Categorie archief: Dichtbundels
Blues om wat blijft
Willy Spillebeen
.
De Vlaamse dichter, schrijver, vertaler, bloemlezer en essayist Willy Spillebeen (1932) ken ik door een andere Vlaamse dichter Hervé Deleu, die in 2012 de allereerste gedichtenwedstrijd van poëziestichting Ongehoord! won. Toen ik in 2013 door Hervé gevraagd werd een paar gedichten voor te dragen bij de presentatie van zijn bundel ‘De geur van de maan‘ was Willy ook een van de dichters die daar voordroeg. Beide dichters wonen in Menen in Vlaanderen en kennen elkaar goed.
Na deze eerste kennismaking vroeg ik Willy in 2014 om voor te komen dragen in Rotterdam bij het podium van diezelfde poëziestichting. Daar maakte hij grote indruk op het vooral jonge publiek. Sindsdien ben ik Willy wat uit het oog verloren. Ik vroeg hem voor MUGzine maar na enige pogingen daartoe kreeg ik uiteindelijk een reactie van zijn vriendin dat Willy daarvan afzag. Het bleek dat ik in 2014 de beloofde reiskosten aan hem niet had voldaan. Stom natuurlijk al had ik het graag destijds meteen gehoord en niet jaren later achteraf. Een poging om het alsnog goed te maken kon in zijn (haar) beslissing helaas geen verandering brengen.
Dit staat los van de waardering die ik heb voor Willy en zijn bijdrage aan de literaire wereld en de poëzie in zijn lange leven. Om dit te illustreren wil ik hier graag een gedicht van hem delen. In Brugge waar ik pas geleden was, kwam ik in een boekwinkel zijn bundel ‘Blues om wat blijft’, uitgegeven bij uitgevrij P in 2011, tegen. In die bundel staat het gedicht ‘Reiger en specht’. En als je nou denkt ‘ah een natuurgedicht!’ ja dat is het ook maar het is zoveel meer, het verandert langzaam in een erotisch gedicht. Lees maar.
.
Reiger en specht
.
Blauwe reiger met grijs stuitje
vrouw met de rechte rug
staat roerloos naast het water
stijgt statig op.
.
Groene specht met geel stuitje
vliegt golven boven het water
vrouw met de rechte rug
hecht zich later aan een stam.
.
Hun stuitjes mimicry
van vogelverlangen.
.
Maar o de kuiltjes boven je stuitje
vrouw met de rechte rug.
.
O de orchidee van je schede.
.
O het verrukkelijke vrijen
met vogels met water
met bomen met bloemen.
.
Jij in het groene land
Hans Andreus
.
In de ‘Verzamelde gedichten‘ uit 2004 (herdruk van deze bundel uit 1983) van Hans Andreus (1926-1977) lees ik een bijzonder liefdesgedicht getiteld ‘Jij in het groene land’. Het gedicht valt mij meteen op door de eigenaardige eerste zin die meteen mijn aandacht vraagt (en krijgt). Nu ben ik een groot liefhebber van mooie liefdespoëzie en ik mag het ook graag zelf schrijven, dus alle reden dit gedicht hier te delen. Want van liefdesgedichten krijg en lees je nooit genoeg.
.
Jij in het groene land
.
Overal te mooi om los te lopen
loop je los
door het groene land dat verbleekt
bij je haar dat schoorstenen veegt
en je ogen van gerookt amber,
terwijl je mond het koppig blijft verkerven
bij het weiland en de sloot.
.
En daarbij loop je zo loom los,
toch driftig met passen die tikken
als een woedend aftikkende dirigent,
loop je zo vinnig en stil
met je passen van vrouw,
dat de huizen ervan schrikken hoewel ze
natuurlijk likkebaarden in hun kelders.
.
En later los kom je naast mij liggen maar niet
lang,
want een gelukkig rampjaar ’s nachts
lang lopen wij vast,
raken wij vast,
worden wij het eenparig dier dat van alles op aarde
het meest op een god lijkt, maar
denken wij daaraan?
.
Geen denken aan.
.
Zo mooi, veel te mooi ben je om er te zijn.
Maar je bent er en ik,
ik ben er om het je te zeggen:
zo mooi zwart en blank in het groene land.
.
Zwanenzang
Herman Leenders
.
In de nieuwe bundel van de Vlaamse schrijver en dichter Herman Leenders (1960) is een gedicht gewijd aan een andere dichter Koenraad Goudeseune (1965-2020). Herman Leenders debuteerde in 1982 met de bundel ‘Mijn landschap, een beeldinventaris’ waarna nog 7 dichtbundels en enkele romans volgden. Hij behandelt in zijn gedichten vooral de spanning tussen droom en werkelijkheid. Hij doet dat in een directe taal die beeldend en zintuiglijk is.
Hij was vrije Brugse stadsdichter voor de periode 2016 – 2017. Voor zijn poëzie ontving hij onder andere de C. Buddingh’-prijs (1993) en de Hugues C. Pernath-prijs (1993) beide voor zijn bundel ‘Ogentroost’.
In zijn laatste bundel ‘Het voorland’ “hangt een onuitgesproken dreiging over deze gedichten maar tegelijkertijd een geruststellende mist van weemoed en tevredenheid. De mens is op weg naar zijn lotsbestemming en leeft ondertussen onwetend, min of meer gelukkig, min of meer onschuldig in het voorland, het grensgebied tussen land en zee, hemel en aarde, gisteren en morgen, leven en dood”.
In deze bundel staat dus een gedicht voor Koenraad Goudeseune, de dichter die na een kort ziekbed in 2020 euthanasie koos. Het gedicht is getiteld ‘Zwanenzang’.
.
Zwanenzang
.
Voor Koenraad Goudeseune
.
je bent onder vrienden als een koning gestorven
op het laatste podium dat je hebt bestegen
in het nerveuze licht van schermen
met likes als heilig oliesel
.
we leefden dag na dag van je sonnetten
die niemand ontzien – jezelf nog het minst –
we zagen bloemen glorieus verwelken
drank in de glazen verschalen
.
jouw lach verkrampen
weglekken in het infuus
het vege lijf mager en gekrompen
.
je poëzie zal blijven leven beweren de vazallen
straks krijg je postuum de Herman de Coninckprijs
weer niet: is dit dan het happy end waarde vriend
.
Reflectief
Inge Boulonois
.
Afgelopen dinsdag overleed heel onverwacht dichter en schilder Inge Boulonois (1945-2024). Ik ontmoette Inge voor het eerst tijdens een avond bij Alja Spaan in Alkmaar tijdens Alkmaar Anders. Zij droeg die avond niet voor maar kwam voor de voordrachten en voor Alja. Later leerde ik haar beter kennen vooral door haar poëzie en het contact dat we hadden via Facebook, via dit blog, Meander en de bundels die ze publiceerde zoals ‘Voor waar genomen‘ en ‘Vers gekruid‘.
Toen wij van Mugzines een nummer wilde maken met light verse benaderde ik Inge om haar te vragen of ze daaraan mee wilde werken en vroeg ik haar om de namen van nog drie dichters. Dat resulteerde in een zeer succesvolle uitgave van Mugzine nummer 8 met light verse gedichten van haar, Wim Meyles, Frank van Pamelen en Remko Koplamp.
In 2000 begon Inge met het schrijven van gedichten. Ze debuteerde in 2004 met de bibliofiele bundel ‘Ooglijke tijd’. Van 2011 tot 2015 was ze stadsdichter van Heerhugowaard. Haar poëzie werd opgenomen in diverse literaire tijdschriften en bloemlezingen en haar werk werd meerdere malen bekroond: Plantage Poëzieprijs (2005), Concept Poëzieprijs (2006), Guido Wulmsprijs (2006), Culturele Centrale Boontje Poëzieprijs (2008), Poëzieprijs Merendree (2009) en de Nieuwegeinse Poëzieprijs (2009).
Sinds 2005 analyseerde ze poëzie voor Meander op klassiekegedichten.net. Voor literatuursite Meander schreef ze recensies van light verse. Een heel veelzijdige vrouw en dichter kortom. Bij Meander gaan we haar missen maar ook als mens. Inge was een enthousiaste, warme en altijd geïnteresseerde vrouw. Op haar rouwkaart staat ‘Leven blijft omdat het overgaat’ en dat zijn ware woorden. Op haar facebook pagina staat een laatste gedicht dat ik hieronder plaats. Maar ik heb ook een ander gedicht van haar gevonden dat ik erbij wil zetten. Het is getiteld ‘Reflectief’ en het geeft de optimistische en vrolijke aard van Inge weer. Zoals we ons haar zullen herinneren.
.
Reflectief
.
Steeds vaker kijk ik op mijn leven terug
En ben dan helemaal niet ontevreden
Met wat de jaren brachten tot op heden
En wat ik nu doe, ouder, minder vlug
Ik dicht, dit maakt mijn dagen stukken lichter:
Hier heb ik het gebracht tot zondagsdichter!
.
Stadsontwikkeling
Daan de Ligt
.
De Haagse dichter Daan de Ligt (1953-2016) begon op relatief late leeftijd te schrijven, hij maakte in zijn gedichten gebruik van vaste versvormen als de sonnet. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag gaf hij in eigen beheer de bundel ‘Vijftig’ uit, waarin ook een aantal Haagse stadsgezichten was opgenomen. Deze stadsgezichten maakten zo’n indruk op de redactie van de Haagsche Courant (later AD Haagsche Courant), dat De Ligt gevraagd werd om als stadsdichter voor de krant nog vijfentwintig stadsgezichten te schrijven. Dit werden er tussen 2003 en 2010 uiteindelijk 250.
Veel van deze gedichten spelen zich dan ook af in Den Haag. In 2009 verscheen zijn bundel ‘Oude nozem’ zijn vijfde dichtbundel (er zouden er nog drie volgen). De poëzie is het best te definiëren als light verse maar in ‘Oude nozems’ wilde De Ligt zijn andere wat meer serieuze kant belichten. Bladerend in de bundel stuitte ik op het gedicht ‘Stadsontwikkeling’ dat eigenlijk nog steeds, of alweer, heel actueel is. Met de grote vraag naar huizen worden allerlei stukjes grond in de stad die braak liggen of die nog wat natuur bevatten, opgeofferd aan deze vraag.
.
Stadsontwikkeling
.
dit is een prachtig bos, haast ongerept
met vogels, vlinders en volwassen bomen
de schoonheid naar een eeuwenoud recept
hier kunnen minstens vijftig villa’s komen
dat duingebied, de onschuld niet verloren
nog rusteloos, zoals het altijd was
met stuivend zand en vrolijk wuivend gras
de ideale bouwplaats voor kantoren
dat landgoed, nog zo groen, verstild en puur
met rozentuin en perken vol margrieten
een lustoord waar de stadsmens kan genieten
ik denk aan hoge flats (te koop, te huur)
natuur is wreed, de sterksten zullen groeien
ik vegeteer op staal, beton en steen
en woeker mij door al het leven heen
als alles is gestorven, zal ik bloeien
.
De zachte veren van de tijd
Ali Şerik
.
Enige tijd geleden stuurde uitgeverij U2pi mij een recensie exemplaar toe van ‘De zachte veren van de tijd’ van de van oorsprong Turkse schrijver/dichter Ali Şerik (1962). Door omstandigheden was ik nog niet toegekomen aan dit boek maar ik vond het terug in mijn stapel nog te lezen bundels en ben erin begonnen. Ik noem het expres een boek want een poëziebundel is het niet direct. Het is meer een poëtische vertelling. Of misschien kijk ik er met een te beperkte bril naar en valt zijn manier van schrijven, dichten, onder de noemer poëtisch proza of proza gedichten. Ik denk dat ik dit boek daar meer eer mee aan doe.
De bundel beschrijft een epos zo lees ik op de achterflap en dat is het met recht. Meeslepend, indringend, persoonlijk, dramatisch. Een verhaal verteld in verzen die soms 1 of 2 pagina’s lang zijn en soms meerdere. Verzen met duidelijke titels met een tijdsaanduiding zoals ‘Een jongen zingt een lied 00.20 uur’ of ‘Het gekluisterde gejammer 02.04 uur’ waardoor je al lezend een extra dimensie meekrijgt.
De stijl van Ali Şerik is duidelijk vanuit zijn Turkse achtergrond geschreven; bloemrijk, gebruik makend van veel bijvoeglijke naamwoorden, Şerik heeft het vermogen om met zijn taal je bij je kladden te grijpen en mee te sleuren in het verhaal. En toch is het voor een veellezer van poëzie soms ook moeilijk om de aandacht er bij te houden door deze vorm. De woordenstroom meandert zich een weg door een geschiedenis waarbij er uitstapjes worden gemaakt naar vroeger tijden (cursief gedrukt) waar je je in kan verliezen. Wanneer je daarna weer in de harde realiteit wordt gesleept is het voor mij soms even wennen en moet ik teruglezen waar het verhaal mij achterliet.
Desalniettemin vind ik het lezen van dit epos een uitdaging en een verrijking. Şerik zet de verhalen van vluchtelingen van nu in een perspectief, hij geeft ze een terechte plek in de geschiedenis door andere verhalen van vluchtelingen ernaast te zetten. Hij geeft daarmee de lezer eigenlijk de opdracht om te ontdekken dat vluchtelingen van alle tijden zijn, dat het mensen van vlees en bloed betreft en dat mededogen met deze vluchtelingen te vergelijken is met de (terechte) aandacht die er nu is voor de oorspronkelijke inwoners van de Verenigde Staten (de native Americans), de vluchtelingen uit de Oekraïne of de slaven in het oude Rome (weer tot leven gebracht in (weliswaar een over-geromantiseerde) film als Gladiator.
In haar recensie van ‘De zachte veren van de tijd’ op de Meanderwebsite stelt Anneruth Wibaut een terechte vraag: Ali Şerik heeft een groots werk geschreven waarmee hij vluchtelingen hun volwaardige plek als mens geeft in de geschiedenis. De toekomstzoekers worden individuen onder zijn handen. De vraag is of onze harten groot genoeg zijn om ze er allemaal een plekje in te geven, met ook alle naamloze vluchtelingen uit de geschiedenis erbij. Het is ook de vraag of een gelover in het gevaar van asielzoekers door dit boek op andere gedachten zal komen.
Deze zelfde gedachte kwam ook mij op bij het lezen van het boek. Mij heeft het gesterkt in mijn mening over vluchtelingen, heeft het mijn idee van wat er gebeurt gekleurd op een menselijke wijze. Of dat ook geldt voor iemand die al heel negatief is tegenover vluchtelingen (met daarbij de vraag of zo iemand dit boek zou gaan lezen?) is maar zeer de vraag. Hoewel dat voor iedereen wel het beste zou zijn.
‘De zachte veren van de tijd’ heeft mij in ieder geval in staat gesteld om mijn idee van wat poëzie is (en dat is toch een best breed idee) nog wat te verbreden, poëtisch proza of prozagedichten zijn, mits goed geschreven, een verrijking voor mijn poëziebeleving. Rest de vraag hoe je, zoals ik dat doe op dit blog, een gedicht plaats uit dit boek. Ik heb ervoor gekozen een stuk op te nemen uit ‘Alsof zwijgen vergeten is, 01.24 uur’ omdat Şerik in dit vers heel mooi het thema of het probleem dat hij beschrijft, een menselijk gezicht geeft.
.
Alsof zwijgen vergeten is, 01.24 uur
Moeder Nahla is gesluierd
goed te zien zijn haar lichtbruine ogen, haar wimpers.
Haar wenkbrauwen dun alsof ze door een zijderups zijn gesponnen.
Hoewel je het gezicht van deze vrouw niet ziet
bekruipt je het gevoel dat haar hele gelaat bovenaards is
een bloemblad van een witte waterlelie.
Op haar schoot baby Dashni.
Een baby die graag lacht.
Nu lachte ze naar de pop die ze in haar handje heeft
een pop die een oog mist.
Een beeldschoon kind dat zoals alle kinderen het recht heeft
om volwassen te worden.
Het recht van volop lachen, luid schreeuwen
immens nieuwsgierig zijn, gul huilen.
.
Ontheemde
Lily Touwen
.
Tijdens de Indische maand in Vlaardingen waar afgelopen zondag het derde deel van Indische Spraakwatervalletjes werd gepresenteerd en waar ik samen met wethouder Silos van Vlaardingen de eerste exemplaren van in ontvangst mocht nemen, droeg Lily Touwen (1925) het gedicht ‘Ontheemde’ voor. Ook dit derde deel van Indische Spraakwatervalletjes staat weer vol met verhalen van verschillende generaties over hun Indische verleden, heden en toekomst.
Lily Touwen was als oudste deelnemer ook weer aanwezig. Touwen werd als kind van blanke Nederlandse ouders geboren in voormalig Nederlands-Indië. De repatriëring na WOII had tot gevolg dat ze ontheemd in Holland belandde. De heimwee naar haar geboorteland bleef altijd een rol spelen in haar leven. Na 1975 legde zich vooral toe op het schrijven van proza en poëzie.
In het boek Indische Spraakwatervalletjes staan naast vele verhalen overigens nog verschillende gedichten maar hier wil ik het gedicht ‘Ontheemde’ van Lily Touwen graag met jullie delen.
.
Ontheemde
.
Neem mij niet kwalijk alstublieft
dat ik hier ben
dat ik verblijf op deze grond
misschien had ik het niet verdiend
te blijven leven
veel liever ook was ik maar daar gebleven
waar alles wat ik liefhad zich bevond
met alle anderen ben ik hiernaartoe
gedreven
vanuit een wereld
die niet meer bestond
.
Neem mij niet kwalijk alstublieft
dat ik er soms niet ben
dat ik verloren voor mijn naasten
zit te dromen
en alles zo maar
over mij laat komen
alsof ik niets meer weet
en niemand ken
.
laat mij dan even rustig
weer bekomen
en weet hoe blij ik
met het leven ben.
.
Drie keer de Hef
Beranová, Moonen en Sleutelaar
.
De Rotterdamse Hansje de Reuver (1947) is fotograaf (autodidact) en heeft haar eerste sporen verdiend met foto’s (stills) voor speelfilms van Bob Visser. Haar project ‘De Hef in Woord en Beeld’ ontstond in de jaren tachtig. In de inleiding van deze bundeling foto’s en gedichten schrijft Hansje: ‘Mijn fascinatie voor de Hef stamt al uit de jaren tachtig toen de Hef dreigde te worden afgebroken. In die tijd ben ik een project gestart met Rotterdamse dichters. Met de Hef in woord en beeld’, foto’s met handgeschreven gedichten. Hieraan werkten in eerste instantie 22 Rotterdamse dichters mee.
Voor wie niet weet wat de Hef is: De Hef is de populaire benaming van de Koningshavenbrug, een in 1927 geopende en sinds 1993 voor het treinverkeer buiten gebruik gestelde spoorweghefbrug over de Koningshaven in Rotterdam. De brug vormde deel van de spoorlijn Breda – Rotterdam.
Na een goed verkochte expositie is het in boekvorm uitgekomen onder de titel ‘Hé, de Hef – een kranige brug’ in 2000. In dit boek staan dus foto’s van de Hef steeds in combinatie met een gedicht van een Rotterdamse dichter. Vrijwel alle bekende Rotterdamse dichters uit die periode komen voorbij en ik heb er drie uitgekozen met een gedicht, te weten Jana Beranová (1932), A. Moonen (1937-2007) en Hans Sleutelaar (1935-2020).
.
Treinen die over ijzer razen
De Hef kampioen zwaargewicht:
.
de eerste trein een woeste kater
blaast me regelrecht in de Maas en
bij de tweede scheert vederlicht
een roofvis door het water
.
Jana Beranová
.
Overbodig
.
naast de Hef
komt een overbodige
spoortunnel
.
aldus wordt de
weidse Maas
aan het zicht
der treinreizigers
ontnomen.
.
A. Moonen
.
Rotterdam revisited
.
Wolken varen boven palingkleurig water;
het licht blinkt net als toen, maar later.
De Hef waakt stil over dit verbeten leven.
Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.
.
Hans Sleutelaar
.
De gedichtenapotheek
Radna Fabias
.
Dit jaar verscheen bij Prometheus de bundel ‘De gedichten apotheek’ Poëzie op recept voor het hoofd en het hart, samengesteld door schrijver, dichter en regisseur Philip Huff (1984). Toen ik het boek kreeg als cadeau herkende ik meteen de inhoud. Was dit niet waar ik al eerder over schreef? Toen ik terugzocht op mijn blog kwam ik een paar maanden geleden uit bij The Walk in Poetry Pharmacy en al lezend kwam ik de naam William Sieghart tegen (die Huff als bron noemt in ‘De gedichtenapotheek’). Verder lezend kwam ik op de bundel ‘The emergency pharmacy’ van Deborah Alma dat eigenlijk een beetje hetzelfde idee beschrijft.
Nu dus een Nederlandstalige variant op dit gegeven en ik moet zeggen, ik word er blij van. In een aantal hoofdstukken heeft Huff gedichten gezocht en gevonden bij Mentaal en emotioneel welzijn, Motivaties, Zelfbeeld en zelfacceptatie, De wereld en andere mensen, Leven met verlies, en Verliefdheid, liefde en liefdesverdriet. Niet zozeer medicaties bij fysieke ziektebeelden dus maar vooral bij geestelijke en mentale ‘aandoeningen’.
In de bundel gedichten van Nederlandse en internationale dichters waarvan de gedichten vertaald zijn naar het Nederlands. Een aantal herkende ik. Wat ik mooi vind in deze bundel is dat Huff eerst een indicatie geeft (bijvoorbeeld: Je ontworteld voelen), daaronder aangeeft waar het ook bij werkt (handig!) zoals verplaatsing, verhuizing, emigratie, moeite met verschillende identiteiten, leven tussen twee werelden, gevoelens van vreemdheid, en daarna een stukje beschrijft wat hij bedacht had bij deze indicatie en waarom hij het gedicht (in dit geval ‘reisgids II’ van Radna Fabias (1983) uit haar bundel ‘Habitus’ uit 2018) bij deze indicatie heeft gezet.
Op deze manier is het lezen van deze bundel niet slechts een genieten van poëzie bij een indicatie maar ook een zoek- of moet ik zeggen vindtocht, door het land van poëzie gekoppeld aan gevoelens en mentale uitdagingen. Hieronder het gedicht uit de hierboven beschreven indicatie van Fabias.
.
reisgids II
.
u kunt
in het hart van het gebrek
een ingenieuze brug over het water in de haven zien schuiven en doen
alsof
functionele door mensenhanden gebouwde constructies kunnen louteren
u moet
een beetje doen alsof
.
Wat deed ik daar
Tsead Bruinja
.
Van voormalig dichter des vaderlands Tsead Bruinja (1974) is pas geleden een nieuwe bundel gepubliceerd getiteld ‘Wat deed ik daar’. Schreef ik eerder over zijn ‘projectbundel’ die de dekkende titel draagt ‘De eerste bloemlezing van de Nederlandse poëzie’ 101 gedichten uit het Koninkrijk van 1945 tot nu, waarin hij een stem geeft aan al die Nederlandse dichters die hun roots ofwel buiten Nederlands hebben liggen ofwel in hun eigen taal of dialect binnen Nederland dichten. Nog steeds een hele fijne bundel om in te zien en te lezen.
Maar nu dus oorspronkelijk werk waarin Tsead Bruinja eigenlijk terugkeert naar zijn wortels. Het Fries en Friesland. Debuteerde Bruinja in 1998 met de bundel ‘Vreemdgaan’ en in 2000 kwam zijn eerste Friestalige bundel uit getiteld ‘De wizers yn it read’. Hierna volgden nog vele bundels, Nederlandstalig, Friestalig en gemixt. ‘Wat deed ik’ is een bundel gedichten waar “over ontgoocheling door een wereld die zorgt voor stramme weiden en gekneusde slootjes en een bundel vol betovering door de liefde, zonder wie het anders naakt zijn is.” zo meldt de achterflap.
In zijn poëzie geen interpunctie of hoofdletters, een rechttoe rechtaan poëzie voor wie graag eens een ander geluid hoort of leest. Ik koos voor het gedicht ‘of toch avondvrijen’.
of toch avondvrijen
.
volkomen het spoor bijster
ik bedoel geheel onverslagen
.
geheel onverslagen dus hebben we
de bewakers op het bed gelokt
hen bedolven onder kussen
lakens dekens
.
met kleurige spreien hebben we hen in slaap gesust
.
en terwijl zij met stuiptrekkende pootjes
de pluizig staartjes van konijnen volgden
aan de achterkant van hun ogen
.
hebben wij doorgezet en overgezet naar de dag
wat ’s nacht te jubelen stond en op popelen
.
roze pluis van het wasbolletje
slaapmasker lichtschakelaar
.














