Site-archief

Dichtung und Wahrheit

Jules Deelder

.

Een van de favoriete onderwerpen van dichters is het dichterschap, de poëzie en alles wat daarmee samenhangt. In 1994 werd een bloemlezing door Atte Jongstra (1956) en Arjan Peters (1963) gepubliceerd met de veelzeggende titel ‘Dichten over dichten’. Bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw. Meer dan 600 pagina’s poëzie over poëzie, het dichterschap, de dichtbundel, het proces van het schrijven, vormen van poëzie en nog veel meer.

Een dichter die regelmatig de poëzie en het dichterschap als onderwerp nam is Jules Deelder (1944-2019). Deelder was serieus over zijn dichterschap maar hij mocht er ook graag op schertsende op kolderieke wijze over schrijven. Een voorbeeld van dat laatste is het gedicht ‘Dichtung und Wahrheit’ uit de bundel ‘Interbellum’ uit 1987.

.

Dichtung und Wahrheit

.

‘Heb je ’t al gehoord

van de dichter D.?’

.

‘Nee, wat is er dan

met D.?’

.

Die heeft z’n lier

aan de wilgen gehangen

.

‘Is dàt alles? Nee

dan E.!’

.

‘Wat is er dan met E.?’

.

‘Die heeft zichzelf

aan z’n lier gehangen

.

Schilderij: Dick Bakhuizen van den Brink (1950)

 

Naima El Bezaz

Arjan Peters

.

In de bundel ‘Belvedère’ van Arjan Peters uit 2021 lees ik een gedicht met als titel ‘Naima El Bezaz’ en onmiddellijk gaan mijn gedachten terug naar 2010 (dat heb ik even moeten opzoeken) toen haar roman ‘Vinexvrouwen’ werd gepubliceerd. Dat deed destijds nog al wat stof opwaaien.

Al eerder had Naima El Bezaz (1974-2020) van zich laten horen. Na haar debuut als schrijfster in 1995 met de roman ‘De weg naar het noorden’, verscheen haar tweede boek, ‘Minnares van de duivel’  in 2002. Die roman bevatte expliciete erotische passages. Een Marokkaans-Nederlandse schrijfster die openhartig over seksualiteit schrijft.  Het kwam haar op bedreigingen te staan waarover ze zelf zei: “Ik ben een vat vol vooroordelen. Ik ben uitgesproken. Mijn bek is te groot en ik ben te direct”.

Haar roman ‘Vinexvrouwen’ over haar pogingen te wennen aan het burgerlijke leven in een nieuwbouwwijk, waar veel buurtbewoners ook ongelukkig zijn, las ik als ik destijds nadat ze was geïnterviewd op televisie, wat op mij veel indruk maakte. Zelf opgegroeid in een van de allereerste Vinex-wijken eind jaren ’60 was ik vooral heel nieuwsgierig hoe zij daarover schreef. Ik las het boek en realiseerde me dat er in de loop van de tijd wel een en ander veranderd was.

Naima El Bezaz worstelde met depressies en maakte in 2020 een einde aan haar leven. Arjan Peters interviewde haar destijds in de Bijenkorf en blijkbaar maakte ook dit interview veel indruk, getuige het gedicht dat hij erover schreef en waarin onderdelen van haar leven terug te lezen zijn.

.

Naima El Bezaz

.

Uitzinnig van blijdschap was je in de Bijenkorf

waar ik je interviewde tussen panty’s en lingerie

over je dubbele Zaanse satire

de middelmaat met gein bestrijden

leek een werkzaam medicijn

.

als het mij slecht ging, nee maar echt,

kon ik altijd bij jou terecht, zou ik dat

nooit vergeten? Het was dit, of een postzegel

in de hoofdstad, verzuchtte je in je drive-in woning

in de verfoeide wijk Westerwatering

.

Modaal plus lelijk is een straf, dat vond ik

toch ook? Vervolgens, theatraal: ‘Dit is mijn graf.’

Wat jou in onveiligheid gevangenhield,

meer dan de dwang van geloof of gedrag,

dat Meknès of eten met vork en mes,

.

het dreigement van die enge vent, de hoge flat

in het Alphen van je jeugd, waar je terug was

toen het jou slecht ging, maar dan echt, zonder

uitzinnig zicht op het hemelgewelf –

was het leven zelf.

.

De dichter

Simon Vestdijk

.

Zo nu en dan pak ik de bundel ‘Dichten over dichten’ uit 1994 erbij om te lezen over wat dichters zoal over andere dichters en dichten vinden. Deze vuistdikke bloemlezing, samengesteld door Atte Jongstra en Arjan Peters biedt een hele mooi en uitgebreid overzicht van vrijwel alle bekende dichters van de 19e en 20ste eeuw.

Ik bleef bij het lezen hangen bij een gedicht van Simon Vestdijk (1898-1971) of S. Vestdijk zoals hij hier wordt opgevoerd. Dit gedicht gaat over R.M.R. (Rainer Maria Rilke, 1875-1926).  Kees Broere schrijft in de Vestdijkkroniek uit 1983 hierover: “Zonder nog over invloed te spreken kunnen we vaststellen dat de naam Rilke door Vestdijk talloze malen genoemd wordt in proza, poëzie en, voornamelijk, essays. In de Anton Wachter cyclus wordt Rilke door de hoofdpersoon driftig ge- en herlezen. In de poëzie komen we naast het gedicht ‘De dichter, RMR’ de woorden ‘op een Rilke toon’ tegen (Verzamelde Gedichten I).”

.

De dichter

.                                                                                            R.M.R.

Hij at en dronk. Dat was mij eerst genoeg

Den rang te zien, dien hij als mensch bekleedt;

’t Verheugde mij, dat hij zijn stem vermeed

En niet te weig’ren hoefde, als men ’t vroeg.

.

Toen kon ‘k mij niet weerhouden, en ik zocht

Aan kostbaarheden alles van hem samen

Wat ik ooit las, en gaf het and’re namen

En dacht, dat ik ’t hem zóo vereeren mocht.

.

Maar bij ’t servet wegplooien schudde hij

Al dat papier mée weg, als brokjes brood

Gedachteloos of peinzend in zijn schoot,

En brak zich toen pas in een glimlach vrij.

.

En ’t scheen of hij uit snippers hooger steeg,

Tóch woorden zocht, – en, voor hij kon ontslaan

Van mij, die uit zijn oogen heen moest gaan,

Tóch iets verwachtte, nu hij eeuwig zweeg.

.

Dankwoord

A. Roland Holst en C.B. Vaandrager 

.

Dichters kunnen over van alles dichten, en in de categorie Dichters over dichters plaats ik regelmatig gedichten van dichters die gewijd zijn aan, of over een andere dichter gaan. Wat nog veel vaker voorkomt zijn dichters die dichten over het dichten, over de poëzie. Daar zijn bundels vol van verschenen. Blijkbaar is navelstaren onder dichters een veel voorkomende bezigheid. In 1994 verscheen bij uitgeverij Contact de 666 (toeval?) pagina’s dikke bundel ‘Dichten over dichten’ samengesteld door Atte Jongstra en Arjan Peters, met als ondertitel ‘Een ontwikkelingsgang’ Bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw.

In deze bundel staan heel veel gedichten over het dichtproces, het voordragen, het schrijven van poëzie, en nog heel veel meer. Om hier twee voorbeelden te geven die, wat mij betreft, heerlijk uit elkaar liggen een gedicht van A. Roland Holst (1888-1976) en een van C.B. Vaandrager (1935-1992). Het gedicht ‘Dankwoord’ van Roland Holst komt uit de bundel ‘Poëzie. dl. I’ uit 1981 en verscheen eerder in Tirade 207 uit 1975. Het gedicht ‘(Receptie)’ van Vaandrager komt uit de bundel ‘Totale poëzie’ ook uit 1981.

.

Dankwoord

.

Mijn ziel moge altijd dankbaar blijven

voor de genade van het woord

dat met mij vecht en aan den lijve

tekeergaat, wie ik toebehoor

en nooit en nimmer kan weerstreven,

dat in de smidse van de taal

het vuur stookt van mijn oude leven

tot aan het slot van mijn verhaal.

.

(Receptie)

.

‘Poëzie’, sta ik te beweren

tegen een paar ongelovige klootzakken

in wandeltoilet, ‘komt niet uit de lucht vallen.’

En ineens zeg komt er, je zou het

poëtiseren kunnen noemen, poëzie

uit de lucht vallen.

Gelukkig dat niemand het zag verder.

.

Belvedère

Peters over Wieg

.

In zijn debuutbundel ‘Belvedère’ uit 2021 denkt dichter Arjan Peters terug aan gestorven schrijvers, vrienden en familie, aan een voorbije liefde, aan de onvoltooide verzen van geliefde dichters, en aan het leven en de liefde in het heden. Peters (1963) studeerde Nederlands en is al dertig jaar bekend als literatuurcriticus, columnist en interviewer.

In deze bundel staat ook het gedicht ‘Rogi Wieg’. Toen ik dit gedicht las wist ik dat ik dit ging plaatsen in de categorie dichters over dichters. Peters beschrijft een ontmoeting met schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant Rogi Wieg (1962-2015) die leed aan ernstige depressies waardoor hij driemaal een poging tot zelfmoord deed. Uiteindelijk overleed Wieg door euthanasie wegens ondraaglijk psychisch en lichamelijk lijden. Dit aspect komt in het gedicht duidelijk naar voren. Het gedicht is het openingsgedicht van het hoofdstuk ‘Met het einde voor ogen’.

.

Rogi Wieg

.

Eén oog bleef leep geloken boven de bunny
op je badjas, en grijnzend gaf je me een trilhand
toen ik jouw afscheid van de lezers kwam noteren
.
zonder idee hoe zoiets moet, maar dat had jij
al evenmin. Hartbrekende taferelen had ik vermoed
maar jij ging op je keyboard zitten spelen
.
en zong er een blues bij. Zei even later, verbaasd:
‘Wat ging het snel, het leven.’ De goulash was goed
en al verzekerde je me hoe dood je wilde
.
omdat jouw toverdraad al lang gebroken was
en er geen apotheek bestand bleek tegen de wildgroei
van kwalen waar je zelf zo geboeid van verhaalde –
.
in gekke opgewektheid reed ik weer naar huis.
Het wezenlijke gaat vanzelf
en snel. Niemand kan het je leren.

.

De loon-poëet

Anton Hirschig

.

In het onvolprezen werk ‘Dichten over dichten’ bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw, samengesteld door Atte Jongstra en Arjan Peters uit 1994, is een gedicht opgenomen van dichter, kunstschilder Anton Hirschig (1867 – 1939). Het gedicht werd genomen uit ‘Objective en Subjective Poëzy’ van Isaac Marcus Calisch (1808 – 1885).

Wat bijzonder is aan Anton Hirschig is niet zozeer zijn werk als kunstenaar noch zijn literaire nalatenschap (daar is bitter weinig over te vinden) maar het feit dat hij bij Vincent van Gogh inwoonde in de Auberge Ravoux in Auvers- sur-Oise ten tijde van Van Goghs dood in 1890. Hij was niet alleen aanwezig bij de begrafenis van Vincent van Gogh maar hij hielp ook bij het regelen, het verzamelen van bloemen voor de kist en hij ging naar het nabijgelegen Méry om de lijkwagen te huren.

Ondanks dat zijn broer wel als amateurschilder is opgenomen in Pieter Scheens monumentale Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750 – 1950 en zijn zus zelfs werd verward met hem in dat zelfde werk is Anton Hirschig dus vooral bekend door zijn  relatie met van Gogh.

Desondanks kun je dus in een kwalitatief goede bloemlezing terechtkomen als dichter.

.

De loon poëet

.

Wat stoft ge, loon-poëet, dat ge andren moogt behagen?

En wat veracht ge hem, die slechts uit aandrift zingt?

Die niet zichzelv’ hergeeft, is ’t speeltuig aangeslagen,

Waan niet, dat die te regt naar Phaebus’ * straalkroon dingt.

.

Die prijsgezangen wrocht, behoort tot die minstreelen,

Die, vorstenslaven, ’t lied slechts stemden op bevel.

Wie louter voor zich zelv’ zijn geestrijk lied wil kweelen,

Misbruikt de Godsgaaf niet tot een eerzuchtig spel.

.

’t Heete objectiviteit, die zulke benten prijzen,

Zij doet zichzelv’ geweld en zingt slechts voor ’t publiek;

De Mammon spant haar en de gunst der pseudo-wijzen,

Die gissen naar het schoon, en leven van – kritiek

.

’t Is wel, als voor hun werk hun beeldtenis mag prijken;

Want zelfs geen trek van hen is in ’t gedicht vervat.

Lavaters* mogen zien, of zij naar dichters lijken,

Wanneer hun beeldtenis in ’t koper is gevat.

.

Een dichter kan alleen uit eigen aandrift zingen;

Zijn zang is subjectief in de objectieve stof;

Hij laat zich tot een lied zelfs door de goden dwingen,

En maakt nooit Recensent, noch Maecenaten ’t hof.

.

Die ’t zijne leest, zal ’t hart en ’t leven van hem kennen;

Hij leeft in elk gedicht, en daarom sterft hij nooit;

Moog’hem een valsche teelt van verzengoochlaars schennen,

Hij groeit bij ’t nageslacht, de toekomst maakt hem groot.

.

* Phaebus (bijnaam van Apollo) god van de zon, medicijnen, muziek, wetenschappen en poëzie.
* Johann Kaspar, Zwitsers schrijver, dichter, filosoof en theoloog (1741 – 1801)

Aan den uitgever

G. Brandt Maas

.

Ik hou van bijna vergeten dichters, vaak zijn dit dichters die enige bekendheid hebben gehad in een bepaalde tijdsperiode maar is hun bekendheid tot die periode beperkt. Grappig genoeg doen veel van dit soort namen toch altijd wel ergens een belletje rinkelen. Bij de dichter G. Brandt Maas, de dichter die ik vandaag in deze categorie wil behandelen, is dat maar zeer de vraag. In de bundel ‘Dichten over dichten’ bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw (samengesteld door Atte Jongstra en Arjan Peters, 1994), staat Brandt Maas met twee gedichten.

Maar na enig speurwerk kom ik toch niet veel verder dan dat deze beste man (?) in de eerste helft van de 19e eeuw vooral vertaalde uit het Duits en het Engels. In dit geval kun je dus wel spreken van een vergeten dichter. Het gedicht ‘Aan den uitgever’ werd oorspronkelijk gepubliceerd in “Gedichten, deel I’. Vooral de laatste regel spreekt mij als uitgever van MUG books erg aan want zo is het maar net.

.

Aan den uitgever

.

Zou het mij hetzelfde wezen,

Wat gij aan mijn boekje deed?

Man! wenscht gij te zijn geprezen

Zorgt dan, dat gij ’t netjes kleedt.

’t Zij een hupsch, aanvallig klantje,

Zoo door letter als papier;

Keurig ook door ’t proper bandje,

Wel eenvoudig, maar met zwier.

Laat een prentje dan ook prijken

Op het zindlijk titelblad;

Geef te lezen en te kijken,

Elk zijn’ smaak en ieder wat.

Neen, het zijn geen grilligheden,

Dat die zorge u wordt verzocht;

’t Heeft gewis zijn goede reden,

Wel getooid is half verkocht!

.

De kleurige onbekende

Dichten over dichten, Karel Appel

.

In de mooie bundel ‘Dichten over dichten’ bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw van samenstellers Atte Jongstra en Arjan Peters, kwam ik een opmerkelijke naam tegen; Karel Appel. Iedereen kent de schilder Karel Appel (1921 – 2006) maar dat hij ook gedichten schreef was mij in ieder geval onbekend.

In deze bundel staat van zijn hand het gedicht ‘Regen in Holland’ oorspronkelijk verschenen in ‘Kleurige onbekende’ uit 1986, een verzameling gedichten en tekeningen van Karel Appel. In een recensie van de poëzie las ik dat zijn gedichten tussen 1941 en 1982, op een licht toegenomen pessimisme na, in karakter niet veranderd was. De recensent oordeelde dan ook over zijn poëzie als zijnde naïef.

Oordeel zelf zou ik zeggen.

.

Regen in Holland

.

Misschien gaan we uit eten

.

of misschien bedenken we

een aap in spijkerbroek

die aan de jenever is

.

ik denk aan oude

Hollandse windmolens

al dat water, al die wind

al dat gedraai in het rond

.

geen nieuws vandaag

en dat rot geheugen van je

heb je er wat aan?

.

maakt dat een dichter van je?

.

Lief

Joost Zwagerman

.

In de Volkskrant van afgelopen vrijdag stond een mooie recensie van Arjan Peters, van de laatste en postuum verschenen poëziebundel van Joost Zwagerman, getiteld ‘Wakend over God’. Bij de recensie stond een gedicht uit deze bundel die ik iedereen die dit niet gelezen heeft, of de Volkskrant niet heeft, graag wil meegeven.

.

Lief

.

Mijn lief, wees alsjeblieft

heel lief voor mij, nu God

mij denkelijk heeft uitgewist.

Mijn lief, blijf alsjeblieft

heel dicht bij mij. Misschien

word ik door God gemist.

.

Mijn lief, vertrouw ook

nu op mij. ik ben niet weg,

God ademt mij. Mijn lief

wees alsjeblieft heel lief

voor mij. Misschien heeft God

zich in mijn dood vergist.

.

JZ