Site-archief
Smaak
Anton Korteweg
.
Anton Korteweg (1944) is dichter en neerlandicus en was directeur van het Letterkundig museum en Documentatiecentrum in Den Haag. Toen in 2009 het Nationaal Documentatiecentrum Maarten ’t Hart werd opgezet in de bibliotheek van Maassluis was hij één van de leden van het comité van aanbeveling.
Sinds zijn debuut in Tirade in 1968 heeft Anton Korteweg met regelmaat dichtbundels gepubliceerd. Zijn poëzie kenmerkt zich door de ironische beschrijving van kleine gebeurtenissen, die gevoelens van melancholie oproepen. In zijn enigszins afstandelijke stijl bedient hij zich van woordspelingen en archaïsmen en maakt hij gebruik van alledaagse woorden voor verheven onderwerpen. In 1986 ontving hij de A. Roland Holst-Penning.
.
Uit de bundel ‘Voortgangsverslag’ uit 2005 het gedicht ‘Smaak’.
.
Smaak
.
De liefste muziek blijft toch die
waarbij je afwassen kan,
ouderwets, zonder machine,
met teiltje en afwaskwast.
.
Lepels tegen een kopje,
geplop, gerinkel van glaswerk,
een botsend bord, vallende vorken
doen er geen afbreuk aan.
.
Ik kom dan al snel terecht
bij Carmen, Bolero, Liszt,
Traviata, Eroica,
maar Mahler gaat me te ver.
.
Dik bovenop, vettig, tering,
let niet op een haaltje extra,
luid, schmierend, duidelijk.
.
Lekkere, hoerige ordi’s
niet om aan te horen zo plat,
die doen het bij mij altijd wel.
.
Ik denk…
Bert Schierbeek
.
Bert Schierbeek (1918 – 1996) was één van de dichters die aan de wieg stond van de beweging die wij kennen als de Vijftigers. Schierbeek was een alleskunner, hij schreef romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten, al was het onderscheid tussen de verscheidene vormen niet altijd even duidelijk. In 1986 publiceerde hij de bundel ‘De deur’ en uit die bundel komt onderstaand gedicht.
.
Ik denk…
.
ik denk
als het regent
laat ze niet nat worden
.
en als het stormt
vat ze geen kou
.
en ik denk ook
dat dat denken
niet helpt
.
want je wordt nooit meer
nat noch vat je kou
.
want het regent
noch waait ooit
meer voor jou
.
Het was zo goed
Rita Demeester (1946 – 1993)
Het schrijverschap van de Vlaamse Rita Demeester begon nadat ze werkloos was geworden en wegbezuinigd was uit het onderwijs. Dan begint ze met schrijven. Uit noodzaak bekent ze: “Zonder dit veertigjarige leven dat achter me ligt, deels als een wilde tuin, deels als een mijnenveld, was het er nooit van gekomen, geloof ik.”
Ze debuteert pas op haar veertigste, wat ze later als een voordeel beschouwde. Ze zei hierover: “Ik geloof echt dat ik eenenveertig moest worden, werkloos, bevrijd van schreeuwende kinderen en beschikkend over een ruime werktafel, om tot schrijven te komen.”
Haar eerste gedichten verschijnen in 1986 in het literaire tijdschrift De Brakke Hond onder het pseudoniem Esther Meert . Hierna legt ze zich toe op het schrijven van proza. Haar hele poëzie oeuvre bestaat uit een paar gedichten. In 1993 overlijdt Rita Demeester op 46 jarige leeftijd.
“Het was zo goed de konfituur nog warm in de potten en iedereen thuis Ik speelde met mijn poppen in een kartonnen poppenhuis van afgedankte dozen en mijn zussen waren groot ze naaiden met vrouwenijver aan iets nutteloos Het was zo goed dat ik alleen in bed soms dacht als nu de Russen maar niet komen.”
Simon Vestdijk
Gedicht
.
Uit ‘Nagelaten gedichten’ (1986) en met dank aan Arie Boomsma, het gedicht ‘De zondaar’ van Simon Vestdijk (1898-1971).
.
De zondaar
.
Hij speelde met de schuwe lichaamsdelen,
Die voor de voortplanting zijn ingesteld,
Eén of twee keer, – een onaanzienlijk streelen:
Reeds werd er bij zijn vader aangebeld.
.
Toen heeft men hem twee uren lang gekweld –
Leeraar en vader – met de droevige vele
Voorbeelden van een straffend godsgeweld:
Tering en blindheid en and’re nadeelen. –
.
Men vond hem echter in die sloot nog gaaf.
De klas rouwde, de leeraar schudde braaf
Het hoofd, en heeft ons vragen afgeweerd. –
.
Waarom hebben wij niet, wij laffe honden,
Hem die als wraakengel was uitgezonden
Met zwarte inktpotscherven gecastreerd?
.
Met dank aan Letterkundigmuseum.nl
De Mensch Deelder
Uit mijn boekenkast
.
In de jaren 80 van de vorige eeuw was ik groot fan van Jules Deelder (en nog steeds). Uit die tijd heb ik ook verschillende bundels van hem en heb ik hem een aantal keren live op een podium zien optreden. Uit die tijd stamt ook het boek De Mensch Deelder (1986). Uit mijn (inmiddels deels vergeelde) exemplaar het volgende gedicht van Jules:
.
Half Moon Inn, San Diego, Calfornia
.
Op het gazon
rond het zwembad
groepen ze samen;
de gok-, sex- en ho-
recafbazen doen zaken
.
soms laat er een zich
voorzichtig te water;
van ver klinkt de stem
van Bep van Klaveren –
.
”k Gaf ‘m een hóek
Hij ‘p nóóit meer gebokst.’
De temperatuur loopt op
tot 25 graden
.
De Mensch Deelder, waarin opgenomen J.A. Deelder: teksten 1962 – 1985 door Pieter van Oudheusden en Herbert Verhey, Veen uitgevers
.
Oud gedicht
Uit ongeveer 1986
.
Uit mijn persoonlijk archief, een aantal kleine boekjes waarin ik al mijn gedichten heb geschreven sinds mijn allereerste gedicht (ook te lezen in de rubriek Gedichten van voor 2008), het gedicht Pavlov’s reactie.
.
Pavlov’s reactie
.
Vrijdagmiddag
op het tijdsein van vier uur
trekt hij z’n grijs gestreepte
vest recht
.
knoopt z’n colbertjasje dicht
en begint zijn bureau
op te ruimen
.
over precies vijftien minuten
staat hij klaar
voor vertrek
.
Tsjechië 2012
Terug van weggeweest
.
De afgelopen weken heb ik doorgebracht in Tsjechië vandaar dat het wat stil was op dit blog. Tsjechië is een land van dichters en schrijvers. Een beroemde Tsjechische dichter is Jaroslav Seifert (1901-1986). Deze Tsjechische dichter won verschillende grote prijzen voor zijn gedichten en twee jaar voor zijn dood in 1984 won hij de Nobelprijs voor de literatuur. Hieronder een door Jana Beranova vertaald gedicht van hem uit 1984 (uit de bundel: En vaarwel Agathon).
.
Ze gingen van deur naar deur…
.
Ze gingen van deur naar deur
als straatverkopers
en boden de dood aan.
Ik schaam me dat ik het heb overleefd.
Vladislav Vancura
schreef zijn grootste gedicht
op de muren van de Pankrác-cel.
En het salvo op het schietterrein
was alleen een donderend applaus
voor zijn leven.
.
Maar doden waren overal.
Op ijzerdraad van fabrieksmuren,
op stoepranden,
op trappen, het hoofd naar beneden,
op voetsteunen van schoolbanken
op altaartreden en boven riolen.
.
Ze lagen zoals onze koningen
op graftomben.
En de puinen van hun schoenen
wezen naar de sterren.
.











