Site-archief
Als zee uit hond
Lucas Rijneveld
.
Begin oktober was de Nacht van de poëzie, ik schreef er al uitgebreid over op dit blog. Een van de dichters waar ik naar uitkeek was Lucas Rijneveld (1991). Er was een nieuwe bundel van zijn hand uit en ik had al weer even, zoals velen, niets meer van hem vernomen, dus ik was best nieuwsgierig. De bundel had ik nog niet gelezen en dus dacht ik, koop ik die tijdens de nacht. Na zijn optreden bij de Nacht, waar ik zeer over te spreken was, zocht ik hem op bij zijn uitgever in de gangen van Tivoli. Daar aangekomen stond een rij van ik denk zo’n honderd mensen die allemaal een handtekening, een praatje of een foto met hem wilde. Op dat soort momenten trek ik mij in alle bescheidenheid terug.
Na het uitkomen van ‘Komijnsplitsers’ werd Lucas bij mij om de hoek geïnterviewd bij boekhandel Paagman. Ook daar zat ik in de ruimte tussen heel veel mensen en ook daar vormde zich meteen na afloop een enorme rij belangstellenden. Destijds ben ik naar huis gegaan, nadat ik wel de bundel had gekocht. Dit keer, in Utrecht, ging ik terug naar het programma in de grote zaal om later te kijken of de rij wellicht was afgenomen. Toen ik dat een half uur later deed, was de rij weg maar was Lucas zijn spullen aan het pakken om te vertrekken. Gelukkig herkende hij me en heeft hij een lieve boodschap in mijn exemplaar van ‘Als zee uit hond’, zijn nieuwste bundel.
In een interview met hem in de Volkskrant las ik dat zijn poëzie wel iets veranderd was, dat hij bijvoorbeeld kortere zinnen schreef. Na lezing kan ik dat bevestigen maar de zeggingskracht en de stijlmiddelen die Lucas voorheen gebruikte, zoals bijvoorbeeld de originele vergelijkingen, zijn nog volop aanwezig. Ook deze bundel heb ik met zeer veel plezier gelezen. Uit de bundel koos ik voor het gedicht ‘Liever andermans hortus’.
.
Liever andermans hortus
.
Je hebt jezelf. Daar woon je iedere dag in.
Of eigenlijk: af en toe. Vaak ben je voor
aanwezigheid te moe. Dan zit je op een stoel
en droom je er te zijn, er echt te zijn,
zoals de stoel er is, zijn taak nooit verzaakt.
.
Als je niet zit, loop je maar wat in jezelf rond.
Alsof je een tuin bent die steeds overwoekert,
die vol staat met planten, snakkend naar groeien of
snoeien. Je ziet het ijzerkruid, de gele ganzenbloem,
en toch, nooit vraag je je af wat zij hier doen.
.
Wanneer je niet loopt, lig je het liggen in jezelf uit.
Je denkt constant aan huid op huid. Zo zijn er vele
vormen van honger, maar er is er geen één die
langdurig kan worden gestild. Dus je dan maar weer
aan meisjes laven, weer een vette bek halen.
.
Je hebt jezelf. Al heb je nog meer de ander.
Daarom droom je dat er ooit iemand komt en blijft
zoals er in je hoofd maar één vorm van blijven is.
Je spreekt het niet uit, dus men vertrekt zonder te
weten waarom je dol bent op steenraket, op wolfsmelk.
.



