Site-archief

Vroege vogels

Patty Scholten

.

Voordat Patty Scholten (Den Haag, 1946) debuteerde op haar 49ste  jaar met ‘Het dagjesdier’ (1995), had zij al een schrijversleven achter de rug. Onder haar meisjesnaam, Patty Klein, publiceerde zij namelijk scenario’s voor stripverhalen, die in Donald Duck en Tina verschenen. Wie vroeger de strips van Tom Poes en de Woelwater, de Hiawatha-verhalen en ‘De grote boze wolf’ volgde, maakte dus al veel eerder kennis met de fantasiewereld van Patty Scholten.

De toon van haar light verse is parlando, de beschrijving van de dieren en van mensen is scherp, maar vriendelijk, en de stijl is soms verwant aan die van Kees Stip. Haar bundel ‘Traliedieren’ werd in het Engels vertaald, zodat ook het Engelstalige publiek kon kennismaken met vadsige alligators, schorre kaketoes, stieren met saterkop en blauwe tong.

Uit ‘Tralieliederen’ uit 1999 het gedicht ‘Vroege vogels’

.

Vroege vogels

.

Ik dicht graag ’s nachts. Maar nu is het al laat en
ik word te duf voor rijm en metafoor.
Een schrille toon, dan breekt het schallend door:
het zangkoortje van ijdele castraten.

Een merel zingt een melodietje voor,
een tweede bootst het na zonder hiaten
en componeert tot slot zijn eigen maten.
Arpeggio’s, trillers: wat een kletsmajoor.

Een dwarsfluitist ’s nachts zou men koppensnellen
maar voor de vogels hangt men pindaslingers
en luistert dwepend naar hun decibellen.

Waarom toch? Als ik de tv aanzet
en een artiest fluit net zo op zijn vingers,
dan zap ik haastig naar een ander net.

.

Dankie

Gert Vlok Nel

.

De Zuid Afrikaanse dichter/singer-songwriter Gert Vlok Nel (1963) studeerde Engels, Afrikaans en geschiedenis aan de Universiteit van Stellenbosch en werkte daarna als gids, barman en bewaker. Hij publiceerde slechts 1 bundel, die hem bekend maakte ‘Om te lewe is onnatuurlik’ . Deze bundel bevat een aantal persoonlijke gedichten, waarvoor hij de Ingrid Jonkerprijs kreeg. In  2007 verscheen een Nederlandse editie van Nel’s dichtbundel, met de originele Afrikaanse teksten én een Nederlandse vertaling. De Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog schreef er een voorwoord bij.

.

Dankie

.

Trek my nader.

wieg, wieg saam

en dankie vir jou

hartklop teen myne.

.

Jouw glimlag teen my wang

en jou asem in my hare

en elke dou sag soen

is vir my my son opkoms

en goue druppels lig.

.

D

Nieuwste Dichtkunst

Jo Landheer

.

In 1950 publiceerde uitgeverij Bigot en van Rossum in De Uilenreeks het eerste nummer onder de titel ‘Nieuwste Dichtkunst’. Samenstellers C. J. Kelk en Halbo C. Kool brachten gedichten bij elkaar in deze bundel uit de jaren vlak voor 1950. Een dichter die ik van naam vaag kende maar niet van haar werk is Jo Landheer (1900 – 1986).

Van deze, in Rotterdam geboren dichter verschenen in totaal 7 dichtbundels. Haar gedichten worden in zeven voornamelijk literaire tijdschriften geplaatst: Leven en Werken, Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, De Nieuwe Gids, Helikon, De Nieuwe Stem, De Gids en Maatstaf. Jo Landheer heeft – los van vijf vertalingen – in totaal drieënnegentig gedichten gepubliceerd. Ongeveer twee derde ervan is meer dan eens in boek of tijdschrift afgedrukt. In aanmerking genomen dat de dichteres in 1918 voor het eerste publiceert en in 1974 voor het laatst, dan komt haar (gepubliceerde) productie op slechts anderhalf tot twee gedichten per jaar.

.

De verlatenen

.

Die met ons in de zelfde kamers woonden,

En met ons samen waren dag en nacht,

-Hun wangen waren zacht en warm aan de onze –

Zijn nu voor altijd van ons weggebracht.

.

Zij liggen ergens in den grond verborgen,

Gesloten in een smalle kist van hout,

Hun mond werd star, het bloed stolde in hun oogen,

Stijf zijn hun vingers en als steen zoo koud.

.

Wij leven verder, lachen weer en praten.

Wie van ons beiden zijn het meest verlaten?

.

Jozzonet

Joz Knoop

.

De Rotterdamse dichter Joz Knoop ken ik al jaren als een prima dichter en een fijn mens. Joz (1957) was van 2013 tot 2016 wijkdichter van De Beverwaard en hij was samen met Irene Siekman de initiatiefnemer van De Poëziebus. Joz is echter vooral bekend van zijn Jozzonetten.

Het Jozzonet is een door Joz Knoop ontwikkelde dichtvorm, waarbij de middelste regel van een oneven aantal regels het gedicht als het ware spiegelt. Een mooi voorbeeld is het Jozzonet ‘Grassex’ uit ‘De driehoek is rond’ uit 2013.

.

Grassex

De koeien staan onverstoord
te grazen in het weiland.
Ik neem je overtuigend
lief mee naar stille paden.
Daarom ga jij met mij
naar waar de lente explodeert..
Dat wat ons bindt verwijst ons door
naar waar de lente explodeert..
Daarom ga jij met mij
lief mee naar stille paden.
Ik neem je overtuigend
te grazen in het weiland.
De koeien staan onverstoord.

 

Paul van Ostayen

Gedicht op een muur

.

In de Joodse wijk (rond de België lei) van Antwerpen staat heel groot op een muur van het Sint-Vincentiusziekenhuis een gedicht getiteld ‘Zeer kleine speeldoos’ van Paul van Ostaijen (1896 – 1928). Het geboortehuis van deze dichter is vlak om de hoek op de Lange Leemstraat 53. Geboren als Nederlander (zijn vader was Nederlander, zijn moeder Vlaams) kreeg hij op zijn 22ste ook de Belgische nationaliteit. In zijn laatste levensjaren propageerde Van Ostaijen de ‘zuivere lyriek’: pure klankpoëzie zonder bijbedoelingen. Het gedicht moest ‘geontindividualiseerd’ zijn, autonoom, los van de werkelijkheid en de gevoelens van de dichter. Zijn laatste gedichten werden postuum uitgegeven onder de titel ‘Nagelaten gedichten’. Uit de bundel ‘Gedichten’ uit 1935 komt het gedicht op de gevel van het ziekenhuis.

.

Zeer kleine speeldoos

.

Amarillis

hier is

in een zeepbel

Iris

hang de bel

aan een ring

en de ring

aan je neus

Amarillis

Schud je ’t hoofd

speelt het licht

in de bel

met Iris

Schud je fel

breekt de bel

Amarillis

Waar is

Iris

Iris is hier geweest

Amarillis

aan een ring

en de ring

aan jouw neus

Wijsneus

Amarillis

.

 

Hugo Claus

Avondland

.

Van de Vlaamse dichter Hugo Claus (1929 – 2008) verscheen in 1994 de bundel ‘Gedichten 1948 – 1993’ met daarin het volgende gedicht.

.

Als er niets nieuws is in het avondland

maar alleen wat er geweest is vanaf het begin,

wat kan ik uitvinden dat niet faliekant

een eerder geboren kind verzint?

.

Jij staat al Etruskisch, Helleens, Azteeks

op ansichtkaarten aan de wand gepind

te lonken, te koop, al te zeer bemind,

mijn eeuwenoude jonge feeks.

.

Hoe zou de antieke wereld reageren

tegenover het huidig mirakel van je lijf?

Blijven geloven dat geen ogenblik

.

ooit zonder herinnering kan genereren?

Die oude rakkers wisten van geen blijf

met jouw eenzelvigheid, net zomin als ik.

.

Poëzie in Zurenborg

Rutger Kopland

.

Afgelopen weekend was ik in Antwerpen en daar kwam ik, al wandelend door de wijk Zurenborg (aanrader voor als je van Art Neauveau architectuur houdt) een gedicht van Rutger Kopland tegen. Op een raam van een huis in de Transvaalstraat was in folie een gedicht van Rutger Kopland aangebracht. Wat zo aardig is aan deze regels, is dat ze uit het gedicht ‘Groningen’ komen maar blijkbaar inspirerend en bruikbaar genoeg om ook in andere steden van toepassing te zijn.

Het volledige gedicht uit de bundel ‘Dankzij de dingen’ uit 1989 luidt:

.

In Groningen

 

Je bent in Groningen, maar hier
ben je dat niet, dit is een onbekende
plek, dit is een gedicht in
deze stad.

Waarin je al die jaren kwam en
ging, door altijd zon, altijd regen,
altijd wind, totdat je hier
stond, en dit las.

Je kwam en gaat weer weg, ook nu.
Zo zal het blijven tussen ons, ik ben
een onbekende plek

.

Slagbaai

Alette Beaujon

.

Uit de serie ‘dichters omnibus’. Heb ik nu ook deel 6 bemachtigd. Een klein beetje waterschade maar dat mag de pret niet drukken. In dit deel uit 1959 , een geschenk van Esso Nederland n.v., staan weer een aantal dichters die ik niet ken. Een daarvan is de dichter Alette Beaujon.

Alette Clemence Beaujon, geboren op Curacao (1934 – 2001) studeerde in Chicago en Amsterdam. In de jaren ‘60 werkte Beaujon als klinisch psycholoog. Schreef poëzie in het Engels, Papiamento maar hoofdzakelijk in het Nederlands. Van haar hand verscheen een grote bundel ‘Gedichten aan de baai en elders’ en de dichtbundel ‘De schoonheid van blauw’. Daarnaast publiceerde ze poëzie in het magazine ‘Amigoe’ in de Nederlandse Antillen.

.

Slagbaai

.

Stil te zitten in de schemering

voor een huis te staren

wanneer de hemel plots

heel laag zijn kleuren offert

aan de nacht

.

Snelle Spaanse waaiers in de lucht

een dansend begin

wordt langzaam donker in de verte

en komt vreedzaam naar ons toe

in de omtrek sterft het weg

.

De gladde strekenvan de zee

slepen nog kleine stenen mee

alle beweging is moeizaam

en boeit niet meer

.

Ik kom hier elke dag

de avond zoeken

en de dag want beide

heb ik op dit strand voor het eerst gevonden

heel lang geleden

.

 

Omdat daar toch niemand zat

Hans Faverey

.

De dichter Hans Faverey (1933-1990) werd geboren in Paramaribo en kwam in 1939 naar Nederland. Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde hij psychologie.  Sinds 1965 was hij als klinisch psycholoog verbonden aan de Universiteit Leiden. Hans Faverey begon gedichten te schrijven in de hoogste klassen van het Amsterdams Lyceum, toen hij via de stimulerende lessen van F. Lulofs kennis had gemaakt met de moderne Nederlandstalige poëzie. Tussen 1953 en 1957 schreef hij niet, omdat hij naar eigen zeggen zijn gedichten niet goed en muziek mooier vond. De poëzie van Faverey is modern en klassiek tegelijk, makkelijk en moeilijk. Soms verontrustend, met een dramatische ondertoon. Hij speelt een spel, hij goochelt, hij is de meester van het onverwachte, en hij heeft humor. In 1990 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Uit de postuum verschenen bundel ‘Springvossen’ uit 2000, samengesteld door Lela Zeckcovic, de weduwe van Faverey, het gedicht ‘Omdat daar toch niemand zat’.

.

Omdat daar toch niemand zat

.

Omdat daar toch niemand zat,
en omdat het niet dicht zit,
is het weer tijd voor een wandeling
langs de oevers van het strand, daar
waar het woud zich plotseling inhield,
of zich gaandeweg heeft verwijderd.

Dit denkt iemand die niet weet
dat hij in deze tekst zit
en er nooit meer uitkomt,
hoe hij ook morrelt aan zinnen
en met betekenissen schuift.

Beter zo dan andersom,
wanneer de kou onverwacht inzet;
en beter nooit dan te laat.
Dat ben ik weer die dit denk.

In mijn afwezigheid hier
verschuilt zich een triomf
die nooit uitgevierd raakt.

.

Tempels in woestijnen

Boeli van Leeuwen

.

Willem Cornelis Jacobus (Boeli) van Leeuwen (1922 – 2007) was een Nederlands-Antilliaans schrijver en dichter. Van Leeuwen studeerde rechten in Leiden en promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Op Curaçao vervulde hij verschillende publieke functies waaronder die van bestuurssecretaris van de Antillen. Na zijn pensionering werkte hij als pro-Deoadvocaat in de probleemwijk Scharloo.

Als dichter debuteerde hij in 1947 met de, in eigen beheer uitgegeven, bundel ‘Tempels in woestijnen’ bij Imprenta Bolívar. In 1959 publiceerde hij zijn eerste roman ‘De rots der struikeling’ waarvoor hij in 1961 de Vijverbergprijs (nu Ferdinand Bordewijk Prijs) kreeg. Binnen dit werk speelt het leven op Curaçao een belangrijke rol. Dit wordt veelal gekoppeld aan belangrijke Bijbelse thema’s rondom schuld, seksualiteit en verantwoordelijkheid. De paradoxen tussen individu en sociale omgeving worden hiermee uitgedrukt.

In De Parelduiker, tijdschrift over schrijvers, litaratuur en hun geschiedenis, nummer 5 van 2013  http://docplayer.nl/13575712-De-parelduiker-een-parelduiker-vreest-den-modder-niet-multatuli.html  staat een lang artikel over Boeli van Leeuwen en een paar gedichten uit zijn debuutbundel waaronder het gedicht ‘Nacht’.

.

Nacht
.
Tropennacht, karbonkelsterren aan het firmament,
Het zwoel gewelf waaruit de bleke maan
Schaduwen van weemoed achter lemen hutten zendt
En schimmige geraamten triest vergaan.
De schurftige kokosstammen met verziekte huid
Kreunen in de dorre grond van dorst.
Het landhuis, een verlaten bruid,
Droomt hooghartig boven krullengeborduurde gevelborst.
1947,
Een negerin gaat door de nacht
Gevangen in betovering der dingen;
En de lucht wordt zwaar van angst en macht.
Nu groeit het menselijk verlangen
En de hunkering
Naar beelden die men nooit meer kan vervangen.
.
.