Site-archief
Havel en Hoop
Dichters in verzet
.
Václav Havel ( 1936 – 2011) zat als schrijver en dissident tussen 1970 en 1989 drie keer gevangen (in totaal 5 jaar). Havel was als schrijver in 1977 één van de grondleggers van Charta 77, een beweging die de Tsjecho-Slowaakse overheid wees op schendingen van mensenrechten. Na de fluwelen revolutie werd Havel tot president van Tsjecho-Slowakije (1990) en Tsjechië (1992) gekozen. In de periode tussen 1970 en 1989 schreef hij het onderstaande gedicht.
.
‘Hoop’
.
Diep in onszelf dragen we hoop:
als dat niet het geval is,
is er geen hoop.
.
Hoop is de kwaliteit van de ziel
en hangt niet af
van wat er in de wereld gebeurt.
.
Hoop is niet voorspellen of vooruitzien.
Het is een gerichtheid van de geest,
Een gerichtheid van het hart,
voorbij de horizon verankerd.
.
Hoop
in deze diepe en krachtige betekenis
is niet hetzelfde als vreugde
omdat alles goed gaat
of bereidheid je in te zetten
voor wat succes heeft.
.
Hoop is ergens voor werken
omdat het goed is,
Niet alleen omdat het kans van slagen heeft.
.
Hoop is niet hetzelfde als optimisme,
evenmin de overtuiging
dat iets goed zal aflopen.
Wel de zekerheid dat iets zinvol is
afgezien van de afloop,
het resultaat.
.
Een nieuwe lente
Een nieuwe rubriek: Dichter in verzet
.
Op de vraag ” Over welk onderwerp in relatie tot poëzie zou ik op mijn blog kunnen schrijven?” kreeg ik van Blauwkruikje2.wordpress.com het antwoord ‘De dichter en zijn verzet tegen…’
Eerlijk gezegd vind ik dat een hele goede suggestie. De geschiedenis kent vele dichters en tekstdichters die zich op de een of andere manier ergens tegen verzetten.
Daarom een nieuwe rubriek ‘Dichters in verzet’ waarin ik voorbeelden ga behandelen van dichters die zich middels hun poëzie verzetten tegen onrecht.
Denkend over deze rubriek kwam meteen een gedicht en een dichter naar boven. De achttien dooden van Jan Campert.
Jan Remco Theodoor Campert (1902 -1943) was journalist, schrijver, dichter en verzetsman. Jan Campert is bekend geworden door zijn gedicht De achttien dooden, dat hij schreef naar aanleiding van de aangekondigde executie van vijftien verzetslieden van de Geuzengroep en drie communistische Februaristakers in maart 1941.
..
De Achttien Doden
.
Een cel is maar twee meter lang
En nauw twee meter breed,
Wel kleiner nog is het stuk grond
Dat ik nu nog niet weet,
Maar waar ik naamloos rusten zal,
Mijn makkers bovendien,
Wij waren achttien in getal,
Geen zal de avond zien.
.
O lieflijkheid van lucht en land
Van Hollands vrije kust –
Eens door de vijand overmand
Vond ik geen uur meer rust.
Wat kan een man, oprecht en trouw,
Nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
En strijdt de ijd’le strijd.
.
Ik wist de taak, die ik begon,
Een taak van moeiten zwaar,
Maar ’t hart, dat het niet laten kon,
Schuwt nimmer het gevaar;
Het weet hoe eenmaal in dit land
De vrijheid werd geëerd,
Voordat een vloek’bre schennershand
Het anders heeft begeerd.
.
Voordat die eden breekt en bralt
Het misselijk stuk bestond
En Hollands landen binnenvalt
En brandschat zijne grond;
Voordat die aanspraak maakt op eer
En zulk germaans gerief
Een land dwong onder zijn beheer
En plunderde als een dief.
.
De rattenvanger van Berlijn
Pijpt nu zijn melodie;
Zo waar als ik straks dood zal zijn
De liefste niet meer zie
En niet meer breken zal het brood
En slapen mag met haar –
Verwerp al wat hij biedt of bood,
De sluwe vogelaar!
.
Gedenk, die deze woorden leest
Mijn makkers in de nood,
En die hun nastaan ’t allermeest,
In hunne rampspoed groot,
Gelijk ook wij hebben gedacht
Aan eigen land en volk,
Er komt een dag na elke nacht,
Voorbij trekt ied’re wolk.
.
Ik zie hoe ’t eerste morgenlicht
Door ’t hoge venster draalt –
Mijn God, maak mij het sterven licht,
En zo ik heb gefaald,
Gelijk een elk wel falen kan,
Schenk mij dan Uw genâ,
Opdat ik heenga als een man
Als ‘k voor de lopen sta…
.








