Site-archief

Simone Atangana Bekono

Podcast en gedicht

.

Ik was wat aan het ronddolen op het wereld wijde web en kwam zo op de website van Kluger Hans terecht, en dan specifiek op het platform Roergebied. Daar stuitte ik op de podcast Grensgangers #9 uit 2020 waarin de Rotterdamse schrijver (van proza en poëzie zoals ze zelf zegt) Simone Atangana Bekono (1991) wordt geïnterviewd door Daan Janssens en Jens Meijen. In deze podcast gaat het over de debuutbundel van Simone met als titel ‘Hoe de eerste vonken zichtbaar waren’ uit 2017 en hoe deze tot stand is gekomen. Maar ook over haar schrijverschap, activistische noodzaak en de verschillen tussen poëzie en proza.

Op de website van Poetry International wordt zij geïntroduceerd met deze woorden: In de poëzie van Simone Atangana Bekono wisselen strijdvaardigheid en tederheid elkaar voortdurend af. Zij laat zien hoe het persoonlijke tegelijkertijd poëtisch, politiek en universeel kan zijn. In haar gedichten verkent ze het verband tussen lichaam en identiteit. Het besef een zwart en vrouwelijk lichaam te hebben leidt tot uiteenlopende gevoelens; van ontheemding, maar ook van woede jegens de mensen die dat lichaam, die identiteit onderdrukken. Typerend voor Atangana Bekono is dat zij haar ontegenzeggelijke politieke engagement niet verwerkt in lekker klinkende kreten maar op spannende wijze tot onderzoeksobject maakt. Voor haar debuutbundel ontvang zij de Poëziedebuutprijs aan Zee 2018 en het Charlotte Köhler Stipendium 2019

Het gedicht waarmee de Podcast begint heeft als titel ‘III’.

.

III

.

Ik schreef een gedicht dat over mezelf ging
ik schreef vijf versies van mezelf die mannelijk,
gebroken, lichaamloos en in de war waren
ik schreef mezelf in de hel van het kunstenaarschap en liet mij daarin wegrotten
ik schreef mezelf compleet weg en kwam tot een hoop lege woorden

Dat elke herinnering valt of staat bij het moment van ontsteking
dat context niet toegevoegd mag worden, maar vanzelf moet ontstaan
dat ik mijn vaders urn in de stoppenkast heb gezet toen hij mij op de vingers tikte
voor mijn onherleidbare motoriek en twijfelachtige borsten
dat ik alleen besta in het verlengde van het brein van een blanke, westerse man:
ik leen geld van een blanke, westerse man
ik koop toiletpapier voor een blanke, westerse man:
ik ben een gedachte-experiment van de blanke, westerse man

Want ik lig dronken op een vloer en hij vraagt wie ik ben
en ik ben een in een mal gepropte versie van Kunta Kinte
ik voel geen verbintenis met mijn gegeven naam

Ik lig dronken op een vloer en zie patronen in het plafond
de jongen naast mij is een kind dat ik kennis wil laten maken
met mijn donkerste gedachten
om hem kapot te maken
om hem op te voeden
ik ben het poppetje van een aapachtige jazzmuzikant
ik ben Sylvana, Loewija
een enorme kont waar mensen geld voor betalen om naar te staren
ik kan mezelf in honderden vormen presenteren

Ik ben een coole toevoeging, een drumstel, ik ben een godsdienstfanaat
met gele oogballen en een kapotgeschreeuwde mond,
ik ben een hofnar: ik trek een jurk aan, trek een huidkleurige jurk aan
ben zeventig kilogram vlees zonder naam, taal of herkomst
een nagelbijtende in elkaar stortende bloedende entiteit zonder concreet doel
all energy and no purpose
ik heb wel een goed rapport
goed gedaan en goed opgevoed

Ik ben een virus dat zichzelf opeet bij gebrek aan materie om zich mee te voeden
ik ben de meest huidkleurige jurk die je aan kunt trekken
een gewaagde keuze
en terwijl ik geolied op een hagelwit strand sta
tussen die honderden versies van mijzelf
vraag ik: ‘Zijn we al op vakantie?’
ik krijg geen antwoord

.

Afscheid

Cees Nooteboom

.

In 2020 verscheen van de hand van een van onze grootste schrijvers (en dichter) Cees Nooteboom (1933) een bundeltje met de titel ‘Afscheid’. De ondertitel is in dit geval misschien nog belangrijker want die luidt: Gedicht uit de tijd van het virus. De bundel bestaat uit drie hoofdstukken (I, II en III) en elk hoofdstuk bestaat weer uit 11 gedichten die genummeerd zijn, steeds van 1 t/m 11.

In het nawoord beschrijft Nooteboom hoe deze bundel tot stand is gekomen, welke uitgangspositie er was, welke wendingen de gedichten namen en dat daar waar hij heenreist het virus alomtegenwoordig is. Hij schrijft over dat laatste: ‘het zou ook vreemd zijn als het gedicht zich daar niets van aan zou trekken’. En over de poster in de lege stad waarop staat ‘begint hier het hiernamaals’. Hij eindigt zijn nawoord met de geschreven eerste regels ‘het einde van het einde, wat kon dat zijn?’. Wij weten het nu.  Ik plaats hier gedicht 1 uit hoofdstuk I.

.

1

.

Dit vroeg de man in de wintertuin zich af,

het einde van het einde, wat kon dat zijn?

Het leek hem geen enkele vorm van verdriet,

hij keek naar buiten, zag een wolk die er uit

.

zag als een wolk. loodgrijs, te zwaar voor

elke weegschaal, de ontbladerde vijgenboom

tegen de duizendjarige stenen van de muur,

de ganzen van de buren, hun censuur,

.

hoe de nacht gecorrigeerd moest worden,

de grammatica van onteigening, niemand

nog zichzelf, geen enkele verschijning,

terugtocht in nederlaag

.

maar geen bestemming.

.

III

Rutger Kopland

.

Als je, zoals ik, veel poëzie leest, kom je soms ineens een gedicht tegen dat je nog niet kent maar waar je meteen van ondersteboven bent. Hoewel ik weet dat bepaalde dichters (die ik tot mijn favoriete dichters reken) dit effect op mij kunnen hebben met hun gedichten, is het toch elke keer, dat dit gebeurt, weer een klein feestje.

In de hele fijne bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ staat weer zo’n voorbeeld van een gedicht van Rutger Kopland (1934 -2012). Ik ken verschillende prachtige gedichten van zijn hand (bijvoorbeeld het gedicht ‘Dochters’ dat in mijn top 5 staat van favoriete gedichten aller tijden, zie mijn post hierover op 19 maart 2011) maar deze kende ik nog niet.

Het is het favoriete gedicht van cabaretier Marc-Marie Huijbregts en ik begrijp wel waarom. Uit de bundel ‘Onder het vee’ uit 1966, ‘III’.

.

III

.

Met jou kwam een nog vreemd

verdriet waarop ik een leven

lang gewacht heb.

.

Het kwam uit je ogen in de mijne

uit je handen onder mijn jas

het kwam en ik liet het.

.

Eindelijk zag ik dat alles voorbij

zou gaan als deze dag boven

land dat ik liefheb.

.

ik zeg niet dat dat erg is

ik zeg alleen wat ik dacht

te zien.

.

Onder het vee