Site-archief

Antjie Krog

Die afsienbare

.

Een van de dichters die een grote indruk op mij heeft gemaakt tijdens de Nacht van de Poëzie was Antjie Krog (1952). Deze Zuid Afrikaanse schrijver, dichter en academicus is bekend om haar Zuid Afrikaanse poëzie maar ook om haar verslaggeving over de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Haar literaire carrière begon in 1970, toen ze, ten tijde van de apartheid, een anti-apartheidsgedicht schreef getiteld ‘My mooi land’ (Mijn mooie land) voor het schoolblad. Het gedicht opende met de regel: ‘Kyk, ek bou vir my ’n land / waar ’n vel niks tel nie’ (Ik bouw een land voor mezelf waar huidskleur er niet toe doet).

Niet lang daarna, in 1970, verscheen haar debuutbundel ‘Dogter van Jefta’ waarna nog vele bundels zouden volgen. Haar poëzie is vaak autobiografisch en bevat reflecties op liefde en de verantwoordelijkheden van kunstenaars. Sinds de jaren tachtig behandelt ze vaak thema’s als raciale en genderpolitiek.

Tijdens de Nacht van de Poëzie bracht ze verschillende klankgedichten over een bonte stoet (Afrikaanse) dieren. Op onnavolgbare wijze de verschillende geluiden die deze dieren maken, nabootsend. Tel daarbij de voordracht in het Afrikaans op en je kunt je iets voorstellen over hoe bijzonder dat was. In de festivalbundel is haar gedicht ‘Die afsienbare’ opgenomen. Geen klankgedicht maar zeker de moeite waard.

.

Die afsienbare

.

in de littekens van ons heilige holtes

lispel die sluwe sigbaarmaking van sterwe

.

vertaald en gespeld in ou bysiende

vleeslae is dit eenklaps winter

.

ons veg teen mekaar    twee gehawende

leeus: hoe stomper ons tande hoe stinker ons tonge

.

Klankdicht

Antony Kok

.

Als de dichter Antony Kok (1882-1969) al bekend is bij de poëzieliefhebber dan is dat als medeoprichter van het internationaal vermaarde kunsttijdschrift De Stijl en de schrijver van één gedicht: ‘Nachtkroeg’. De bekendheid van ‘Nachtkroeg’ is te danken aan Paul Rodenko, die het gedicht in 1954 opnam in zijn bloemlezing uit de poëzie der avant-garde: Nieuwe griffels schone leien. Op 17 maart 2013 schreef ik over deze bundel en mijn bijzondere exemplaar https://woutervanheiningen.wordpress.com/2013/03/17/nieuwe-griffels-schone-leien/. Inderdtijd was Kok daar toen wel blij mee. Hij had er zich al bij neergelegd dat zijn literaire werk in de vergetelheid zou raken.

In de periode tussen 1915 en 1923 stortte Kok zich in het avontuur van de experimentele literatuur. Dit werd mede veroorzaakt door zijn vriendschap met schilder, architect en schrijver Theo van Doesburg (1883-1931).  Vanaf het begin hebben ze in een briefwisseling elkaars ideeën over kunst en literatuur toevertrouwd. Van Doesburg probeerde zijn vriend tot grotere literaire prestaties te stimuleren. Op 11 februari 1916 schrijft hij aan Antony Kok: ‘Verzen lezen is verzen luisteren. Men leest de woorden en luistert naar den zin er van in zijn binnenste. Zoo heb ik je verzen gelezen: beluisterd’. Maar Van Doesburg wil meer van Kok: ‘ Je verzen zeiden me niet genoeg. Stuur mij verzen, die mij brengen, waar geen sterveling geweest is. Stuur mij verzen, die mij optillen van mijn stoel en mij plaatsen in den hemel. Naar zulke verzen snak ik!’

In 1920 schreven Piet Mondriaan, Theo van Doesburg en Antony Kok hun ideeën op in ‘De Stijl’ een manifest over de literatuur: over de oude en de nieuwe kunst, het individuele versus het universele en de hervorming van de kunst en cultuur. Op alle gebieden van de kunst en cultuur dus ook op die van de poëzie. Het gedicht ‘Klanken’ uit 1916 is een typisch voorbeeld van de beoogde nieuwe poëzie. In een aantekening geeft Kok aan dat hij de op straat door een voorbijganger uitgesproken zin: ‘De straat daar rechts daar zullen we heen’ verstond als ‘Statewets da wubbel dahee’.

.