Site-archief
Halflachend met de wijzen
Po Tsjü
.
Chinese poëzie is al zo oud als, tsja China eigenlijk. Dus al heel oud. Over Chinese poëzie schreef ik al een aantal keren zoals over Hsia Yu en Shang Ch’in (20ste eeuw), Li Tai Po (8ste eeuw), Yi Sha (20ste eeuw), Wen Zhengming (16e eeuw), Liu Xia en Liu Xiabo (20ste eeuw) en dan sla ik de poëzie van Mao Tse Tung hierbij even over want dat is meer propaganda dan poëzie.
Wat me duidelijk is geworden is dat de oude Chinese poëzie vooral de natuur en de strijd (oorlog) bezingt en de moderne Chinese poëzie daarnaast ook vooral activistisch is. En hoewel ik ook graag over activistische poëzie schrijf (kijk vooral in de categorie Dichter in verzet voor een overzicht) wil ik vandaag toch stil staan bij een dichter die over allerlei onderwerpen poëzie schreef maar in dit gedicht ‘De filosofen’ juist de diepte zoekt.
Ik heb het hier over de dichter Po Tsjü (772-846). Po Tsjü (zijn naam wordt op vele verschillende manieren geschreven) was een Chinese dichter die vooral bekend stond om zijn ballades en satirische gedichten. Hij was van mening dat goede poëzie gemakkelijk te begrijpen moest zijn voor het gewone volk en gaf daar het goede voorbeeld van in gedichten die zich kenmerkten door eenvoudige taal, een natuurlijke stijl en een maatschappijkritische inhoud. Dat geldt zeker voor het gedicht ‘De filosofen’ dat ik las in de bundel ‘Halflachend met de wijzen’ vertaald en gekozen door Elisabeth de Jong-Keesing uit 1959.
.
De filosofen
.
‘Zij die spreken weten niet,
zij die weten zwijgen.’
.
Deze woorden, zegt men, zijn
door Lau Tse gesproken.
.
Als ik moet geloven dat
Lau Tse zelf een weter was,
.
waarom schreef hij dan een boek
van vijfduizend woorden?
.
Vloek van de oorlog
Li Tai Po
.
De Chinese lyriek behoort, samen met de Hebreeuwse en de Indische lyriek, tot de oudste van de wereldliteratuur (meer dan duizend jaar oud). Maar voor de Chinezen blijft deze literatuur tot op de dag van vandaag actueel en gelezen. En dat betreft vooral de verzen van lyricus, avonturier en drinker uit de T’ang periode Li Tai Po (701-762) of zoals hij tegenwoordig beter bekend is Li Bai. Li Bai wordt ook wel de onsterfelijke dichter genoemd en wordt beschouwd als de grootste Chinese dichter aller tijden.
In de bundel ‘Hart van Jade’ Chinese lyriek uit 1978 (derde druk) wordt Li Bai echter steeds opgevoerd als Li Tai Po en leefde hij van 702-763. Dichter Willem Brandt (1905-1981) heeft bijna dertig jaar in het Verre Oosten doorgebracht. Zijn poëzie is als resultaat daarvan sterk door oosterse motieven beïnvloed. Zijn aanrakingen met China gaven hem het gevoel van een bijzondere affiniteit ten aanzien van de klassieke Chine lyriek waarvan hij vele verzen herdicht heeft. Volgens deskundigen komen zijn herdichtingen het origineel op onnavolgbare wijze nabij (aldus de inslagtekst van de bundel).
Omdat Brandt zijn aantekeningen begint met Li Tai Po en omdat dit algemeen wordt gezien als de grootste dichter van China hier een gedicht van hem uit de bundel getiteld ‘Vloek van de oorlog’ een titel die nog steeds helaas heel actueel is.
.
Vloek van de oorlog
.
Een mager paard graast in de sneeuw van Tientsjan;
drie legerscharen roeiden zich hier uit.
Een snoer van bekkenelen op de vlakte,
geschrei van hengsten als een schrille fluit,
en raven rijgen, zwarte kraal na kraal,
zich aan de takken die hun knoken rekken.
Dode soldaten tot in het portaal
van het paleis. Laat nu de generaal
zijn doden wekken!
.
Vervloekt de oorlog, vloek over het zwaard.
Wat is het einde van uw waanzin waard?
.
De wijze zal slechts ’t eigen hart doorkerven
tot offerbloed, opdat de mens ervaart
hoe uit de dood het leven te verwerven.
.





