepubliceerd. Ze debuteert in september 2004 met de bundel ‘Pritt.stift.lippe’ in de Windroosreeks. In 2009 verscheen bij de Bezige Bij de bundel ‘een, twee, drie ten dans, een kleine stoet poëzie, (ultra)kort proza, vertalingen, pastiches, een duet voor één stem’ Deze bundel kreeg nominaties voor een aantal literaire prijzen. Eva Cox haar werk verscheen in verschillende literaire bladen en magazines en is in verschillende talen vertaald.
Uit haar bundel ‘Pritt.stift.lippe’ het gedicht ‘Ik ben beplakt met kleine spiegeltjes’.
.
Ik ben beplakt met kleine spiegeltjes
Ik ben beplakt met kleine spiegeltjes.
Ik dans als een strandbal rond.
Ik kan oogverblindend zijn.
Wie naar mij kijkt denk mij te zien.
Wie naar mij kijkt die ziet zichzelf.
De eigen monsterlijk vervormde grimas.
Wie van mij wegrent jaagt zichzelf weg.
Ik ben beplakt met kleine spiegeltjes.
De randen snijden in mijn eigen vlees.
Ik ben:
een glinsterende mozaïek
met weke rode voegen en
een hart van sneeuwwit.
Als je, zoals ik, veel poëzie leest, kom je soms ineens een gedicht tegen dat je nog niet kent maar waar je meteen van ondersteboven bent. Hoewel ik weet dat bepaalde dichters (die ik tot mijn favoriete dichters reken) dit effect op mij kunnen hebben met hun gedichten, is het toch elke keer, dat dit gebeurt, weer een klein feestje.
In de hele fijne bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ staat weer zo’n voorbeeld van een gedicht van Rutger Kopland (1934 -2012). Ik ken verschillende prachtige gedichten van zijn hand (bijvoorbeeld het gedicht ‘Dochters’ dat in mijn top 5 staat van favoriete gedichten aller tijden, zie mijn post hierover op 19 maart 2011) maar deze kende ik nog niet.
Het is het favoriete gedicht van cabaretier Marc-Marie Huijbregts en ik begrijp wel waarom. Uit de bundel ‘Onder het vee’ uit 1966, ‘III’.
Hoewel Kira alweer een nieuw boek (Noodlanding) met verhalen uit heeft kreeg ik voor mijn verjaardag haar poëzie debuutbundel ‘Finse meisjes’, waar ik overigens erg blij mee was. ‘Finse meisjes’ is zo’n bundel met gedichten en zinnen waar je steeds weer iets nieuws in ontdekt.
Ik herinner me Kira nog van een aantal jaar geleden, toen ze als nog redelijk onbekend en ongepubliceerd dichter op het podium van Ongehoord! al veel indruk maakte. Uit haar bundel heb ik gekozen voor het gedicht ‘Oogsten’.
.
Oogsten
.
De tijd gaat sneller als je af en toe een plant verschuift
Daags na mijn verjaardag kreeg ik over de post een bijzonder cadeau van een vooralsnog anonieme gever. In het pakje dat ik opende zat de bundel ‘De vogel Phoenix’ van M. Vasalis uit 1948. Een prachtig cadeau natuurlijk maar zonder afzender. Ik zou graag de gulle gever bedanken. Laat even weten wie je bent.
Dat ik heel blij ben met dit cadeau mag duidelijk zijn, Vasalis is al langere tijd één van mijn favoriete dichters en zo’n mooie oude bundel is dan een pareltje.
Daarom, als dank voor zoiets moois, deel ik vandaag een gedicht uit deze bundel getiteld ‘Tusschen de lage kamer’.
Zondag, dus een gedicht van meester dichter Herman de Coninck. Vandaag heb ik gekozen voor een gedicht uit de bundel ‘Ter ere van de goedertieren maan’ uit 1978 (vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay). In dit geval gedicht nummer 6.
De in Jamaica geboren dichter en musicus Benjamin Obadiah Iqbal Zephaniah groeide op in de Engelse plaats Birmingham, in de wijk Handsworth (van de Handsworth riots) alwaar hij naar een school voor moeilijk opvoedbare jongeren werd gestuurd. Dat dit geen effect had blijkt uit het feit dat hij uiteindelijk in de gevangenis terecht kwam voor inbraak. Na zijn gevangenisstraf nam hij afscheid van de misdaad en wijdde hij zich aan muziek en poëzie.
Als DJ en dichter onderscheidde hij zich van andere Jamaicaanse kunstenaars in Engeland door Engeland als zijn belangrijkste ‘point of interest’ te kiezen in plaats van Jamaica maar zijn afkomst daarin wel te integreren.
Op zijn 22ste in 1980 publiceerde hij de dichtbundel ‘Pen Rhythm’ waarna nog 17 poëziebundels volgden alsmede kinderboeken, romans en theaterteksten. Ook speelde hij mee in een aantal speelfilms en bracht hij verschillende platen en cd’s uit.
Zijn sociale geëngageerdheid blijkt uit veel van zijn gedichten zoals ook in het gedicht ‘We Refugees’.
.
We Refugees
.
I come from a musical place
Where they shoot me for my song
And my brother has been tortured
By my brother in my land.
I come from a beautiful place
Where they hate my shade of skin
They don’t like the way I pray
And they ban free poetry.
I come from a beautiful place
Where girls cannot go to school
There you are told what to believe
And even young boys must grow beards.
I come from a great old forest
I think it is now a field
And the people I once knew
Are not there now.
We can all be refugees
Nobody is safe,
All it takes is a mad leader
Or no rain to bring forth food,
We can all be refugees
We can all be told to go,
We can be hated by someone
For being someone.
I come from a beautiful place
Where the valley floods each year
And each year the hurricane tells us
That we must keep moving on.
I come from an ancient place
All my family were born there
And I would like to go there
But I really want to live.
I come from a sunny, sandy place
Where tourists go to darken skin
And dealers like to sell guns there
I just can’t tell you what’s the price.
I am told I have no country now
I am told I am a lie
I am told that modern history books
May forget my name.
We can all be refugees
Sometimes it only takes a day,
Sometimes it only takes a handshake
Or a paper that is signed.
We all came from refugees
Nobody simply just appeared,
Nobody’s here without a struggle,
And why should we live in fear
Of the weather or the troubles?
We all came here from somewhere.