Categorie archief: Dichtbundels

Van de nacht

Dirk van Bastelaere

.

De Vlaamse dichter Dirk van Bastelaere (1960) is een postmodern dichter, essayist en vertaler. Van Bastelaere was samen met Erik Spinoy en Mark Eelen redactielid van R.I.P. Driemaandelijks tijdschrift voor literatuur en stijl, dat slechts één jaargang telde. Hij debuteerde met gedichten in ‘Vijf jaar’ (1984) waarmee hij de prijs voor het beste literaire debuut in Vlaanderen verwierf.

Van Bastelaere’s poëzie is ironisch-afstandelijk en kenmerkend voor de generatie jonge Vlaamse dichters met hun sceptische houding ten aanzien van een wereld waar zij geen zin of samenhang in kunnen ontdekken. Alle zekerheden ontbreken en de werkelijkheid is fragmentarisch en absurd. Schrijven over die werkelijkheid is een spel en het gedicht is dan ook een spel: een autonome tekst met meerdere betekenissen.

Uit: ‘Diep in Amerika’ uit 1994 het volgende gedicht.

.

Van de nacht

.

Van de nacht roept het

zich zo door het meisje heen

dat het haar nog

aan een lichaampje ontbreekt.

.

Er is een kans dat het werkelijke

zich niet weet terug te vinden,

zoals er een kans is

dat het roepen geen oorsprong heeft.

.

Zo in verdwijning

geroepen is het meisje

dat het zich niet van ons kan weten

want als haar gentiaanblauwe  Mickeybeker

liepen wij

eerder in het gras, leeg in het leven.

.

diepia

 

De wereld

Eli Scheen

.

Van de dichter Eli Scheen (1914 -1982) is niet veel bekend. In 2003 verscheen postuum de bundel ‘Gedichten’ van deze uit Lochem afkomstige dichter in De Sandwich-reeks. In het voorwoord van de bundel die door Gerrit Komrij werd samengesteld schrijft hij:

“Hij moet vroeg al gedichten hebben gemaakt, al stuurde hij me eerst later een pak toe met iets van een samenhang. Vervolgens bestookte hij me met wijzigingen, dan weer trok hij alles terug. ?De gedichten beschouw ik als een grap. Het was een uitbarsting die precies vijf maanden heeft geduurd. Sindsdien ben ik sprakeloos. Enkele verzen kwam nog in het literaire tijdschrift Maatstaf terecht.”

In 2011 nam Arie Boomsma nog een gedicht van deze kortstondige dichter op in zijn verzamelbundel ‘Met dat hoofd gebeurd nog eens wat’ een persoonlijke keuze uit de Nederlandse poëzie. Het betreft hier het gedicht ‘De wereld’

.

De wereld

.

De wereld draait om seks en geld,

om geld en seks.

De wereld draait om seks en geld,

om geld en seks.

De wereld draait om seks en geld,

om geld en seks.

God heeft het aangezien

en goed bevonden.

De duivel heeft het bekeken

en goedgekeurd.

Ieder moet maar zien hoe hij zich redt,

met seks en geld of zonder het.

.

elischeen

Dichter van de maand Januari

Hagar Peeters

.

Ik wil dit jaar beginnen met iedereen die dit leest de allerbeste wensen over te brengen, op naar een mooi en poëtisch 2017!

Een nieuw jaar, een nieuwe dichter van de maand. Zoals vorige week al door mij aangekondigd is in januari Hagar Peeters dichter van de maand januari, Dus elke zondag in januari een gedicht van deze dichter.

Hagar Peeters (1972) studeerde Cultuurgeschiedenis en Algemene Letteren aan de Universiteit van Utrecht en was redacteur bij het ‘Historisch Nieuwsblad’. Haar performance op het Double Talk-festival in 1997 bleek voor haar de doorbraak: ze werd gevraagd op te treden bij De Nacht van de Poëzie en Crossing Border, nog voordat zij was gedebuteerd. Dat zou gebeuren in 1999, met ‘Genoeg gedicht over de liefde vandaag’.

Naast poëzie schrijft Peeters ook proza. Maar omdat ze dichter van de maand is vandaag het gedicht ‘Ook wij, Titaantjes uit de bundel ‘Koffers zeelucht’ uit 2003.

.

Ook wij, Titaantjes

We hadden geen benul van hoe het liep.
We deden dingen omdat je dingen doet.
We richten daden aan en lazen soms een boek
om te vieren dat gedachten niet vergingen.

We gingen door omdat je verder moet
of bleven haken aan een onverwachte blik
omdat er blikken zijn waarmee iets wordt bedoeld,
vooral wanneer bedoeld was wat wij wilden.

We vingen aan en rondden ook wel af
maar wat in gang gezet was ging zijn eigen weg toch weer.
We maakten plannen, legden ons erbij neer
dat dingen gingen zoals ze niet waren voorvoeld.

We liepen af toen het eenmaal zo ver was
dat wat niet voorvoeld was onomkeerbaar bleek.
We lieten wat we hadden in de steek
en zochten naar wat ons verlaten had.

.

anp-6468188

Onstuimige jeugd

Gerard Reve

.

Schrijver Gerard Reve (1923 – 2006) is behalve van zijn proza ook bekend van zijn poëzie. Zo debuteerde hij als dichter in 1940 met de bundel ‘Terugkeer’ voordat hij proza schreef. In 1987 werden zijn gedichten in een verzameld werk bijeen gebracht onder de titel ‘Verzamelde Gedichten’ en uit deze bundel het gedicht ‘Avondrood’.

.

Avondrood

.

Eens was ik jong en schoon.
Vrouwen die met mij dansten werden in mijn armen
medegevoerd tot duizelingwekkende hoogten.
Nu gaat er niets meer omhoog:
het enige dat stijf staat zijn mijn gewrichten.
Ach, waar zijt gij gebleven
zoete, bittere, onstuimige jeugd?

.

gerard_reve_1969-crop

Foto: Joost Evers, Nationaal Archief Den Haag

Kathedralen

Leo Vroman

.

Afgelopen zomer was ik op vakantie in Engeland, Cornwall. Op enig moment bezochten we de kathedraal van Truro, hiertoe ook aangezet door wat ik in ‘According to Yes’ las van Dawn French (ja die van French and Saunders). In deze roman van comedian/romanschrijfster French bezoekt de (Engelse) hoofdpersoon een oude kerk in New York die haar aan de kathedraal in haar geboorteplaats Truro doet denken.

Omdat wij in de buurt van Truro logeerde besloten we deze kathedraal met een bezoek te vereren. Aangekomen in de kathedraal werd ik verrast door een enorm springkussen en een soort creatieve markt/rommelmarkt in de kathedraal die gewoon nog in gebruik is als kerk. Vooral het springkussen was een detonerend object tussen zoveel geschiedenis.

Ik moest hier aan denken toen ik in ‘In liefde bloeyende’  De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten, van Gerrit Komrij,  het deel over het gedicht ‘Kathedralen’ van Leo Vroman (1915-2014) las.

In zijn beschouwing over dit gedicht schrijft Komrij: “Het gaat hier om een laat-twintigste-eeuwse kathedraal, een kathedraal die een andere bestemming lijkt te hebben gekregen – die van meubelzaal of een rommelmarkt.”

Hieronder de foto’s die ik nam van en in de kathedraal en het gedicht van Leo Vroman.

.

Kathedralen

.

Wij zijn kathedralen

vol duistere geuren

en duistere gangen

achter zware deuren

verborgen zalen

Van het beeldwerk hangen

versmolten spiralen

en treurige slangen

van kleurloze kralen

Daar zijn voelbare balen

verouderde stangen

verwaarloosde palen

Daar stijgen en dalen

verdwaalde gezangen

verdichte verhalen

van dood en verlangen

zichtbare gangen

geopende zalen

en zonlicht

.

img_5235

img_5099

 

 

Brief aan de spiegel

Pierre Kemp

.

Via Facebook werd ik gewezen op een artikel dat verscheen http://www.literatuurmuseum.nl/artikelen/het-noodzakelijke-cliche-van-een-dichtende-forens over Pierre Kemp (1886 – 1967). Ik weet niet veel over deze Limburgse dichter, ik las eens een artikel over hem en bekeek een documentaire over zijn leven. Wat me ervan is bij gebleven, is dat hij een muze had, een vrouw die niet zijn vrouw was, en dat hij zijn poëzie vooral in de korte treinreizen schreef tussen de mijn Laura, waar hij werkte als loonadministrateur en zijn huis in Maastricht.

In het zeer lezenswaardige artikel staat ook te lezen dat hij altijd in het zwart gekleed ging zodat het kolengruis niet zichtbaar was. Kemp heeft veel gedichten geschreven (19 bundels) en zijn werk werd o.a. bekroond met de P.C. Hooft-prijs en de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre.

Uit zijn verzameld werk uit 1976 het gedicht ‘Brief aan de spiegel’.

.

Brief aan de spiegel

.

spiegel, als ik straks nog maar een lege onderbroek ben

en hemd, waarin vergolft mijn laatste harteklop;

als ik van het bestaande niets meer erken

dan wat nog welt uit mijn zingende kop

van onder het eerzame, schaarse haar,

kom ik nog eens vorsend voor je staan

en kijken wij elkander nog eens heel lang aan.

Tot dan,

je incomplete luisteraar

en leeggelopen man!

.

oldman-300x200

Lucebert

De Amsterdamse school

.
Lezend in de bundel ‘De Amsterdamse school’ van Lucebert uit  1978 kwam ik het gedicht ‘ab ovo’ tegen. Voor wie niet weet wat ab ovo betekent, het is Latijn en betekent ‘vanaf het ei’ of vanaf het begin. Dit weet ik omdat ik zelf een gedicht met die titel heb geschreven dat staat in ‘Zichtbaar alleen’. Mijn ‘Ab ovo’ is is te lezen op dit blog op https://woutervanheiningen.wordpress.com/2012/12/22/en-we-zijn-er-nog/. Die van Lucebert staat, uiteraard, hieronder.
.
ab ovo
.
aan iulia dochter uit het 2de huwlijk v. augustus
van buiten het eiland
het gemurmul van de buurman
het gemurmul van de buurman
het gemurmul van de buurman
.
sla nu op de letters
de holle lichtschuwe letters
knuppelrode lippen op en neer
hier is geen huis geen tuin
de voorbijgangers zijn zacht ingegraven
in modder in aardzieke schaduw
en het is allemaal schrijven op huilen
bij hen de heldhaftige minnaars
een gouden kuil in de regen
hebben zij gespit met pipse
degens en verkouden kuchende zwaarden
.
jij iulia bent een beter schrijfster
dan de schrijvers van
‘de veldtocht der vogels’ of
‘het slagveld der libellen’
,
nadat je had nauwkeurig de 9 glazen mist genoteerd
waarin het stenen tirannenhoofd vernevelde
liet je de tienduizend knapen komen
en in een bos van klamme handen
wierp je je koninklijke borsten
die genoemd zijn:
de ontketende knaagdieren van haar hart
en meisjes bloesems
vertelde je de geheime aandacht van de vader
en je gaf hen je tak van rozensiroop en hiasintensap
die genoemd is:
het koninginnerapier
gefluisterd ook:
reeds in het ei je neuriede
het schadelijk loflied op de keizer
en gelasterd is:
het eerste wereldlicht waaraan je je ogen sloot
heb je schreeuwend verweten:
dit stinkt
en met luider stemme gezegd werd:
in het zand voor de knapenkrijgsschool schreef je
met de vinger van een roodharige adelborst:
‘tegen tien regels één lege richel
onder waarschuwers één waarschuw
en op talloze oppassen één onpas’
.
(men heeft verklaard:
dit alles mag niet met DE WERKEN vergeleken worden)
.
over de wrakhouten de golven
over de halfvermolmde golven
met het geblakerde boek
boek van het wanbeheer
verbannen ben je iulia
tussen de weerspannige spreuken
laat de eenzame geest zijn teken trillen
zijn teken is heerlijkheid die geen einde heeft gezien
heerlijkheid heeft zij gezien
zij die geen einde heeft gezien
.
het gemurmul van de buurman
het gemurmul van de buurman
het gemurmul van de buurman
iuliaiuliaiulia
.
.
.
adamschool

Neeltje Maria Min

Wak

.

Neeltje Maria Min (1944) haar eerste gedichten werden gepubliceerd onder het pseudoniem Sophie Perk, verwijzend naar Jacques Perk in 1964 in het Nederlands cultureel en literair tijdschrift De Gids, twee jaar later gevolgd door enkele gedichten in het literair tijdschrift Maatstaf. Haar eerste bundel ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’, uit 1966 was met een oplage van 7000 exemplaren meteen een groot succes. Haar gedichten daarin gaan over liefde en dood en over de verhouding tussen ouder en kind.

Haar vijfde en vooralsnog laatste bundel verscheen in 1995 en was getiteld ‘Kindsbeen’. Uit deze bundel, die in 1996 de publieksprijs won komt het titelloze gedicht waarbij ik meteen een beeld had. Een beeld dat je tegenwoordig steeds minder vaak te zien krijgt namelijk een wak in het ijs met in dat wak een obstakel dat door het ijs gevangen is.

.

Een toegetakeld wak,

een hinderlaag van ijs.

Het tabernakel geeft

niet prijs wat het heeft ingelijfd.

.

Waar roestig ijzer schrijft,

waar tekening begint

van lijn en hapering,

houdt wind de adem in en snijdt.

.

Hier is het wachten op:

Het einde van de tijd,

een kilte die ontdooit,

de dag waarop hij vleugels krijgt.

.

kindsbeen

SONY DSC

SONY DSC

Dichter van de maand december

M. Vasalis

.

In de fijne bundel ‘Apollo’s reis door Nederland’ uit 1956 waar ik eerder deze week al over schreef, staat een mooi gedicht van Margaretha (Kiekie) Droogleever Fortuyn-Leenmans of zoals de meeste mensen haar kennen M. Vasalis, met als titel ‘Afsluitdijk’. Omdat zij in december mijn dichter van de maand is was het makkelijk kiezen dit keer.

Oorspronkelijk verschenen in ‘Parken en woestijnen’ uit 1940.

.

Afsluitdijk

.

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar ´t een droom, in ´t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

.

vasaliscover_210_293_s_c1_c_c_0_0_1

Apollo’s reis door Nederland

Een verzameling geografische gedichten

.

In 1956 verscheen bij Nijgh & Van Ditmar in de Nimmer Dralend Reeks (nummer 56) ‘Apollo’s reis door Nederland’ een verzameling geografische gedichten samengevoegd door Laurens van der Waals. Gedichten over plaatsen, forten, duinen, sloten, weiden, molens, rivieren en dorpen. Door dichters als Aafjes, Achterberg en Marsman maar ook Jan Walch, E. den Tex en J. Jac Thomson. Ruim 140 pagina’s gedichten en poëzie over Nederland in al haar facetten.

Ook over het deel van Den haag waar ik woon staat een gedicht in de bundel, daarom mijn keuze voor dit gedicht van J.C. Bloem.

.

Scheveningen: mistige wintermiddag

.

Doodstille decemberdag,
Nevel en stilte overal.
Geen enkel geluid maakt gewag
Van een wereld van schijn en schal.

Landwaarts is het kil, maar de kust
Is zoel als een najaarsnoen,
Betogen door een rust
Als van een eeuwig seizoen.

Na de ijdele praal van feest
Schijnt het wanstaltig vertoon
Van bouwsels en plompen geest
Verheven en bijna schoon.

De zwarte brug in de zee
Reikt naar den wolkenden gloor
Van een zon, die niet blonk, en verglee’
In den zilveren mist teloor.

Wat vissers langs ‘t eenzaam strand,
En kindren, spelend op straat —
En de golven, spoelend aan land,
Het geruis, dat hen nooit verlaat.

O meisje, o jonge bruid,
Uw lippen zijn warm en rood,
Het leven dat niemand stuit,
Bloeit eens uit uw wachtenden schoot,
Gij lacht, en uw stap klinkt luid —
Maar het eind van dit al is de dood.

.

apollos-reis-door-nederland-42052209