Site-archief
Winter
Johanna Kruit
.
Nu het weer wat begint om te slaan van nazomers zwoel tot verfrissend koel maken we ons op voor de winter. De vraag die ik me regelmatig stel is: krijgen we nog een winter? Of wordt het een soort van doorgaande lijn van nat en grijs herfstweer tot aan maart wanneer de vroege lente inzet? Ouderwetse winters met ijs op de sloten en sneeuw die tegen de voordeur kruid, zullen we ze nog kennen in de toekomst. De aarde warmt op door onze verslaving aan fossiele brandstoffen, de zomers worden daardoor langer en heter (met alle ellende van uitdroging en bosbrandgevaar als gevolg) en de winters? Die worden ook warmer. Een Elfstedentocht? ‘It giet oan!’ zal vrees ik nooit meer klinken hoe spijtig ook. Sneeuw verdwijnt als, tsja sneeuw voor de zon eigenlijk, wintersport wordt iets van vroeger en de gletsjers smelten weg. Geen vrolijk vooruitzicht.
Toen winters nog winters waren schreef, de dit jaar overleden, dichter Johanna Kruit (1940-2026) hier een gedicht over. Over hoe een winter was, over een sneeuwman en over poëzie. Voor eenieder die aan de koude dicht gesneeuwde winters mooie herinneringen heeft wil ik hier het gedicht ‘Winter’ delen uit haar bundel ‘Zeegrens’ gedichten 1980-2000 dat verscheen in 2011. En laten we met dit gedicht hopen dat, waar ik hiermee begon, meevalt, dat we toch nog ergens ijs krijgen en sneeuw. Al is het maar om niet te vergeten hoe koud en wit de winters ooit waren.
.
Winter
.
Daar is de winter. Ik kom uit bed
en juich. De wereld groeide dicht vannacht.
Vol kleine stapjes staat de tuin. Gedacht
wordt aan een vogel uit een oud verhaal. Ik zet
.
een sneeuwman voor het raam waarachter
jij te lezen zit. Ik weet nog niets van poëzie
of Roland Holst. Een winter aan zee
is wat ik heel tevreden heb. Nachten
.
lang legt sneeuw zich in mijn hoofd
wanneer ik slaap. Jij leest en schrijft
jezelf naar buiten toe terwijl je binnen blijft
en mij zo nu en dan een wandeling belooft
.
die je niet maakt. Ik zie aan je gezicht
dat deze winter je steeds meer verdicht.
.
Oude winter
Glad en wijd ligt het ijs
.
Het zal een paar weken geleden zijn toen de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden (ja dat is de officiële naam) bekend maakte dat de Elfstedentocht dit jaar niet door zou gaan. Op een moment dat er nog geen sprake was van enige vorst, in een snel opwarmende wereld waarin het de vraag is of er überhaupt ooit nog een Elfstedentocht verreden gaat worden vond ik dit een wonderlijk bericht. Men maakte dit bekend in verband met de Corona crisis. Maar bijzonder blijft het wel.
Ik moest hieraan denken toen ik de bundel ‘Glad en wijd ligt het ijs’ De mooiste schaatsgedichten uit de Nederlandse en Friese literatuur uit 1999 ter hand nam. Deze bundel met schaatsgedichten, gekozen door Max Dohle en (oud schaatser) Ben van der Burg biedt een mooi overzicht van schaatsgedichten door de tijden heen. Ik koos voor het gedicht ‘Oude winter’ van E. den Tex oorspronkelijk uit de bundel ‘Slagzij’ uit 1942 waarin de dichter een welhaast vooruitziende blik heeft al kan het zijn dat ik de laatste twee zinnen anders lees dan de dichter ze bedoeld heeft. Emile den Tex (1918 – 2012) was de vader van schrijver Charles den Tex, dichter, petroloog, avonturier en prozaïst.
.
Oude winter
.
Mijn vader brak altijd het ijs
vroeg in de winter in de tuin;
wij zochten door het bijtgat schuin
naar goudvissen in ’t stilstaand grijs.
.
En als zijn stok het niet meer brak,
nam hij de schaatsen uit het vet;
de dromen van ons kinderbed
werden als ijsbootzeilen strak.
.
Wij gleden weg naar Ilpendam,
soms stopt’ hij even, las de kaart
en streek wat rijpwit van zijn baard.
Maar ’s avonds zweeg hij in de tram.
.
De tijd dat vader ’t ijs nog brak
is een steeds wijderwordend wak.
.





