Site-archief

Autopsychografie

Fernando Pessoa

.

Het is zeker niet de eerste keer dat ik hier schrijf over de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935), dat was namelijk al in 2010 toen ik over het gedicht ‘De schaapsherder’ schreef dat (uiteraard in de Portugese versie) te lezen is als je in Lissabon over een fietspad langs de rivier de Taag fietst. Daarnaast heb ik een aantal keren over Pessoa geschreven omdat gedichten van zijn hand werden opgenomen in bloemlezingen en verzamelbundels.

En vandaag wil ik opnieuw een blog aan zijn poëzie wijden. In 2009 publiceerde de Arbeiderspers de bundel ‘Gedichten’ van Pessoa, opnieuw in een vertaling van August Willemsen. Deze (bijna vaste) vertaler van het werk van Pessoa bracht met dit boek een ruime keus uit Pessoa’s poëzie en een beknopte selectie uit diens proza samen.

Bij leven publiceerde deze kantoorklerk uit Lissabon slechts enkele werken. Na zijn dood werd op zijn huurkamer een kist aangetroffen met 27.000 volgekrabbelde velletjes. Uit die chaos kon een kolossaal oeuvre worden samengesteld. Pessoa creëerde diverse ‘heteroniemen’ – afzonderlijke ‘schrijverspersoonlijkheden’ met elk een eigen stijl en woordkeus.
Alberto Caeiro is de natuurdichter van het platteland, bekend om zijn heldere, vrije verzen. Zijn leerling, dokter Ricardo Reis, is de man van de klassieke invloeden, die in streng metrische verzen schrijft. Scheepsbouwkundig ingenieur Álvaro de Campos is de droomfiguur, de schrijver van lange versregels en futuristisch woordengedaver. En dan is er nog de sterk symbolistische en mystiek getinte poëzie die Pessoa onder eigen naam publiceerde.

Allemaal komen ze terug in deze 190 pagina’s tellende bloemlezing. Ik koos het gedicht ‘Autopsychografie’ en dat zou, aan de vorm te zien, zo maar eens van zijn heteroniem Ricardo Reis kunnen zijn. Het gedicht werd in 1931 geschreven.

.

Autopsychografie

.

De dichter wendt slechts voor.

Hij veinst zo door en door

Dat hij zelfs voorwendt pijn te zijn

Zijn werkelijk gevoelde pijn.

.

En zij die lezen wat hij schreef,

Voelen in de gelezen pijn

Niet de twee die hij geleden heeft,

Maar een die de hunne niet kan zijn.

.

En zo rijdt op zijn rails in ’t rond

Tot vermaak van onze rede,

Die opwindtrein, in dichtermond

Ook wel ‘het hart’ geheten.

.

Johan Clarysse

Het geduld van water

.

Ik wil dit blog bericht, dat een recensie bevat van de bundel ‘Het geduld van water’ van Johan Clarysse, beginnen met een compliment. Een compliment en mijn grote waardering voor uitgeverij P uit Leuven. Al enige tijd valt me op dat uitgeverij P een stroom van bijzondere dichtbundels uitgeeft van dichters die een grote kwaliteit hebben. Blijkbaar is er bij deze uitgeverij oog voor talent en de wil nieuwe en reeds publicerende dichters uit te geven. Het valt me toch op dat juist de wat kleinere fondsen oog hebben voor de poëzie (denk ook aan U2pi en het fonds Open) waar de van oudsher grotere uitgeverijen wat meer op safe lijken te willen spelen. Een groot compliment dus aan de uitgever.

En nu is er dus weer een nieuwe bundel in het fonds van P, ‘Het geduld van water’ van Johan Clarysse (1957). Ik ken Johan Clarysse als dichter van de derde plaats in de Rob de Vospoëziewedstrijd van Meander. In die hoedanigheid publiceerde wij van MUGzine zijn gedicht in editie 20. Clarysse studeerde filosofie en is actief als beeldend kunstenaar en dichter. Naast het gedicht in MUGzine verschenen zijn gedichten in Het gezeefde gedicht, De Schaal van Dighter, de Poëziekrant, Roer en op de website van Meander. En waar hij als beeldend kunstenaar helemaal door is gebroken, zijn werk vele malen bekroond is en in verschillende musea te vinden is, is ‘Het geduld van water’ zijn debuutbundel als dichter (met een schilderij van Clarysse als omslag).

De uitgeverij schrijft op haar website over deze bundel: “Johan Clarysse legt ervaringen en herinneringen vast in treffende beelden, in een taal die helder en raadselachtig is en een zegging die zich tot de essentie beperkt. ‘Het geduld van water’ is een krachtig debuut dat formuleert wat ons ontglipt omdat we er aan voorbijgaan of de dagelijkse taal tekortschiet. De verzen van Clarysse schommelen tussen revolte en aanvaarding, verlangen en vervulling, empathie en observatie.”

Ronkende taal, zoals zo vaak gebezigd door uitgeverijen. Maar wat is mijn ervaring bij het lezen van deze bundel? Allereerst de uitgave zelf. Zoals ik gewend ben van P verzorgd en professioneel uitgegeven. De bundel is opgedragen aan L. en heeft als ‘motto’ een strofe van een gedicht van Rutger Kopland:

.

Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom

wat wij vinden niet is

wat wij zoeken?

.

Bij zo’n motto word ik enthousiast. Want zijn wij allemaal (ik in ieder geval) niet op zoek naar wat we niet zoeken maar juist wat we vinden. Hier komt de filosoof Clarysse al een klein beetje om de hoek kijken, en niet voor het laatst. De bundel is verder opgebouwd uit 5 hoofdstukken: Afscheid, Spiegel, Breinmist, Uitzichten en Vergetelheid. Elk hoofdstuk wordt ook voorafgegaan door een strofe of uitspraak van een dichter en éen filosoof. Afscheid door een uitspraak van W.H. Auden, Spiegel door Fernando Pessoa, Breinmist door René Char, Uitzichten door Wisława Szymborska en Vergetelheid door Friedrich Nietzsche. Niet de minste dichters en denkers.

In het hoofdstuk ‘Afscheid’ zijn twee gedichten in meerdere delen opgenomen. Het gedicht ‘Afscheid’ lijkt me te gaan over een (zijn) moeder en het gedicht ‘Rechter en vriend’ over een (zijn) vader. Beide gedichten zijn met veel warmte en empathie geschreven. In het hoofdstuk ‘Spiegel’ is er sprake van de ander. De ander die gespiegeld wordt in de gedachten en gevoelens van de spreker (de dichter). In slechts vijf gedichten wordt je als lezer meegenomen in een relatie die zich steeds op een andere plek afspeelt maar waarin gezocht wordt en gevonden, waarin verlangd wordt en aanvaard. Hier wordt langzaam duidelijk hoe de ronkende woorden van de uitgever (dichter?) invulling krijgen.

In het hoofdstuk ‘Breinmist’ is er sprake van een ‘zij’ (een moeder vermoed ik) die de aansluiting met het hier en nu kwijt raakt. Dementie die liefdevol beschreven wordt zonder sentimenteel te worden. In het gedicht ‘Alfabet’ wordt het treffend benoemd:  Laten we gisteren vergeten en over morgen / praten. Iets bestaat pas als je het benoemt, / zegt ze, in een alfabet dat ze / steeds opnieuw voor mij verzint.

Het hoofdstuk ‘Uitzichten’ staat in het teken van het ‘zien’ (zien, kijken, ogen bekijken). De dichter bekijkt en beschrijft hoe hij de wereld, de stad, de kunst, een boek, het geluk ziet, ervaart. De uitzichten zijn de ik-ervaringen die de dichter met ons deelt. Deze gedichten zijn zintuigelijk, intiem op een observerende manier (opnieuw een invulling van de belofte op de binnenflap van deze bundel).

In het laatste hoofdstuk ‘Vergetelheid’ lees ik minder een duidelijke boodschap of idee terug. In de gedichten wordt er vooruit en terug gekeken, de tijd, de ik figuur, herinneringen  als verdwijnend en terugkerend in de tijd. Het hoofdstuk en de bundel sluit af met het gedicht ‘Blessuretijd’. In dit gedicht komen een aantal dingen samen. De dood en de tijd, het alledaagse leven, de kunst en de filosofie. En het besef dat alles eindig is.

Johan Clarysse heeft met de bundel ‘Het geduld van water’ een volwassen dichtbundel afgeleverd, een bundel waarin veel te ontdekken en te genieten valt. Geen ellenlange prozagedichten, geen vaste versvormen maar gedichten in een vrije vorm waarin het spelen met de taal vanaf de eerste bladzijde een hoofdrol is toegekend. De taalvondsten en -ideeën zijn rijk en origineel. In deze bundel wordt inhoud gegeven aan de belofte van de uitgever (en dichter) die wordt gedaan op de binnenflap voorin: “Wie de kronkelwegen van het leven en de liefde heeft geproefd herkent in Claryssens verzen een tochtgenoot” . Ik herken mijzelf in deze bundel als een ‘tochtgenoot’.

.

Blessuretijd

.

Nu de doden trekken aan mijn mouw,

ga ik door:

.

met keukenkruiden kweken,

springen en spreken

in het ongewisse, met adem

blazen in mijn doeken.

.

Pendelen tussen

wat voltooid is en onaf,

tussen het kind en het badwater,

tussen moederhart en getal,

.

speel ik in blessuretijd.

.

The Prince

Fernando Pessoa

.

Van mijn partner in MUGzine Marianne kreeg ik de bundel ‘Lisbon Poets’ uit 2015, een tweetalige en geïllustreerde editie voor eenieder die de Engelse taal machtig is en in (de Portugese) poëzie geïnteresseerd is. De dichters in deze bundel werden geboren of woonden in Lissabon. Internationaal de bekendste dichters Fernando Pessoa (1888-1935)  en Luís de Camões (1524/1525-1580) worden in deze bundel aangevuld met drie, in het Portugese taalgebied beroemde dichters Cesário Verde (1855-1886), Florbela Espanca (1894-1930) en Mário de Sá-Carneiro (1890-1916). Opvallend vind ik dat alle drie de dichters leefden aan het einde van de 19e en het begin van de 20ste eeuw. Alsof er na deze dichters geen dichters meer van enige betekenis meer zijn opgestaan.

In de bundel dus drie dichters die jong stierven en daardoor een zekere cultstatus hebben bereikt in Portugal. Cesario stierf aan tuberculose, Espanca en de Sá-Carneiro pleegden zelfmoord. Wat veel lezers waarschijnlijk niet weten (ik ook niet) was dat Pessoa 10 jaar van zijn vormende jaren in Zuid-Afrika woonde. De titel van een gedicht uit 1926 dat is opgenomen in de bundel hoefde dan ook niet vertaald te worden want die luidt ‘Lisbon Revisited’.

Uit de bundel koos ik (toch weer) voor een gedicht van Pessoa. Ik hou gewoon van zijn poëzie. Het gedicht dat ik koos is getiteld ‘O Infante’ of zoals de Engelse titel is ‘The Prince’. Het komt uit zijn bundel ‘Mensagem’ (Message), de enige bundel die onder zijn eigen naam werd gepubliceerd. Pessoa maakte veelvuldig gebruik van heteroniemen, fictieve schrijverspersoonlijkheden met elk een eigen ‘ik’, in totaal meer dan 20. ‘Mensagem’ werd in 1934 voor het eerst gepubliceerd, dus een jaar voor zijn overlijden. Voor de volledigheid en voor de liefhebber heb ik het gedicht ‘O Infante’ zowel in de Engelse vertaling als in het Portugees overgenomen.

.

The Prince

.

God desires it, mankind dreams it, a work is born.

God desires the earth to be as one,

that the sea should unite, no longer separate,

and you he favoured to unveil the foam.

.

The whiteness edged all, from isle to continent,

flowing swiftly from pole to pole.

All of a sudden, the whole earth, uncovered,

emerged, round, from depths of blue.

.

He who blessed you made Portuguese.

Of the sea and us through you He gave us a sign.

The Sea accomplished, The Empire dissolved.

Oh lord, Portugal awaits, still to be furfilled!

.

O Infante

.

Deus quer, o homem sonha, a obra nasce.

Deus quis que a terra fosse toda uma,

Que o mar unisse, já não separasse.

Sagrou-te, e foste desvendando a espuma.

 

E a orla branca foi de ilha em continente,

Clareou, correndo, até ao fim do mundo,

E viu-se a terra inteira, de repente,

Surgir, redonda, do azul profundo.

 

Quem te sagrou criou-te português.

Do mar e nós em ti nos deu sinal.

Cumpriu-se o Mar, e o Império se desfez.

Senhor, falta cumprir-se Portugal!

.

Version 1.0.0

 

Fernando Pessoa

Er zijn ziekten

.

De column van Arthur van Amerongen (die in Portugal woont en van daaruit zijn columns schrijft) bevatte op 20 april een zin van de Portugese dichter Fernando Pessoa: ‘Geef mij nog wat wijn, want het leven is niets’. Als ik dat lees dan ben ik gelijk nieuwsgierig naar de rest van het gedicht (dat niet voorkomt in de column).

Na enig zoekwerk blijkt dat Fernando Pessoa (1888-1935) het gedicht twee weken voor zijn dood schreef. Het gedicht is dan een van de slotgedichten van de tweetalige dichtbundel ‘Een spoor van mezelf’ Een keuze uit de orthonieme gedichten. Het is niet het enige gedicht over pijn en wijn, ook het gedicht ‘Rubayiat’ gaat hierover. Dat gedicht kun je lezen op https://chretienbreukers.blog/2020/01/04/in-de-metro-30-fernando-pessoa-en-harrie-lemmens/

De gedichten uit deze bundel uit 2019 zijn vertaald door Harrie Lemmens.

.

Er zijn ziekten die erger zijn dan alle ziekten,
er is pijn die geen pijn doet, niet eens in de ziel,
maar die sterker is dan elke andere pijn.
Er zijn gedroomde angsten die echter zijn
dan de angsten die het leven ons brengt, gevoelens
die we alleen in onze verbeelding ervaren
maar die meer van ons zijn dan ons eigen leven.
Er is zoveel dat zonder te bestaan
bestaat, aanhoudend bestaat,
en aanhoudend van ons is…
Boven het vuile groen van de brede rivier
de witte v’s van de meeuwen…
Boven de ziel het zinloze gefladder
van wat nooit was en niet kan zijn en alles is.
.
Geef me nog wat wijn, want het leven is niets.

.

Wanneer de lente komt

Fernando Pessoa

.

Ik heb op dit blog al vaker gedichten geplaatst van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). Toch ontbrak nog een belangrijk en bijzonder gedicht van zijn hand op dit blog. Een gedicht van troost, van hoop en van realistisch optimisme. De levenscirkel (geboorte, leven, overlijden) komt in dit gedicht mooi tot zijn recht en er wordt door het gebruik van de lente (een nieuwe lente, een nieuw geluid) een tegenwicht geboden aan de zwaarte van de het overlijden. In vele opzichten dus een bijzonder mooi gedicht uit 1915. Uit de bundel ‘De hoeder van kudden’ uit 2003 in een vertaling van August Willemsen.

.

Wanneer de lente komt… 

 

Wanneer de lente komt
En als ik dan al dood ben
Zullen de bloemen net zo bloeien
En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.
De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

.

Ik voel een enorme vreugde
Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is

.

Als ik wist dat ik morgen zou sterven
En het was overmorgen lente,
Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.
Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd?
Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn;
Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.
Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,
Want alles is werkelijk en alles is zoals het moet zijn.

.

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.
Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.
Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben
Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal het zijn dat wat het is.

.

Glimlachend elegant

Fernando Pessoa

.

Zo nu en dan neem ik de vuistdikke Canon van de Europese poëzie ter hand en blader ik er in op zoek naar inspiratie of gewoon een mooi gedicht. Toen ik dat pas weer deed stopte ik met bladeren bij een gedicht van de Portugese dichter Fernado Pessoa (1888 – 1935). Deze veeltalige dichter is één van de belangrijkste Portugese dichters en zeker één van de belangrijkste twintigste-eeuwse dichters.

Toen ik een aantal jaar geleden in Lissabon was op vakantie viel me al op hoe vaak Pessoa in het straatbeeld voorkomt. In de vorm van foto’s, beelden en graffiti. Dat staat in schril contrast met zijn leven. Vooral het literaire werk vereist, volgens Pessoa, ‘eenzaamheid’. Hij staat dan ook wel bekend als een “verkillende, lucide, sfynxachtig afwezige man” (Wikipedia: Willemsen, 2000). Pessoa wilde tijdens zijn leven obscuur blijven, daarna mocht de roem komen. Hij was bang voor onbekende mensen en onbekende plaatsen en kon er niet tegen gefotografeerd te worden. Zo zijn er maar weinig foto’s van hem bekend maar daar staat tegenover dat, misschien wel door zijn karakteristieke uiterlijk, er heel veel kunstwerken zijn gemaakt met zijn uiterlijk als uitgangspunt; schilderijen, etsen, standbeelden, collages, (pen) tekeningen, cartoons en graffiti.

Fernando Pessoa kent een grote populariteit in Nederland. Sinds de eerste vertalingen door August Willemsen eind jaren zeventig. Tot op de dag van vandaag blijft werk van hem vertaald worden. Het gedicht dat in ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ de canon van de Europese poëzie (samenstelling Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries) is opgenomen is een vertaling van August Willemsen. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Gedichten’ uit 1978.

.

Zij kwam, glimlachend, elegant,

De voetstap ongehaast en licht,

En ik, die voel met mijn verstand,

Maakte meteen ’t juiste gedicht.

.

Ik spreek daarin niet over haar

Noch ook hoe zij, volwassen kind,

De hoek omsloeg van gindse straat,

Hoek waar de eeuwigheid begint…

.

In het gedicht spreek ik van zee,

Beschrijf de golven en de pijn.

Herlezend zie ik een van twee:

De hoek – ofwel de waterlijn.

.

 

Anti-stress poëzie

Deborah Alma

.

Ik kende het begrip Bibliotherapie in algemene zin; een therapie waarbij gebruikgemaakt wordt van geschreven teksten zoals zelfhulpboeken, handleidingen, romans en prentenboeken om mensen van alle leeftijden te helpen met hun psychische en fysieke problemen. Al bij de oude Grieken was het bekend dat literatuur zowel psychologisch als spiritueel belangrijk was, en zij plaatsten boven hun bibliotheken dan ook een bord met het opschrift “Plaats ter genezing van de ziel. Bij bibliotherapie kiest men lectuur uit als therapeutisch hulpmiddel bij medische en psychiatrische behandeling. Dit gerichte lezen als begeleiding bij de oplossing van persoonlijke problemen wordt bijvoorbeeld ook aangewend in ziekenhuizen. (bron”Wikipedia).

Dat poëzie in dit rijtje ook thuis hoort daar getuigt het boek van Sarah waarover ik gisteren schreef van; poëzie om een traumatische ervaring mee te verwerken. In Engeland vond ik een dichtbundel uit 2015 over dit onderwerp met de veelzeggende titel ‘The Emergency Poet’ An Anti-Stress Poetry Anthology.

‘The Emergency Poet’ werd samengesteld door dichter en schrijver Deborah Alma. In haar voorwoord schrijft ze dat ze een oude ambulance kocht uit 1970 en daarmee naar ziekenhuizen, tehuizen, evenementen, bibliotheken, scholen en festival reisde voor poëzie therapie en vriendelijke conversatie. De mensen die ze daar trof waren vaak op zoek naar raad en een emotionele oppepper. Deborah alma hielp ze met het vinden gedichten om de geest op te vrolijken, te troosten en te helpen omgaan met alle druk van de moderne tijd.

De bundel is opgedeeld in verschillende hoofdstukken met thema’s als ‘Voor dagen wanneer de wereld even te veel voor je is’, Pluk de dag’, ‘Liefde’, Óuder worden’, ‘Hoop’, ‘Over verdriet’ en ‘Moed en Inspiratie’. Alle gedichten in dit boek zijn door haar uitgetest en in de praktijk gebracht en hun nut is bewezen. Tijd voor een Nederlandse hertaling of editie met gedichten van Nederlandstalige dichters.

De meeste gedichten in deze bundel zijn van Engelse of Engelstalige dichters maar er staat ook (vertaalde) poëzie in van onder andere Miroslav Holub, Fernando Pessoa, Thich Nhat Hanh en  Rainer Maria Rilke. Een aantal van de opgenomen gedichten is heel bekend en zelfs beroemd maar vele zijn ( voor mij) onbekend.  Zoals bijvoorbeeld het gedicht ‘Getting Older’ van Elaine Feinstein (1930 – 2019) een Engels dichter met grote affiniteit voor de Russische dichters van de vorige en deze eeuw. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Collected poems and translations’ uit 2002.

.

Getting Older

.

The first surprise: I like it.

Whatever happens now, some things

that used to terrify have not:

.

I didn’t die young, for instance. or lose

my only love. My three children

never had to run away from anyone.

.

Don’t tell me this gratitude is complacent.

We all approach the edge of the same blackness

which for me is silent.

.

Knowing as much sharpens

my delight in january freesia,

hot coffee, winter sunlight. So we say

.

as we lie close on some gentle occasion:

every day won from such

darkness is a celebration.

.

Noli me tangere

Dichten is een hoerige bezigheid

.

Via via kwam ik op een bijzonder grappige en interessante website terecht: https://verbodengeschriften.nl Op deze website staan verboden, vergeten, verketterde, verminkte en doodgezwegen boeken en geschriften. Uiteraard ben ik, nieuwsgierig als ik ben, op zoek gegaan naar poëzie op deze site. Helemaal onderaan de lijst staat een stuk van Søren Kierkegaard, vertaald en ingeleid door Drs. W.R. Scholtens met de intrigerende titel: ‘Waarom de mens vooral van ‘de dichter’ houdt en waarom, goddelijk gezien, ‘de dichter’ juist de allergevaarlijkste is.

Na de vertaalde oorspronkelijke tekst uit 1855 volgt een verduidelijking en daar staat onder andere te lezen:

.

Over de rampzaligheid van dichters
Je kunt pas iets zinnigs over de wereld zeggen als je niet meer van de wereld bent, met andere
woorden, dat je eerst een alien geworden moet zijn om als toeschouwer te zien hoe de wereld in elkaar
zit en dichters kunnen dat dus niet. Zij zitten opgesloten in het huis, waarvan zij denken dat het à huis
clos is, en kijken smachtend door het raam naar buiten. Wat zij als vrijgestelden in deze maatschappij
aldus produceren is slechts l’art pour l’art, voor hun eigen boterham, uit ijdelheid, uit de pretentie dat
ze iets te vertellen hebben, maar in wezen is hun dichten een hoerige bezigheid, het exploiteren van
hun eigen en andermans ellende en troosteloosheid. Zij zitten als die man in Kafka’s ‘Proces’ zielig aan
de, nota bene, open poort, hunkerend om naar binnen te gaan, en kristalliseren hun hunkering uit in
fraaie woorden.

Om te vervolgen met:

”De taal is ontstaan om de wil over te brengen en niet om ideeën te communiceren. De taal is vergelijkbaar met een wiskundige praktische creatie, omdat het een middel is om de wil over te brengen. Maar de mens is de taal langzamerhand gaan gebruiken om de wereld mee te beschrijven. Omdat dit voor een groot deel lukt is men vergeten dat woorden middelen van de wil zijn en is men woorden als begrippen en concepten gaan behandelen die onafhankelijk van de mens bestaan”……. Mundus vult decipi. De priesters geloven niet, wat ze de menigte voorhouden. De leiders van politieke partijen bedriegen het volk willens en wetens, met woorden die ze zelf niet begrijpen. De meeste dichters, schilders en verdere artiesten, hebben zich ook die rol aangemeten, vanuit een slechte kans op een plaats in de arbeidsmarkt, door zwakheid of luiheid. En het kritiekloze publiek erkende na enige tijd hun plaats in het kunstvak, waar ze alleen maar vervalste waar leveren, omdat ze niet anders kunnen.”

.

Als dichter en poëzieliefhebber mag ik graag dit soort dingen lezen. De aard en de ‘macht’ van de dichters was in vervlogen tijd blijkbaar gevaarlijk, waarom anders zou Kierkegaard zo fulmineren tegen de dichter. Mij komt het allemaal zeer vermakelijk over in ieder geval. Je snapt nu ook beter waarom dit op een website van vergeten en doodgezwegen boeken terecht is gekomen. Niets over de schoonheid die poëzie biedt, de troost, het plezier, het enthousiasme, het maatschappijkritische, zelfs niet over de mate waarin poëzie kan ontroeren of kan aanzetten tot denken.

De auteur die de verduidelijking schreef geeft als voorbeeld ook nog een passage uit een gedicht van Pessoa:

“Het mysterie der dingen? Weet ik veel wat mysterie is!
Het enige mysterie is dat er zijn die denken over het mysterie.
Wie in de zon staat en de ogen sluit,
Begint met niet te weten wat de zon is
En heel veel dingen te denken vol van warmte.
Maar dan opent hij de ogen en hij ziet de zon
En kan al nergens meer aan denken,
Want het zonlicht is meer waard dan de gedachten
Van alle filosofen en van alle dichters.”

.

Ik kan het nogmaals vooral glimlachend lezen. En reageren met een gedicht van Gerrit Komrij uit de bundel ‘Gesloten circuit’ uit 1982 getiteld ‘Noli me tangere’.

.

Noli me tangere

.

Een vers is ballast. Zorg dat het vergaat.

Je kunt het slopen als je op het laatst

Een bom onder het deel dat er al staat,

Een landmijn in de laatste regel, plaatst.

.

Steek nu de lont vast aan. Een vrome wens.

Er is geen bom. Je bent gedwongen om

Je vers te vullen tot de verste grens.

Pas na een slalom stoot het op de bom.

.

Waarom schei je er, op dit punt beland,

Dan niet mee uit? Raak het niet langer aan.

Hier kan het nog. Maar verder gaat je hand.

Een vers moet rond zijn om niet te bestaan.

.

 

Ari

Langste gedicht van Nederland

.

Op 28 september 2010 schreef ik over het tunnelgedicht van Joke van Leeuwen in Antwerpen. Wat ik niet wist maar waar ik door Alek op gewezen werd, is dat Nederland ook over een tunnelgedicht beschikt. Dit is het gedicht ‘Lieve Ari’ van Jules Deelder. Deelder schreef het gedicht voor zijn in 1985 geboren dochter Ari. Het gedicht staat geschreven, of beter gezegd getegeld, over de gehele wand van de fietsbuis van de Benelux tunnel onder de Nieuwe Maas tussen Vlaardingen en Pernis. De tekst is 900 meter lang en daarmee het langste gedicht van Nederland (of dit ook het langste gedicht ter wereld is zoals wel beweerd weet ik niet, op 24 mei 2010 schreef ik al over het gedicht ‘De schaapsherder’ van Fernando Pessoa op een fietspad langs de Taag in Lissabon) en dat is aangebracht op de wanden van de fietstunnel naast de Beneluxtunnel bij Vlaardingen.

Het gedicht luidt:

.

Voor Ari

.

Lieve Ari
Wees niet bang

De wereld is rond
en dat istie al lang

De mensen zijn goed
De mensen zijn slecht

Maar ze gaan allen
dezelfde weg

Hoe langer je leeft
hoe korter het duurt

Je komt uit het water
en gaat door het vuur

Daarom lieve Ari
Wees niet bang

De wereld draait rond
en dat doettie nog lang

.

Gedichten op vreemde plekken

Deel 25: Gedicht op een fietspad

.

Van de Portugeese dichter Fernando Pessoa is het gedicht ‘De schaapsherder’ op een fietspad langs de Taag.

.

fietspadgedicht

.