Site-archief
Het klein heelal van het sonnet
Het sonnet in de Nederlandse literatuur
.
Als je een goed zoekt zijn er in Nederland en België vaak heel leuke en interessante bundeltjes te koop op rommelmarkten, kringloopwinkels en tweede hands spullen winkels. Voor de luttele som van € 0,20 kocht ik bij één van mijn favoriete tweedehands winkeltjes het bundeltje ‘het klein heelal van het sonnet’ uit 1969.
Deze bundel, uitgegeven in de serie ‘variaties op een thema’ bevat de beschrijvingen en de gedichten (sonnetten) van 18 dichters. Van Albert Verwey, Joost van den Vondel en Bilderdijk tot Slauerhoff, Achterberg en Lucebert.
Ontstaan op Sicilië begint het sonnet zijn zegetocht door Europa bij Petrarca (1304 – 1374). Diens ‘Canzoniere’ met liefdesverzen voor de verre geliefde Laura wordt het brevier van de Renaissancedichters, eerst in Italië, daarna via Frankrijk in heel West-Europa. In de Nederlanden is het Jan van der Noot, die aan de hand van de Franse leermeesters, als eerste petrarquiseert, gevolgd door Hooft, Bredero en Huygens.
Na een eerste bloeiperiode zinkt het sonnet bij ons voor een paar eeuwen in vergetelheid weg tot de Tachtigers voor een groot eerherstel zorgen met dichters als Kloos, Du Perron, en Verwey.
Omstreeks 1950 is ook de tweede bloeiperiode plotseling ten einde. Toch zijn er heden ten dagen nog altijd beoefenaars succesvol met deze vorm van poëzie zoals Jean Pierre Rawie en Simon Mulder.
Een mooi voorbeeld uit dit aardige bundeltje is het sonnet met de beroemde regel ‘Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten’ van Willem Kloos uit 1902.
.
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.
En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor ’t heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten.
En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb’re leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed
En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar ‘k niet langer woorden vond.
.
Italiaanse dichter
Vincenzo Cardarelli (1887 – 1958)
.
Vandaag eens een ander geluid namelijk een Italiaans geluid. Italië heeft vele beroemde dichters voortgebracht maar van de hedendaagse dichtkunst is (mij) weinig bekend. Vincenzo Cardarelli was een schrijver, journalist en dichter die in zijn tijd grote bekendheid genoot. Voor ‘Il sole a pico’ ontving hij in 1929 de Baguttaprijs en voor Villa Tarantola uit 1948 kreeg hij de zeer prestigieuze Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega.
Het gedicht ‘Aan de dood’ is vertaald door Frans Denissen.
.
Aan de dood
Sterven wel,
niet overvallen worden door de dood.
Sterven in de overtuiging
dat die reis de beste is.
En in die laatste stonde blij zijn
als wanneer je de minuten telt
op de stationsklok
en elke minuut duurt een eeuw.
Omdat de dood de trouwe bruid is
na de trouweloze minnares
willen we haar niet ontvangen als een indringster,
noch met haar vluchten.
Al te vaak vertrokken we
zonder vaarwel!
Op het punt in een oogwenk
de tijd te overschrijden,
als zelfs de herinnering
zich van ons losmaakt,
laat ons, Dood, dan de wereld afscheid nemen,
gun ons nog een moment
Laat de onmetelijke stap
niet overhaast zijn.
Bij de gedachte aan een onverwachte dood
stolt mijn bloed.
Dood, ruk me niet weg,
maar kondig je van verre aan
en neem me mee als een vriendin,
als mijn allerlaatste
gewoonte.
.









