Maandelijks archief: december 2015
Kees Stip
Op een…
.
Kees Stip (1913 – 2001) was een Nederlands puntdichter en beroemd vanwege zijn dierengedichten. Vanaf 1951 schreef hij onder het pseudoniem Trijntje Fop honderden dierenversjes voor de Volkskrant.
Deze dierenversjes zijn bijzonder vormvast. Er wordt nooit met het metrum gesmokkeld: de versregels hebben zonder uitzondering vier heffingen. Het rijmschema is zonder uitzondering AABBCC (het zogenaamde gepaard rijm). Net als in een limerick wordt meestal ergens in het vers, vaak in de eerste regel, een plaatsnaam genoemd. De meeste van zijn dierenversjes bestaan uit zes regels; af en toe zijn het er acht en bij uitzondering een nog hoger even aantal. Er bestaat er ook een van twee regels. Af en toe bevatten de laatste regels een ouderwets geformuleerde pseudo-wijze les voor kinderen.
.
Op een kip
.
Een kip sprak peinzend tot een ei:
‘Wie was er eerder: ik of jij?
De wijsbegeerte mag misschien
op deze vraag geen antwoord zien,
maar ik heb, wat men ook mag zeggen,
nog nooit een ei een kip zien leggen.’
.
Op een koe
.
Een koe te Moskou sprak: ‘een koebel
kost amper anderhalve roebel.
en weet je wat ik heb ontdekt?
Een aardig klokkenspeleffect
bereikt men door met drie bellen
geweldig te gaan wiebelen.’
.
Met dank aan Wikipedia.
Fysici en Lyrici
Boris Sloetski
.
De dichter Boris Sloetski ( 1919-1986) werd geboren in Slavjansk (of Slovyansk), een industriestad die tegenwoordig in de Oekraïne ligt, in een typisch arbeidersmilieu. Boris volgde echter een literatuurstudie aan de Maxim Gorki instituut in Moskou. Sloetski’s poëzie behandelt vooral algemeen menselijke problemen. Hij schrijft oorlogslyriek vol pijn en vol trauma. Hij schrijft over individuele lotgevallen zonder sentimenteel of pathetisch te zijn. Een veelvoorkomend thema in zijn werk is de Joodse problematiek (antisemitisme en de Holocaust). Ook schrijft hij veel over ouderdom en dood. Een soort meta-thema in zijn werk is de didactische taak die hij ziet voor de dichter. Voor hem is de dichter “niet een telefoon- maar een telegraafdraad”. Sloetski was één van de dichters die Joseph Brodsky hebben beïnvloed.
Uit 1959 het gedicht ‘Fysici en Lyrici’ vertaald door Peter Zeeman.
.
Fysici en Lyrici
.
We houden fysici in ere.
Voor lyrici heeft niemand tijd.
Ik ben niet aan het speculeren,
het is een soort wetmatigheid.
.
We faalden dus in het onthullen
van wat ons te onthullen stond!
Dus onze jambetjes zijn prullen,
je komt er niet mee van de grond.
En onze paarden? Die ontberen
het Pegasus-gevoel geheid…
We houden fysici in ere,
voor lyrici heeft niemand tijd.
.
Dit alles is allang bewezen.
Geen mens die zich hiertegen kant.
Ach, pijnlijk hoeft dit niet te wezen,
nee, het is eerder interessant
te zien hoe onze rijmen slinken,
als schuim dat aanspoelt op het strand,
hoe grootsheid waardig weg zal zinken
in logaritme en verstand.
.
Boris Sloetski in 1945 als soldaat in het Rode leger.
Graf van Boris Sloetski op de Piatnitsky begraafplaats in Moskou (foto Christina Bedina)
Met dank aan Spiegel van de Russische poëzie en Wikipedia.
November
Zondag
.
Hoewel het december is lijkt het soms wel alsof het nog november is. Regenachtig, niet al te koud en grijs. Niet echt een goede reden om een gedicht met de titel ‘November’ te plaatsen van Herman de Coninck op de zondag maar ach, eigenlijk is elke reden om iets van hem te plaatsen een goede, nietwaar.
Uit: ‘De gedichten’ zijn verzameld werk het gedicht ‘November’.
.
November
.
Er hangen nog twee blaren
aan mijn esdoorn. Duizend andere zijn
rood geworden, alvorens dood.
Vergeten te kijken.
.
Vergeten gelukkig te zijn.
Nochtans had ik een tuin
waarin een stoel, en die stoel
had mij, en ik had een hand
.
en die hand had een glas
en mijn mond had meningen.
Alles had.
Alles had ons.
.
Kaart van Plint uit 1995, uit de reeks ‘De 10 Mooiste Van Herman de Coninck’. De illustratie ‘Zweef’ is van Wim Biewenga.
Ik misse u
Guido Gezelle
.
Vandaag heb ik zin in een klassiek gedicht, daarom het gedicht ‘Ik misse u’ van Guido Gezelle (1830 – 1899)
.
Ik misse u
.
Aan eenen afwezenden vriend
.
Ik misse u waar ik henenvaar
of waar ik henenkeer:
den morgenstond, de dagen rond
en de avonden nog meer!
.
Wanneer alleen ik tranen ween
’t zij droevig het zij blij,
ik misse u, o ik misse u zoo,
ik misse u neffens mij!
.
Zoo mist, voorwaar, zijn wederpaar
geen veugelken in ’t net;
zoo mist geen kind, hoe teer bemind,
zijn’ moeder noch zij het!
.
Nu zingt men wel en ’t orgelspel
en misse ik niet, o neen,
maar uwen zang mist de orgelklank
en misse ik al met een.
.
Ik misse u als er leugen valsch
wil monkelen zoo gij loecht,
wanneer gij zacht mij verzen bracht
of verzen mededroegt.
.
Ik misse u nog… waar hoeft u toch,
wáár hoeft u niet gezeid…
Ach! ‘k heb zoo dikwijls heimelijk
God binnen u geleid!
.
Dáár misse ik u, dáár misse ik u
zoo dikwijls, en ik ween:
geen hope meer op wederkeer,
geen hope meer, o neen!
.
Geen hope, neen, geen hoop, geen kleen,
die ’t leven overschiet’;
maar in den schoot der goede dood
en misse ik u toch niet?
.
Uit: Gedichten, 1985
Quilt
Gedichten op vreemde plekken
.
In mijn nimmer aflatende zoektocht naar poëzie op vreemde plekken kwam ik op de website van Hannie de Beer, textielkunstenares, een quilt tegen ( die Hannie had gekregen van Liesbeth Wessels, ook al zo handig met textiel) met daarin verwerkt een gedicht vrij naar een vers van de toenmalige stadsdichter (het bericht is uit 2012) Piet van den Boom, getiteld ‘Voor Hannie’.
.
Voor Hannie
.
Zij is een dame, mooi en dynamisch
aan weinig ziet men haar leeftijd af
wie haar niet kent, ziet haar wellicht
als liefhebber van moderne materialen
.
Ja, zij houdt van klare lijn en kloeke vorm
maar gruwt van namaak,
zij omringd zich daarom graag
met verf, stoffen en stempels.
.
Zij is gastvrij en waakzaam
en zet niet zomaar alles in de etalage
want een echte dame
pronkt niet met haar parels
.
Skyfall
Lord Alfred Tennyson
.
Soms komen werelden bijeen waarvan je misschien niet zo snel verwacht dat ze bij elkaar komen. Dat gevoel kreeg ik toen ik afgelopen week naar de James Bond film Skyfall zat te kijken. M. het grote opperhoofd van de 00 agenten, citeert tijdens een ‘hearing’ door de, voor haar verantwoordelijke, minister een strofe uit het gedicht ‘Ulysses’ van Lord Alfred Tennyson.
Het is overigens niet de eerste keer dat dit gedicht redelijk prominent in een film voorkomt. Al eerder was het te horen in Dead poets society, maar dat is een film (qua titel en inhoud) waar je een dergelijk gedicht eerder verwacht dan in een actiefilm.
Het gebruik van deze strofe sluit echter heel mooi aan bij waar het in deze scene van de film omgaat. Hoewel Ulysses en zijn zeemannen niet meer zo sterk zijn als in hun jeugd, zijn ze “sterk in wil” en worden ondersteund door hun vastberadenheid om verder “meedogenloos te streven, te zoeken, te vinden, en niet toe te geven”.
.
Ulysses
It little profits that an idle king,
By this still hearth, among these barren crags,
Matched with an aged wife, I mete and dole
Unequal laws unto a savage race,
That hoard, and sleep, and feed, and know not me.
I cannot rest from travel;
I will drink Life to the lees.
All times I have enjoyed
Greatly, have suffered greatly, both with those
That loved me, and alone; on shore, and when
Through scudding drifts the rainy Hyades
Vext the dim sea. I am become a name;
For always roaming with a hungry heart
Much have I seen and known–cities of men
And manners, climates, councils, governments,
Myself not least, but honored of them all,–
And drunk delight of battle with my peers,
Far on the ringing plains of windy Troy.
I am a part of all that I have met;
Yet all experience is an arch wherethrough
Gleams that untraveled world whose margin fades
For ever and for ever when I move.
How dull it is to pause, to make an end,
To rust unburnished, not to shine in use!
As though to breathe were life! Life piled on life
Were all too little, and of one to me
Little remains; but every hour is saved
From that eternal silence, something more,
A bringer of new things; and vile it were
For some three suns to store and hoard myself,
And this gray spirit yearning in desire
To follow knowledge like a sinking star,
Beyond the utmost bound of human thought.
This is my son, mine own Telemachus,
To whom I leave the scepter and the isle,
Well-loved of me, discerning to fulfill
This labor, by slow prudence to make mild
A rugged people, and through soft degrees
Subdue them to the useful and the good.
Most blameless is he, centered in the sphere
Of common duties, decent not to fail
In offices of tenderness, and pay
Meet adoration to my household gods,
When I am gone. He works his work, I mine.
There lies the port; the vessel puffs her sail;
There gloom the dark, broad seas.
My mariners, Souls that have toiled, and wrought, and thought with me,
That ever with a frolic welcome took
The thunder and the sunshine, and opposed
Free hearts, free foreheads–you and I are old;
Old age hath yet his honor and his toil.
Death closes all; but something ere the end,
Some work of noble note, may yet be done,
Not unbecoming men that strove with gods.
The lights begin to twinkle from the rocks;
The long day wanes; the slow moon climbs; the deep
Moans round with many voices. Come, my friends,
‘Tis not too late to seek a newer world.
Push off, and sitting well in order smite
The sounding furrows; for my purpose holds
To sail beyond the sunset, and the baths
Of all the western stars, until I die.
It may be that the gulfs will wash us down;
It may be we shall touch the Happy Isles,
And see the great Achilles, whom we knew.
Though much is taken, much abides; and though
We are not now that strength which in old days
Moved earth and heaven, that which we are, we are,
One equal temper of heroic hearts,
Made weak by time and fate, but strong in will
To strive, to seek, to find, and not to yield.
.
Met dank aan http://www.poets.org, sparknotes.com en Youtube.
Verloofden
Pierre Kemp
.
De dichter en kunstschilder Pierre Kemp (1886 – 1967) woonde zijn hele leven in Maastricht (op een jaar Amsterdam na, waar hij zo’n heimwee kreeg dat hij al snel terugkeerde naar zijn geboorteplaats). Tientallen jaren reisde hij met de trein van Maastricht naar Eygelshoven waar hij bij de mijn ‘Laura’ werkzaam was. Tijdens die vele treinreizen schreef hij veel van zijn poëzie. Pierre Kemp had vele anonieme muzen. Naar aanleiding van contacten en gesprekken die hij had tijdens de vele treinreizen schreef hij menig gedicht.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw was zijn meest succesvolle periode. In die periode ontving hij maar liefst 4 belangrijke poëzieprijzen waaronder de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooft-prijs voor zijn gehele oeuvre.
Uit ‘Verzameld werk’ uit 1976 het gedicht ‘Verloofden’.
.
Verloofden
.
Als hij mij een hand geeft,
kleedt hij mijn vingers uit.
Toch verlang ik zo naar dit
contact met mijn huid.
Als hij met een vinger de split
van mijn vingers beroert, word ik rood
en voel ik mijn schoot.
Wij glimlachen, het doet ons goed.
Is het wel, als het moet?
Maar ik geef toe
en doe, en doe, en doe.
.
Foto: Henri de Bouter
Beeld van Pierre Kemp in het stadspark in Maastricht.
Foto: Pivos
Sterf
Echte mannen scheiden niet
.
De bundel ‘Echte mannen scheiden niet’ kwam enige jaren voor 2012 (datum van publicatie) tot stand nadat de auteurs Rick de Leeuw en Erik Jan Harmens ongeveer tegelijkertijd in een echtscheiding terecht kwamen. Verdreven van huis en haard schreven de twee mannen elkaar via e-mail en sms rauwe, uitdagende en virtuoze duetten. Tot zover de aankondiging achter in deze bundel. Rick de Leeuw (oud voorman van de band Tröckener Kecks en schrijver/dichter) en Erik Jan Harmens (schrijver/dichter en voormalig kampioen poetry slam) schrijven in deze bundel vol ironie en zelfbeklag de ellende van een scheiding van zich af. Wie verantwoordelijk is voor welk deel van de gedichten is niet duidelijk maar eigenlijk maakt dit ook niet uit. Voor mannen in scheiding is er denk ik veel waar ze zich in kunnen herkennen en voor alle anderen is er veel te genieten als je van rauwe poëzie houdt met ballen.
.
Uit de bundel uit 2012 van Lebowski achievers het gedicht ‘Sterf’.
.
Sterf
.
Ik reed naar mijn kot met jouw stuk in mijn kraag
slijm schraapte mijn keel in mijn baard
plas de brand uit en waak want de nachtzuster slaapt
we ruilen van hoofd en we ruilen van romp
breng water mee, straks is het stil
‘krekels, shut the fuck up’
.
Het bed jeukt me wakker
verstrikt in een wirwar van stinkende leugens
de nacht zoemt, mijn hoofd gonst, de tijd dreunt
‘waarom’ is allang niet meer de vraag.
Hoe kom ik hier weg?
Een gestripte wagen met fikkende banden
is het antwoord dat wacht op de hoek van de straat
.
Langs de kant van de weg ventte mijn moeder jonge poesjes
mijn broer hosselde er een vlooienkam bij
zo harkte we het ene hongerloon bij het ander
smac plus smac werd steak
toen ik van jouw kot naar het mijne reed
overdacht ik mijn zonden als beleggingen
.
Ik waggel als John Wayne de laatste zonsopgang tegemoet
in een nooit geleefd verleden heette dit idyllisch
een bak zand tot het schrijnt daar waar het schuurt
en dorst tot het eind
Eight days a week
C. Buddingh’
.
Vandaag een gedicht van C. Buddingh’. Deze dichter heeft vele mooie gedichten geschreven maar dit vind ik persoonlijk toch wel één van zijn mooiste. Ik kan me zo goed voorstellen hoe dit gedicht tot stand is gekomen. Kees Buddingh’ in Dordrecht voor het raam zijn vrouw nakijkend terwijl ze naar de stad gaat en bedenkt dat hij haar kan nakijken als ze de een of de andere route kiest. Vertederd door deze gedachte schrijft hij op wat hij meemaakt. Zo schrijf je de meest prachtige en liefdevolle poëzie.
Uit: ‘Gedichten 1938 – 1970’ uit 1979.
.
Eight days a week
.
als mijn vrouw met de bus naar de stad gaat
hoop ik altijd dat ze halte ziekenhuis instapt:
dan kan ik haar net zo lang nakijken
als wanneer ze halte vogelplein neemt
en zie ik haar bovendien nog een keer
voorbijkomen in de bus
.
.
Zoals het strand en de zee
Herman de Coninck
.
Vandaag heb ik gekozen voor een van de ‘Verspreide gedichten’ uit het verzameld werk van Herman de Coninck ‘De gedichten’. Het betreft hier het gedicht ‘Zoals het strand en de zee’ dat verscheen in o.a. De Vlaamsche gids, jaargang 66, nr. 6 uit 1982, Gedichten , 1983 (Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen) en in Maatstaf, jaargang 32, nr. 5 uit 1984. Een gedicht kortom dat begin jaren 80 van de vorige eeuw enige populariteit genoot. En ik begrijp heel goed waarom.
.
Zoals het strand en de zee:
jij gaat nooit weg. En ik
kom altijd terug. het is bijna zo goed
.
als blijven. Voor een jawoord
is het te laat.
Maar je zegt niet nee.
.
















