Site-archief

Lente in de klas

Gedichten over het onderwijs in Nederland

..

Toen ik las dat er een vuistdikke bloemlezingen verschenen was getiteld ‘Er hangt iets van lente in de klas…’ met gedichten over het onderwijs, moest ik meteen aan de bloemlezing ‘Soms moet het werkelijk stil zijn‘ uit 2011. Op zichzelf niet verwonderlijk, de samenstellers van die bloemlezing waren Theo Magito (1951) en Henk Sissing (1954), dezelfde samenstellers van deze nieuwe bloemlezing. Ruim vijftien jaar hebben Theo Magito en Henk Sissing gezocht naar de mooiste parels en ze resulteerden in een schatkamer van ruim 800 pagina’s (met circa 900 gedichten) waarin de lezer oneindig kan verdwalen. De bloemlezing ‘Soms moet het werkelijk stil zijn’ zal vast en zeker de basis zijn geweest van deze nog ruimere keuze.

Magito en Sissing, die bij de samenstelling van het boek zijn geholpen door kenners en specialisten, kozen ervoor om te werken met vier secties: onderwijsgedichten in de middeleeuwen, gedichten tot de onderwijswet van 1806, onderwijspoëzie in de 19e eeuw en gedichten over de 20e en 21e eeuw. Iedere sectie is met hulp van Willem Kuiper (UvA), Sarah Van Ruyskensvelde (KU Leuven) en Jacques Dane (Nationaal Onderwijsmuseum) in een historische context geplaatst. Ook Gert Biesta heeft met een voorwoord een duit in het zakje gedaan. Volgens hem werkt een blik op historische gedichten over het onderwijs relativerend, omdat ze laten zien dat veel hedendaagse ideeën en spanningen van alle tijden zijn.

En dat is gelukt want de gedichten gaan over ideeën en verlangens, over schoolvakken, over mensen. Ze zijn dikwijls liefdevol, vaak ironisch en soms kritisch. De teksten zeggen daarbij niet alleen iets over hoe het onderwijs zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld, maar ook over hoe de poëzie zelf is veranderd. Het vuistdikke boek bevat allerlei soorten gedichten waarin zich een voorzichtig patroon aftekent van strakke en vormvaste poëzie met een serieuze toon, naar speelse en vrije gedichten.

De bundel ‘Er hangt iets van lente in de klas…’ is een verzameling van allerlei soorten poëzie: vormvaste gedichten en vrije verzen, prozaïsche gedichten, liedteksten, en zelfs soms visuele poëzie. De gedichten hebben thema’s als het leven op de basisschool, of op het voortgezet onderwijs. Er zijn gedichten over leraren of gedichten bezien vanuit hun perspectief van de leerlingen. Soms zijn kinderen aan het woord, dan weer hun ouders.

Uit de bundel nam ik het gedicht ‘Na de schooltijd’ van dichter Johanna Kruit (1940).

.

Na de schooltijd
.
Ik doe mijn ogen op een kiertje dicht.
De wolken zeilen hoog voorbij. Ik lig
languit. Gras kriebelt mijn gezicht.
.
Ik denk aan dingen die ik nog niet weet.
Hoe bloemen bloeien, hoe een vogel leeft
en waarom water van de zee beweegt.
.
Er komt een vlinder even zitten op een bloem.
Ik plaag hem met het puntje van mijn schoen
en sta weer op: ik moet nog huiswerk doen.

.

Delft, zwarte inkt

Nieuwe uitgave van MUGbooks

.

Het fonds van mijn kleine facilitaire poëzieuitgeverij MUGbooks wordt opnieuw uitgebreid met een titel; ‘Delft – zwarte inkt’ van acht Delftse dichters. Enige tijd geleden werd ik benaderd door Karel Kramer (1940), die ik ken van zijn bundel ‘Liefdesgedichten’ en  ‘Het virginale luchtkasteel’ die beiden uitkwamen bij onze gezamenlijke uitgeverij De Brouwerij. Inmiddels is Karel de tachtig gepasseerd maar hij schrijft nog steeds. Karel Kramer studeerde piano, Nederlands en Turks, doceerde aan de universiteit van Ankara en gaf regelmatig uitvoeringen van klassieke muziek in combinatie met poëzie en beeldende kunst.

Samen met 5 andere Delftse dichters (Jose Spruyt, Rolf Clason, Faye Oosterhoff, Wim Aarts en Cor Langendijk) maakte hij de bundel ‘Delft – zwarte inkt’. In de negentiger jaren van de 20ste eeuw was de Delftse dichtgroep Zwarte inkt op zijn hoogtepunt. Men sprak er een onderwerp af en maakte daar een gedicht over en besprak die op regelmatige bijeenkomsten, zoals er vele dichtgroepen in Nederland actief zijn. Toen Karel in de twintiger jaren van deze eeuw een bundel voorbereidde van gedichten over Delft, besloot hij de acht leden van deze dichtgroep te vragen daaraan mee te werken. Twee van de dichters zijn inmiddels overleden (Wim Aarts en Cor Langendijk) en twee dichters heeft Karel niet weten te achterhalen (Katinka Kersten en Mariken Wenbelt). Vandaar de ondertitel van de bundel ‘Acht Delftse dichters over Delft. Ze zijn dood, levend of spoorloos.’

Van Karel zijn de meeste gedichten opgenomen, van Jose Spruyt behalve een aantal gedichten ook een aantal foto’s en van de andere 4, waaronder de overleden Wim en Cor, ook een aantal gedichten. Ik heb hier voor het openingsgedicht van Karel Kramer gekozen getiteld ‘Delft’.

.

Delft

.

Ik kijk voorbij de nieuwe Jan naar links

een donker gat met duizend kinderhoofdjes

dat leidt naar ondervraging door de sfinx

en storten van de trap in duizend knookjes

.

voor mij zwijgt de Zwijger na het schot

naast mij wacht De Groot op zijn verbanning

achter mij sterft Harman op ’t schavot

de diefput stinkt en barst uit zijn bemanning

.

eens heb ik u gehaat, museumstad

geen asfaltvolk, geen pijn van inspiratie

niets dat steekt uit het beschreven blad

.

toen kwam er warmte uit uw populatie

uw oude muur stond om een liefdesbad

u werd voor mij de plek van transformatie

.

Blue tits

Phoebe Hesketh

.

Afgelopen zaterdag droeg ik voor tijdens de Dag van de Roos in het Westbroekpark in Den Haag. In dit mooie park vol bomen, struiken, rozen en andere bloemen moest ik denken aan een bundel die ik ooit kreeg van Elisabeth getiteld ‘Poems for gardeners’ samengesteld door Germaine Greer uit 2003. Deze Engelse bundel (hoe kan het ook anders, een dichtbundel over tuinieren), met een collectie gedichten van de antieke oudheid tot de 21ste eeuw staat vol tuingedichten. Over specifieke bloemen en planten, over tuinieren, over bomen en zelfs over gemaaid gras. Maar ook over de dieren in de tuin, zoals de ‘Blue tit’ of Pimpelmees. Het aardige van dit boekje is dan ook nog, speciaal voor de echte natuurliefhebber, dat achterin de bundel informatie staat over het onderwerp van het gedicht. In het geval van de Blue tit over wat de Pimpelmees eet, en waar en wanneer hij nestelt.

De dichter die ‘Blue Tits’ schreef, Phoebe Hesketh (1909-2005) kwam uit Lancashire en was vooral bekend door haar gedichten over de natuur. Zij schreef in haar lange leven 17 dichtbundels.

.

Blue Tits

.

Bobbing on willow branches, blue and yellow

Acrobatic blue tits swing and sway

In careful somersault and neat gyrations

Grub-picking deftly down and bending spray.

.

Now one rebuffs an alien intruder-

Humdrum sparrow, drab among the gold-

Churrs and scolds in azure crested anger,

Scuttles down a twig in blue and bold

Defiance at this urchin gutter-haunter

Till all the blues combine against one grey:

Active whirr and flutter, feathered thunder

Of tiny wings to drive the foe away.

.

Brave blue tit, white-cheeked like a painted toy

Jerking to life from pavement-seller’s string,

Twirls round twigs, his natural trapezes,

Darts to snap a moth upon the wing.

Plumb-as-willow-catkin, primrose-breasted,

This sky-capped morsel magnifies the Spring.

.

 

Achter de duinen

Van Haagse dichters die voorbijgaan

.

In 2001 verscheen bij uitgeverij BZZTôH de verzamelbundel ‘Van Haagse dichters die voorbijgaan’ met daarin gedichten van, aan het begin van de 21ste eeuw levende, Haagse dichters. Grote namen als Remco Campert en Willem Brakman, Bart Chabot en Mensje van Keulen maar ook specifiek Haagse helden als Boozy en Gebroeders de Gier, allemaal komen ze voorbij in deze bundel. Er is één rode draad in de bundel; alle dichters zijn geboren in Den Haag of zijn er op latere leeftijd komen wonen.

Van twee bekende Haagse schrijvers/ (liedtekst-) dichters Koos Meinderts en Harry Jekkers staan ook bijdragen opgenomen.

Ik koos voor het gedicht ‘Achter de duinen’ door hen gezamenlijk geschreven, oorspronkelijk uit de bundel ‘Achter de duinen’ uit 2000.

.

Achter de duinen

(naar Between van Loudon Wainwright III)

.

Achter de duinen ligt de zee

Daartussen ligt het zand

De zee dat is mijn moeder

En mijn vader is het land

.

Ik daartussen ben het kind

Spelend in het zand

Nog geen idee waarheen te gaan

Naar zee of naar het land

.

Twee voeten in de aarde

Mijn hoofd hoog in de wind

Ben ik mijn vader en mijn moeder

Ben ik mijn eigen kind

.

Eert uw vader en uw moeder

Zoek jezelf een thuis

Op het land, weg van het strand

Of bouw een schip als huis

.

Brommers kieken

Ester Naomi Perquin

.

Toen ik het gedicht ‘Meisjes’ uit de bundel ‘Servetten halfstok’ van Ester Naomi Perquin uit 2007 las moest ik meteen denken aan de term Brommers kieken. Brommers kieken is Twentse én Achterhoekse term voor een smoes van geliefden om zich terug te trekken om te gaan zoenen. Vanaf het eerste moment dat ik de term hoorde jaren geleden vond ik het prachtig. Zo onschuldig maar zo ter zake doende.

Hoewel het feitelijke brommers kieken niet voorkomt in het gedicht zie je het voor je als je het leest. Daarom hier het gedicht ‘Meisjes’.

.

Meisjes

.

Zo handig in hun alledaagse praten
rusten zij aan zij, een rij van jonge huid
en zachte haren in die al te hete zon.

Duingras kietelt hun benen en hoog
klinkt de pas bedachte lach die meeuwen
steeds verschrikt doet overkomen.

Van kop tot teen onaangeraakt
liggen zij, met allemaal dezelfde stem
dezelfde moeder te bespreken.

Wat ze zoal zijn telt alle eeuwigheden
in hen op. Dat stil en zonbeschenen delen
van leeftijd, lichaam, zonnebrand.

Maar over het zand lijkt een vreemd,
steeds lager grommen aan te zwellen
en jaagt een rilling door de rij.

Elke seconde komen de jongens
op onverbiddelijke brommers
in grote golven dichterbij.

Foto: Tineke de Lange

Gedichten voor tuiniers

Poems for gardeners

.

Van een vriendin kreeg ik de bundel ‘Poems fo gardeners’. Germaine Greer bracht gedichten over tuinen en tuinieren bij elkaar. De gedichten komen uit de klassieke oudheid tot aan de 21ste eeuw. Van Shakespeare en Anacreontea tot Alexander Pope en Louise Glück. Maar ook Cummings, Heaney en Simon Armitage.

Germaine Greer schrijft in haar inleiding: ‘Marianne Moore said that the poet’s job was to depict “imaginary gardens with real toads in them’. In truth, gardens are always imaginary because they are always the garden that you are aiming for rather than the garden you have, but the toads are real and immediate’.

Uit deze mooi vorm gegeven bundel een gedicht van Philip Larkin getiteld ‘Cut Grass’.

.

Cut grass

.

Cut grass lies frail:

Brief is the breath

Mown stalks exhale.

Long, long the death

.

It dies in the white hours

Of young-leafed June

With chestnut flowers,

With hedges snowlike strewn,

.

White lilac bowed,

Lost lanes of Queen Anne’s lace,

And that high-build cloud

Moving at summer’s pace.

.

GG

Ouder gedicht

De dichter ontmaskerd

.

Zoals veel dichters ben ook ik ooit begonnen met het schrijven van gedichten op jonge leeftijd. Ik heb al mijn gedichtjes en rijmsels (want dat waren het vaak) bewaard. Zo nu en dan publiceer ik hieruit wat op dit blog. Om te laten zien dat door veel poëzie te lezen en te schrijven je wel degelijk een ontwikkeling kan doormaken. Dat je jezelf kun trainen en dat je steeds beter wordt in op te schrijven wat je eigenlijk wil zeggen. Dit gedicht dateert uit begin van de 21ste eeuw.

.

De dichter ontmaskerd

.

‘Peilloze diepten’ zei je

en ‘omfloerste gedachten’

‘doorwrochte zinnen’

en ‘latent temperament’

.

Ik vroeg me af

waar zich dat dan

allemaal wel bevond

.

Bij mij?

.

Ik deed maar wat

tenslotte

.

unmask