Site-archief
Onderweg naar hier en later
Een recensie
.
Via zijn website http://gewogenwoorden.be/ maakte ik kennis met de poëzie van Koen Snyers (1966). Vanaf het moment dat ik op zijn site begon te lezen wist ik dat ik te maken had met iemand die kon dichten. Ik schreef een commentaar en van het één kwam het ander.
Zijn poëziebundel ‘Onderweg naar hier en later’ is uitgegeven door zijn eigen uitgeverij Zeghetmettekst (http://zeghetmettekst.be/) een uitgeverij van poëzie, prozapoëzie en poëzieproza. De bundelcover is geïllustreerd door Lies Schroeyen. De bundel bevat 40 gedichten en is onderverdeeld in 5 delen met als verbinding 4 regels met als leidend motief ‘Onderweg’.
Dit is een verwijzing naar de titel en derhalve zou je verwachten dat het thema van deze bundel Onderweg is. En in zekere zin is dat ook zo. Onderweg in de tijd, onderweg in een relatie, onderweg met de trein en zelfs het (stromende) water dat een aantal keer terugkeert is onderweg. In grote lijnen worden een relatie beschreven (van de dichter en zijn geliefde, van een niet nader genoemde vrouw en man), het reizen met de trein en het stadsleven. Steeds vanuit een ander oogpunt maar met een rode draad die je al lezend gaat herkennen.
De gedichten zijn in klare taal, toegankelijk en met mooie poëtische vondsten als / Is dat zo: kunnen we met het glas / halfvol blijven klinken op de liefde? en / Ze vertelt over de eerste woorden die hij / sprak: ze rijmden niet. Of hij en zij ooit / met elkaar te rijmen zouden zijn, dat / wist ze niet.
Hier en daar wordt Koen wat kwistig met taalgrapjes zoals in het laatste gedicht krenterig / krentenbrood, koffie pruttelt, mijn lief houdt zich stil, roeren in onze koffie/ en zijn het roerend eens maar nergens had ik de neiging om zinnen over te slaan. In mijn geval betekent dat, dat de dichter een toon aanslaat of een geluid heeft gevonden waarin je vanzelf mee gevoerd wil worden.
Naar het einde van de bundel lezend ga je de verbanden zien en herken je zinnetjes uit eerdere gedichten. De gedichten zijn los uitstekend te lezen maar als geheel voegen ze een extra dimensie toe aan de leesbeleving.
De tekst op de achterflap meldt: Deze bundel is meer dan een verzameling van losse (proza)gedichten: hij leest als een poëtisch verhaal met miniatuurschetsen en toevallige ontmoetingen. Als lezer waan je je onderweg in het leven van alledag, met sprongen in tijd, ruimte en hoofd.
Ik kan het daar alleen maar eens mee zijn.
Uit de bundel het gedicht ‘Halte een’
.
Halte een
.
Halte een, elf minuten vertraging.
.
Scholieren overrompelen het treinstel en mijn ge-
moed met veel rumoer. Anderen stappen geruisloos
in de trein om naar hun werk te sporen.
.
Een vrouw komt recht tegenover mij zitten. Haar
aanwezigheid tempert het rumoer en mijn gemoed.
.
Ik schat haar een jaar of dertig – ja, ik zou zelfs de
leeftijdsjaren van mensen tellen, als dat kon.
.
Gelooft u nog in de liefde? vraag ik aan de vrouw.
U mag mij tutoyeren, zegt ze, seconden stelend om
na te denken over mijn vraag.
Tutoyeer mij ook maar, zeg ik en ik herhaal: geloof
jij nog in de liefde?
.
Met het glas halfvol kan je blijven klinken op de
liefde, antwoordt ze.
.
De bundel ‘onderweg naar hier en later’ is te koop voor € 11,- (exclusief verzendkosten) via de website gewogenwoorden.be
33-27
Herman de Coninck in Tirade
.
Zondag, dus Herman de Coninck. In het literair tijdschrift ‘Tirade’ verschenen in 1978 (jaargang 22) een aantal gedichten van Herman de Coninck. Het gedicht ’33-27′ vind ik persoonlijk erg mooi, grappig en ontroerend.
.
Son-net
Christine D’haen
.
Christine D’haen (1923 – 2009) was een Vlaams dichter die in 1948 debuteerde in Dietse Warande en Belfort en in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Hoewel ze zichzelf als agnost zag speelde het katholieke milieu waarin ze opgroeide en leefde een grote rol in haar werk.
In 1958 verscheen haar dichtbundel ‘Gedichten 1946-1958’. Deze gedichten bezitten een klassiek vormschema dat nogal opvallend was in de tijd van de Vijftigers , die er een veel uitbundigere stijl op na hielden. Haar gedreven poëtisch werk kenmerkt zich door een retorisch taalgebruik met beladen symboliek, een poëtisch-technische begaafdheid, een enorme taalrijkdom, een ongeziene verbeeldingskracht en een zintuiglijke geladenheid. Meermaals komen er verwijzingen terug naar de Griekse mythologie. Om het de lezer wat makkelijker te maken, voegde ze veelal voetnoten toe.
Christine D’haen was tot haar dood actief en kreeg tijdens haar leven verschillende literaire prijzen zoals de Prijs van de stad Gent, De Anna Bijnsprijs der Nederlandse letteren en De grote prijs der Nederlandse letteren.
Uit haar bundel ‘Merencolie’ uit 1993 het gedicht ‘Son-net’.
Son-net
Klimmend naar ’t zenit zoekt zij die haar licht
in ’t lichaam stort, blind van gestolde glans,
met bevende transgressie naar zijn trans,
doch voelt door bijstere nacht zijn blik gericht
op zijn in zich verzengd eigen gezicht
weerkaatsend hun oorspronkelijk dubbelnaakt,
of ’t oog gesperd de waterspiegel raakt
waar de beminde knaap verdronken ligt,
dan duikt hij naar haar schimmige tweeling-vacht,
of splijt hij met zijn vlijm gesloten schacht,
met gouden tong likkend een duister gras
ondersteboven in een woudmoeras,
of daar in zilveren ketenen gekneld
met goud bespat verzonken vrouwenspeld.
.
Met dank aan Wikipedia
Endre Ady
Verwant van de dood
.
Endre Ady (1877 – 1919) was een Hongaars dichter die zijn poëzie in een volkse stijl schreef en wiens werk sterk beïnvloed werd door dichters als Charles Baudelaire en Paul Verlaine. In zijn gedichten maakte hij vaak gebruik van het Symbolisme en thema’s als God, Hongarije en het gevecht tot overleven.
Ik ken Endre Ady als dichter al sinds 1998 toen ik voor de eerste maal de bibliotheek in Hatvan bezocht. Deze Hongaarse zusterstad van Maassluis heeft haar bibliotheek vernoemd naar deze beroemde Hongaarse dichter. Het is een heel normale zaak in Hongarije om bibliotheken naar beroemde schrijvers en dichters te noemen, heel anders dan in Nederland waar dat naar mijn weten nog nooit is gedaan.
In vertaling zijn er een aantal gedichten van Endre Ady verschenen waaronder het gedicht ‘Verwant van de dood’ in vertaling van Ankie Peypers uit 1969.
.
Verwant van de dood
.
Ik ben een verwant van de dood
en bemin de vluchtige liefde.
Ik houd ervan haar te kussen
die weggaat.
.
Ik houd van de zieke rozen
vrouwen die verwelkend
verlangen naar zonovergoten kwijnende
najaarstijd.
.
Ik houd van de trieste uren,
van hun spokende, wenkende roep.
.
Van de grote dood, de weerspiegeling
van de heilige dood.
.
Ik houd van hen die wenen,
ontwaken, verre reizen doen.
Van de kilbeijzelde ochtend
boven het veld.
.
Van de gelatenen die versagen,
van tranenloos verdriet en vrede.
Gelatenheid, de haven voor wijzen,
dichters, misdeelden.
.
Ik houd van hen die ontgoocheld zijn,
die kreupel, in de val gelokt,
niet meer geloven; van de bedrukten:
van de wereld.
.
Ik ben een verwant van de dood
en bemin de vluchtige liefde.
Ik houd ervan haar te kussen
die weggaat.
.
Lozenges
Gedichten in vreemde vormen
.
In 1965 gaf Colleen Thibaudeau een alleraardigst boekje uit met de intrigerende titel ‘Lozenges’. Om daar maar mee te beginnen; een Lozenge (◊) is een ruitvormig leesteken dat nog maar weinig gebruikt wordt. De lozenge werd vroeger wel eens gebruikt om spaties aan te geven bij woorden waar onduidelijk was of deze aan elkaar hoorden of niet. In de huidige spelling is dit niet meer nodig.
Colleen Thibaudeau (1925 – 2012) was een Canadees dichteres en schrijfster van korte verhalen die in veel tijdschriften en magazines gedichten publiceerde. Behalve ‘Lozenges’ publiceerde ze nog de bundels ‘Ten Letters’ (1975), ‘My Granddaughters Are Combing Out Their Long Hair’ (1977), ‘The Martha Landscapes’ (1984), ‘The “Patricia” Album’ (1992) en ‘The Artemesia Book’ (1991).
Het boekje ‘Lozenges’ staat vol met gedichtjes in de vorm van een object en heeft dit ook als titel. Voorbeelden zijn een kroon, een trein, een hockeystick en een pop.
Hieronder twee voorbeelden van een ballongedicht en een kaarsgedicht.
.
Voor het hele boekje on-line ga je naar http://colleenthibaudeau.com/lozenges-poems-in-the-shape-of-things/
Telefoonseks
Herman de Coninckzondag
.
In de bundel ‘De gedichten’ van Herman de Coninck staan in het laatste gedeelte de zogenaamde ‘verspreide gedichten’. Gedichten die overal en nog ergens zijn gepubliceerd. Het gedicht dat begint met ‘Telefoonseks’ is gepubliceerd in 1995 in Nu dus.
.
Telefoonseks. Trek je je slipje uit?
Hou je hoorn erbij dat ik het hoor?
Kun je je benen zo opendoen dat ik hoor
dat je nat bent?
.
Je hebt een lange buik, aan weerszijden waarvan
wij aan tafel zitten, jij met je hoofd, ik van tussen
je benen komend met ook een hoofd.
Banket. In je navel zout voor de radijsjes.
.
Mijn verbeelding is zo groot als mijn gemis.
Het zou elkaar kunnen vullen. Zoiets als een glas
waarvan je drinkt en dat even vol blijft.
Het staat op een lege tafel
op een schilderij in een leeg huis.
.



















