Site-archief
Erotiek in poëzie
Dana Hokke
.
In 2000 schreef de Groene Amsterdammer over de toen 70 jarige ‘vergeten’ dichter Dana Hokke (alias van Dana Constandse). Deze dichter publiceerde in 1982 de bundel ‘Gebroken wit’ maar in de jaren daarna was slechts sporadisch nieuw werk van haar te lezen. Gedichten verschenen in Hollands Maandblad, Lust & Gratie, Maatstaf en in de poëziekalender van Meulenhoff maar ook in het Vlaamse Gierik en het besloten Tijdschrift Ons Kent Ons (TOKO).
Het hele artikel kun je hier lezen https://www.groene.nl/artikel/wie-schrijft-die-blijft-4
Uit haar bundel een erotisch gedicht getiteld ‘Vergelijking’.
.
Vergelijking
.
Het paren van nijlpaarden
is minstens zo subtiel
als onze logge bezigheid
in bed. Ook hier
stroomt Gods water echter
opgewekt over de akkers
of onbekommerd de delta in
al naar gelang het
zo uitkomt.
.
27 gedichten en geen lied
Ramsey Nasr
.
Hoewel hij Dichter des Vaderlands was en de tweede stadsdichter van Antwerpen, treed hij tegenwoordig vooral weer op als acteur van de Toneelgroep Amsterdam. Productie van zijn poëzie staat op een laag pitje. Hij is dan ook niet voor niets dichter, schrijver, essayist, acteur, regisseur en librettist (tekstschrijver van muzikale stukken). Toch blijft Nasr voor mij vooral dichter. Daarom uit zijn bundel ’27 gedichten en geen lied’ uit 2000, het gedicht ‘Wie weet mij eindelijk’.
.
Wie weet mij eindelijk
Wie weet mij eindelijk, welke dodentolk,
Te doen bedaren in gezworen haat.
Ik volg de vaderen om vroeg en laat
Mijn land te zien. Ik leef tegen een volk
dat zebrapaden aanlegt over wonden,
Dat boven onze botten steen op steen
Bewoont, dat leven wil voor zich alleen.
Leeft dan in angst. Ons bloed wordt niet geronnen.
Op hoeveel scherven vlees weerkeert het recht.
En opgeblazen domme wraak en gal
Is wat er rest, als hersenen gaan denken.
‘Men mag een mens een leven niet ontschenken.
Ik hoop dat ik geen bommen maken zal.’
.
Lichtval
Mark Boog
.
Schrijver en dichter Mark Boog (1970) debuteerde in 1995 als dichter in het tijdschrift ‘De Appel’. Daarna was hij actief in een schrijverscollectief dat onder meer het tijdschrift ‘Mondzeer en de Reuzenkreeft’ uitgaf. In 2000 verscheen zijn eerste dichtbundel ‘Alsof er iets gebeurt’, waarmee hij de C. Buddingh’-prijs won. In 2006 won hij de VSB Poëzieprijs voor zijn bundel ‘De encyclopedie van de grote woorden’.
Boog publiceert bovendien in literaire tijdschriften als ‘Hollands Maandblad’ en ‘De Gids’. Zijn werk wordt gekenmerkt door een combinatie van alledaagsheid en wanhoop. Dit geldt zowel voor zijn taalgebruik als voor zijn onderwerpskeuze.
Uit zijn debuutbundel het gedicht ‘Lichtval’.
.
Lichtval
.
Als ineens de zon de schaduwen
opzij veegt naar de verste hoeken van de
kamer, kijken we op maar zeggen niets.
,
Ik buig me naar het stof, neem af,
jij strekt een been om naar de keuken te gaan.
De richting staat elegant gecomponeerd
lichtval te verdragen.
.
Over de tafel hangt een gesprek.
We hebben het verlaten,
we bewegen ons nu schuchter door het huis,
de gevangenis van het schilderij ontwijkend.
.
Het is te mooi hier om waar
te zijn, we ontkennen dat – we leven nog.
.
Sign O’ The Times
Prince Rogers Nelson (1958 – 2016)
.
Donderdag 21 april is Prince op veel te jonge leeftijd overleden. Dat zal niemand ontgaan zijn. Ik was vooral in de beginjaren fan van Prince, maar jarenlang daarna heb ik hem nog gevolgd en zijn muziek gekocht. In augustus 1986 heb ik een concert van hem bezocht in Sportpaleis Ahoy in Rotterdam en dat was één van de meest memorabele concerten die ik in mijn leven heb bezocht. De show, de muziek, de totaalbeleving.
Uit de vele artikelen die de laatste dagen zijn verschenen komt steeds weer het beeld naar voren van Prince als vernieuwer van de muziek en de muziek scene. Maar ook in zijn teksten was Prince een verhaal apart. Hoewel hij in het begin vooral bekend stond om zijn seksueel getinte teksten (hierdoor kreeg hij de bijnaam His Royal Badness) kregen zijn nummers steeds meer inhoud. Het nummer ‘1999’, het meest gespeelde nummer ever tijdens de jaarwisseling naar 2000 toe, was zijn doorbraak (geschreven in 1982). het wordt beschreven als een apocalyptisch dansnummer. De albumversie begint met de langzaam gesproken zin “Don’t worry, I won’t hurt you. I only want you to have some fun.” welke gesproken door God moet voorstellen.
Ook in andere nummers laat Prince zien over inhoud te beschikken, denk aan ‘Purple rain’ en vooral ‘Sign O’The Times’. Dit laatste nummer behoort samen met ‘Alfabet Street’ en ‘Kiss’ tot mijn favoriete Prince nummers. Als je de tekst van ‘Sign O’ The Times’ leest (en dit lukt je zonder automatisch mee te gaan zingen) dan blijkt dit over een zekere poëtische kracht te beschikken. Het leest als een gedicht van een (tekst)dichter die probeert af te rekenen met de problemen die de mensheid bedreigen. Het nummer beschrijft het bedroevende beeld van de Verenigde Staten in 1986/87 en handelt over moeilijke onderwerpen als aids, straatbendes, natuurrampen, armoede, drugs, Iran-Contra, Space Shuttle Challengerramp en de kernoorlog. In de laatste alinea of strofe komt na alle narigheid een omkering en een vleugje hoop en lijkt Prince op te roepen om elkaar toch vooral lief te hebben.
.
Sign O’ The Times
In France, a skinny man died of a big disease with a little name
By chance his girlfriend came across a needle and soon she did the same
At home there are seventeen-year-old boys and their idea of fun
Is being in a gang called ‘The Disciples’
High on crack and totin’ a machine gun
Time
Times
Hurricane Annie ripped the ceiling of a church and killed everyone inside
You turn on the telly and every other story is tellin’ you somebody died
A sister killed her baby ‘cause she couldn’t afford to feed it
And yet we’re sending people to the moon
In September, my cousin tried reefer for the very first time
Now he’s doing horse – it’s June, unh
Times
Times
It’s silly, no?
When a rocket ship explodes and everybody still wants to fly
But some say a man ain’t happy unless a man truly dies
Oh why?
Time
Time
Baby make a speech, Star Wars fly
Neighbors just shine it on
But if a night falls and a bomb falls
Will anybody see the dawn?
Time, mm
Times
Is it silly, no?
When a rocket blows and, and everybody still wants to fly
Some say man ain’t happy truly until a man truly dies
Oh why, oh why?
Sign o’ the times, unh
Time
Time
Sign o’ the times mess with your mind
Hurry before it’s too late
Let’s fall in love, get married, have a baby
We’ll call him Nate
If it’s a boy
Time
Times
Times
Time
.
Waarom schrijf ik?
Toon Tellegen
.
Vorige week hoorde ik op radio 3FM een deejay die vertelde dat hij elke avond zijn vriendin een verhaaltje voorlas van Toon Tellegen (of zij hem). Als dat geen echte liefde is. Reden om weer eens iets van Toon Tellegen te lezen (elke reden is een goede reden wat mij betreft). Omdat ik over poëzie schrijf, geen verhaaltje maar een gedicht.
Het gedicht ‘Waarom ik schrijf’ vind ik typerend voor Toon Tellegen. Op een luchtige toon een zwaar onderwerp behandelen. En als je dat dan ook nog op zo’n mooie manier kan, dan deel ik dat graag met jullie.
Uit ‘Gedichten 1977 – 1999’ uit het jaar 2000 het gedicht ‘waarom ik schrijf’.
.
Waarom ik schrijf
.
Ik schrijf om dat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.
.
Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven –
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen:
ik ben gelukkig.
.
Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.
.
Liedje voor de pijn
Jan Willem Otten
.
Schrijver/dichter Jan Willem Otten heeft een veelzijdig oeuvre opgebouwd van poëzie, verhalend proza, toneel, kritieken, artikelen, beschouwingen en essays. In 1973 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Een zwaluw vol zaagsel’ waarna hij nog elf dichtbundels publiceerde. Van 1989 tot 1996 was hij redacteur van ‘Tirade’.
Voor zijn poëzie ontving hij de Reina Prinsen Geerligsprijs, de Herman Gorterprijs en de Jan Campertprijs. Uit zijn bundel ‘Eerdere gedichten’ uit 2000 het gedicht ‘Liedje voor de pijn’.
.
Liedje voor de pijn
.
Een mevrouw loopt door de gang
met in een zilveren kom haar plas.
.
Zij zingt in zich zelf
van de pijn van vannacht
zo waaiend verwoestend
dat zij zich moest krimpen
tot iets van niks, tot pluisje
drijvend op die wind.
.
Het woei niet weg
het woei niet mee
is niet verpletterd
maar bestaat nog steeds
ook nu de pijnwind ligt.
.
Straks wordt zij zwaar
en bang voor nieuwe wind
voor splijten als een eik.
.
Maar hedenmorgen is zij
vederlicht. O bleef ik zo,
voor altijd zonder wil,
.
zingt de mevrouw op onze gang.
Haar zilveren kom spoelt zij nu om.
.
Als je een konijn vraagt
Statistiek en poëzie
.
Dit is een tussen berichtje. Gister plaatste ik mijn 2000ste bericht op dit blog. Sinds november 2011, toen ik gedwongen overstapte van web-log.nl naar wordpress, waren dat 1583 berichten. Daarvoor dus 417. Inmiddels moet ik soms zelf even terugzoeken of ik al eens eerder heb geschreven over een bepaald gedicht of onderwerp.
Sinds oktober 2007, toen ik mijn eerste bericht plaatste dus 2000. Dat is gemiddeld 20 berichten per maand. Overigens plaatste ik de afgelopen drie jaar dagelijks een bericht, het gemiddelde wordt gedrukt door het onregelmatig plaatsen van berichten in de beginperiode.
Voor de liefhebbers van poëzie die niks met cijfers hebben is dit natuurlijk een waardeloos bericht. Daarom, speciaal voor die mensen (en voor alle andere ook trouwens) toch een gedicht. In dit geval van Rudy Kousbroek over cijfers. En Konijnen.
.
Als je een konijn vraagt
Als je een konijn vraagt
Hoeveel is twee keer twee,
Dan is het antwoord tien;
En twee keer drie is twaalf,
En drie keer drie is eenentwintig.
Want het konijnenstelsel is viertallig,
Dat staat in verband met de constante
Hoeveelheid poten per konijn,
En ook per poot het aantal tenen.
Toch zijn konijnen
In rekenen niet altijd meesters;
Hun optellen lijkt nergens naar,
Hun staartdelingen schieten te kort,
Breuken, daar maken ze niets van.
Maar vermenigvuldigen, daar zijn ze goed in,
En ze weten ook goed raad met wortels:
Het aantal oren, tel ze maar,
Is de wortel uit het aantal poten.
.




















