Site-archief
Blaka Oema
Hilli Arduin
.
Hilli Arduin is geboren in Paramaribo (1950) maar ze bracht haar jeugd door op Curaçao. Om verder te studeren verhuisde ze op 21-jarige leeftijd naar Nederland. In Nederland studeerde ze af in maar liefst 5 HBO- en 2 doctoraalstudies. Van beroep is Hilli Arduin klinisch orthopedagoog en psycholoog. Naast haar drukke bezigheden heeft ze schrijven als hobby. Maar ook haar hobby neemt ze zeer serieus.
Zo schreef ze ‘De donkere tranen van zijn moeder’ dat gaat over haar oudste zoon, die op 21-jarige leeftijd aan sarcoïdose (een zeldzame ziekte van het afweersysteem) overleed. Maar ze schreef ook het kinderboek ‘Ik neem je mee’ waarin de trans-Atlantische slavernij wordt belicht. De verhalen in dit boek worden steeds ingeleid met een gedicht.
Ook is Arduin verhalenvertelster. Dit bracht haar naar landen als Zuid-Amerika, Amerika, Canada, Suriname, Nederland en België. In 2018 publiceerde ze een ‘Kindergedichtenbundel’. In 2011 verscheen van haar hand ‘Wie ben ik / Ta ken mi ta’ en uit die bundel komt het gedicht ‘Blaka Oema’ (kleine heester met groene bloemen).
.
Blaka Oema
.
Bijzonder was de dag waarop
de zon
de flonkerster
de volle maandag
de morgendauw
haar baarden.
.
Fluweelzachte huid
gekleurd door
bruinige tinten,
rimpelloos en strak.
Met afgemeten precisie
creëerden ze haar gelaat.
De donkere ogen
de platte neus
de volle lippen
pasten als puzzelstukjes in elkaar.
Uitstulpende rondingen
voor, achter, links en rechts
vertolkten haar sensualiteit.
Donzig pluizig haar
drapeerde haar hoofd
in vallende lokken.
.
Eigenzinnig en trots
bewandelt zij
in ritmische cadans
haar weg.
.
Ze gaat.
Kijkt om.
En gaat weer verder.
.
Mooi blaka oema.
.
Regeerende maan
J.W.F. Werumeus
.
In een kringloopwinkeltje kocht ik het bundeltje ‘Winter-aconiet’ van dichter en schrijver Johan Willem Frederik Werumeus Buning, of zoals hij bekend is als dichter J.W.F. Werumeus (1891-1958). Deze bundel werd na zijn dood gepubliceerd in 1961. Kort voor zijn sterven heeft Werumeus aan zijn zoon gevraagd of de publicatie van deze bundel (die al gepland stond maar nog niet gereed was) door Claudine Witsen Elias gedaan kon worden.
In haar nawoord (uit 1959!) schrijft zij onder andere: “Verder heb ik gemeend, de door hem met hand en tand verdedigde oude spelling te moeten handhaven. Toen we de titel eens bespraken, zei hij die zoveel over de dood heeft geschrevenen er dus zelden over sprak? ” ‘Winter-aconiet’ is een toepasselijke naam – eind en begin” Hiermee doelend op de zekerheid, dat het laatste jaargetijde van zijn leven en dichterschap was aangebroken, maar dat de dood het einde niet is.”
In deze bundel staat het gedicht ‘Gebed voor oudejaarsnacht’ maar ja daar is het nu te laat voor, dus koos ik uit de bundel voor het gedicht ‘Regeerende maand’. Meteen al een voorbeeld van de oude spelling waar Witsen Elias in haar nawoord over schrijft. Dit gedicht is opgedragen aan Sapfo. Ook hier een oude schrijfwijze voor Sappho (ca. 630- ca. 570 voor Chr.), zoals wij haar kennen.
Sappho was een archaïsche Griekse dichter uit Eresos of Mytilene op het eiland Lesbos. Sappho staat bekend om haar lyrische poëzie , geschreven om gezongen te worden terwijl ze begeleid werd door muziek. In de oudheid werd Sappho algemeen beschouwd als een van de grootste lyrische dichters en kreeg ze namen als de ‘Tiende Muze’ en ‘De Dichteres’. Het grootste deel van Sappho’s poëzie is verloren gegaan en wat er nog over is, is grotendeels in fragmentarische vorm bewaard gebleven; alleen de Ode aan Aphrodite is zeker compleet.
.
Regeerende maan
Aan Sapfo
Hemel-bestijgende maan die mijn bloed
Iedere maand opnieuw regeert
In de vele slapelooze nachten,
Minnares die het hart begeert
Als de goden verwachten.
.
Eindeloos, in de miljoenen jaren
Is het zoo geweest, en zoo zal het zijn:
Maan-verlichte lieveling, mijn slaap-dief:
Als ik denk aan de glans op de starre borsten
Komt mij dorst in de keel te staan. –
.
Wie de geest krijgt
Jacobus Bos
.
Jacobus Bos (1943) debuteerde in 1969 met een verhalenbundel en ontving in 1974 de Anna Blamanprijs voor ‘De dagelijkse geest’. Zijn poëziedebuut ‘Mijn blauwe evenbeeld’ uit 1987 werd genomineerd voor de eerste C. Buddingh’-prijs. Sinds Wie vliegt die vliegt (2002) publiceert hij zijn poëzie bij Wereldbibliotheek. In juni van 2022 verschijnt van deze dichter, waarvan op Meander werd geschreven dat zijn oeuvre grotendeels, ten onrechte, is genegeerd de bundel ‘Wie de geest krijgt’. Een bundel gedichten over een zoon en zijn vader, die draait om leven en dood.
Uit deze bundel komt het gedicht ‘Alsof hij een verzinsel is’ .
.
Alsof hij een verzinsel is
.
Hij ziet de vader als een walvis in de
diepte.
Onvoorstelbaar hoe lang hij onder water
kan blijven.
Hoewel hij geen meter van zijn plaats
komt.
Recht tegen een blinde storm in.
Alsof het toeval hen samen heeft gebracht.
Alsof hij door een Luik het verkeerde huis
is ingegaan.
Hij binnen en zijn vader blok verbazing
buiten.
Soms biedt zelfs wanhoop geen redding
Als zij op blote voeten voor de waterval
staan
die een sprankelend gordijn is van ijs.
Zijn vader veegt een lok haar uit zijn
ogen
en doet hetzelfde bij het haar van zijn zoon.
Hij vraagt zijn vader hoe het is om dood
te zijn.
Zijn vader kijkt hem lang en zwijgend aan.
.
An
Herman de Coninck
.
In april 2016 ben ik gestopt met het, elke zondag, plaatsen van gedichten van één van mijn favoriete dichters aller tijden Herman de Coninck. Maar telkens als ik voor mijn boekenkast sta met dichtbundels trekken zijn bundels mijn aandacht. Dan neem ik ze één voor één ter hand, blader en lees er wat in en zet ze terug. En soms, zoals vandaag, denk ik; ik ga er gewoon weer een plaatsen.
Op de onvolprezen website http://www.dbnl.org/ staat te lezen over de bundel ‘Schoolslag’ uit 1994:
“De Coninck is een dichter die zichzelf van nature tegenspreekt, in de rede valt, corrigeert. Hij moet wel iemand zijn die waarheden in het algemeen en ook zijn eigen waarheden wantrouwt. Dat heeft zo zijn consequenties voor zijn poëzie. Van grote onderwerpen ziet hij de ontnuchterende details, triviale kleinigheden brengen hem tot visioenen. Die wisselwerking levert karakteristieke gedichten op.”
In het gedicht over An ‘1971’ (dat gaat over zijn bij een ongeluk overleden vrouw An en hun zoon Tom) is de Coninck heel persoonlijk en zelfs wat afstandelijk in één gedicht. Hij ondergaat en hij observeert. Mede daarom bleef mijn oog hangen op dit gedicht.
.
1971
Verliezen lukte beter: daar heb ik ternauwernood
één dichtbundel over gedaan. Ik won
de Prijs van de Vlaamse Provinciën met jouw dood.
Ik herinner me vooral dat ik mijn bril niet vinden kon.
Die lag naast de auto op de grond. Eerst vond
ik hem, het was een nieuwe, dan jou.
Dank zij die bril kan ik je nog steeds zien.
Na een eeuwigheid, misschien.
een minuut of twee, wees een vrouw naar het gras:
kijk, een kindje. Oja, dat hadden we ook. Snel mond
op mond. Tom gillen als vermoord. Dat leek me gezond.
Pas toen besefte ik hoe stil het voordien was.
Ik dacht: zal ik eens proberen te huilen?
Het lukte. Dat kwam de volgende dagen goed van pas.
.











