Site-archief
Vergeten dichters
Geplaatst door woutervanheiningen
Erika Dedinszky
.
Zoals je als regelmatige lezer van dit blog weet, besteed ik met enige regelmaat aandacht aan (bijna) vergeten dichters. Omdat er tussen deze dichters, die lijken weggevallen te zijn uit het gedeelde literaire geheugen, vaak hele goede dichters schuil gaan met prachtig werk. Groot was dan ook mijn verrassing dat dichter en schrijver Joris van Casteren (1976) die ik wel al kende van zijn artikelen over vergeten dichters in De Groene Amsterdammer, een boek heeft geschreven met de veelzeggende titel ‘In de schaduw van de Parnassus’ uit 2002, gesprekken met vergeten dichters. In dit boek schrijft hij over gesprekken die hij voerde met dichters die veelbelovend debuteerden, meerdere malen prijzen wonnen en toch in de vergetelheid zijn geraakt. Dichters als Peter Simpelaar, Wim Huyskens, Michael Deak, Dana Hokke, Fred Portegies Zwart, Johan Joos, Agnes de Graaf, Eddy Evenhuis en Leo Herberghs. En dichter en vertaler Erika Dedinsky.
Het laatste interview met dichter en vertaler Erika Dedinszky (1942-2022) verscheen ‘Gesprekken met vergeten dichters’ uit 2002. Hierna is weinig meer vernomen van deze, in 1956 na de Hongaarse Opstand, met haar ouders naar Nederland gevluchte, dichter en vertaler. Ze leerde Nederlands en publiceerde als gymnasiaste al gedichten en korte essays in Eigen Wijs, de jongerenafdeling van het Algemeen Handelsblad. Na het gymnasium ging ze Franse taal- en letterkunde studeren in Nijmegen. de tweede helft van de jaren zeventig, vormen de bloeitijd van haar culturele en cultuur-bemiddelende activiteiten: ze vertaalde films voor de Nederlandse televisie, vertaalde en bloemleesde Nederlandse verhalen en gedichten in het Hongaars, was redacteur van het in Wenen en Parijs gevestigde en door Hongaarse emigrantenschrijvers geredigeerde avant-gardetijdschrift Magyar műhely(Hongaars atelier) en reisde voortdurend naar Hongarije als begeleider van schrijvers en journalisten.
Vanaf 1977 publiceerde ze steeds vaker vertalingen van Hongaarse poëzie. Voor het tijdschrift Bloknoot stelde ze een special samen met door haar vertaald (experimenteel) werk van meer dan dertig dichters, onder wie grote namen als Sándor Weöres en Ágnes Nemes Nagy. Samen met de feministische kunstenaar Sylvia Bodnár (1946-2010) verzorgde ze een nummer over Hongaarse poëzie van het tijdschrift Kentering, en samen met de Hongaars-Nederlandse dichter en letterkundige Áron Kibédi Varga (1930-2018) stelde ze De toren van het zwijgen. Een keuze uit de moderne Hongaarse poëzie samen in de reeks van Poetry International. Van twee van de in deze laatste bloemlezing opgenomen dichters – Sándor Csoóri (1930-2016) en János Pilinszky (1921-1981) – bracht ze een complete bundel met een keuze uit hun oeuvre uit.
In 1981 kreeg ze de Nijhoff Vertaalprijs toegekend, voornamelijk voor haar poëzievertalingen. In Hongarije werd ze onderscheiden met de Pro Cultura Hungarica-plakette en de Bárczi Géza-prijs in 1985. In 1985 maakte een verkeersongeval in Boedapest, waarbij Dedinszky een permanente hersenbeschadiging opliep, een einde aan haar werkzame leven.
In 1975 debuteerde ze met haar bundel ‘Kornoeljeboom’ gevolgd in 1980 met haar laatste eigen bundel poëzie ‘De ijstijd begint met de kou’. Op de website Neerlandistiek.nl vond ik het gedicht ‘dagenboek’ van haar hand.
.
dagenboek
.
je doet wat aan de flat, prutst met een vergrootglas
schuift een beeldje verder, nog verder, en dan
gooi je het weg
je opent en sluit deuren, ramen, boeken, een la
spijkert een prent vast, daarna nog één
en mijmert
je verft de muur geel, bruin, later groen
ruilt de vleugel tegen een keukentafel
en tafelt
onder een dwergkap met reuzenfranjes
lees je papier vol grove poriën en dut in
je neus glimt
je weekt postzegels af en droogt ze op een theedoek
je hoedt je krullende liefjes tegen te bruuske tocht
en tilt een vlies op
je draait aan knoppen, stelt avondbeelden scherper
blaast over een plaat, plukt van de naald een pluisje
en danst wat
je leest sprookjes voor van gisteren en eergisteren
tussen koffie en bier douche je dof fluitend
en drupt na
haar maak je ook nog even open
aan één of twee happen heb je genoeg
.
Geplaatst in (bijna) vergeten dichters, Dichtbundels, Favoriete dichters
Tags: (bijna) vergeten dichter, 1921, 1930, 1942, 1946, 1956, 1975, 1976, 1977, 1980, 1981, 1985, 2002, 2010, 2016, 2018, 2022, Agnes de Graaf, Algemeen Handelsblad, Ágnes Nemes Nagy, Áron Kibédi Varga, Barczi Géza-prijs, bloemlezingen, Bloknoot, dagenboek, Dana Hokke, De ijstijd begint met de kou, debuutbundel, dichtbundel, dichter, Eddy Evenhuis, Eigen Wijs, Erika Dedinszky, Fred Portegoies Zwart, gedicht, gedichten, gedichtenbundel, Hongaars atelier, Hongaarse emigrantenschrijvers, Hongaarse poëzie, Hongarije. Hongaarse opstand, In de schaduw van de Parnassus, János Pilinszky, Johan Joos, Joris van Casteren, Kenterinbg, Kornoeljeboom, Leo Herberghs, Magyar műhely, Martinus Nijhoff Vertaalprijs, Michael Deak, Peter Simpelaar, poëzie, poëziebundel, poetry international, Pro Cultura Hungarica-plakette, Sándor Csoóri, Sándor Weöres, Sylvia Bodnár, vergeten dichters, vertaler, vertalingen, vlucht, Wim Huyskens




