Site-archief
The facts of life
Bert Voeten (1918 – 1992)
.
In de categorie erotische gedichten vandaag eens een heel andere kijk op erotiek in het gedicht ‘The facts of life’ van Bert Voeten uit de bundel ‘Gedichten 1950 – 1980’ uit 1988.
.
The facts of life
.
Ik was negen toen Jan Talboom mij
in de tuin van zijn ouderlijk huis
de paringsdaad demonstreerde
.
hij tekende met een houtje
een smal ovaal in het zand
en priemde het houtje vervolgens
vele malen tussen de lijnen
mij verzekerend dat het alleen
een kwestie was van bewegen
.
Jan Talboom was tien jaar oud
hij had een natuurlijke aanleg
voor aanschouwelijk onderwijzen.
.
Graf van Bert Voeten op begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam met de tekst: Geloof in een onherroepelijk leven en leef het zo
Nieuwe dichtbundel
Antoinette Sisto
.
Op zaterdag 29 november draag ik in PERDU gedichten voor (van Antoinette en mezelf) bij de presentatie van ‘Iemand moet altijd gemist worden’, de nieuwe dichtbundel van Antoinette Sisto. Ik leerde Antoinette kennen bij het WAK festival in Den Haag waar we beide gedichten mochten voordragen. We wisselde bundels uit en ik schreef over haar bundel ‘Dichter bij de dagen’. Daarna volgde een uitnodiging om mee t3e doen met De Vallei en een interview voor Meander, want behalve begenadigd dichter schrijft ze ook erg goede interviews.
De presentatie van haar nieuwe bundel, uitgegeven door uitgeverij Oorsprong vindt plaats op 29 november bij Boekhandel Perdu.
Locatie: Kloveniersburgwal 86, aanvang: 14:30 u (zaal open om 14:00 u).
Ook Peter Brouwer, Jos van Danen, Wilma van den Akker en Herbert Mouwen dragen poëzie voor en uiteraard zal Antoinette zelf voordragen. Werner Bartels (uitgever) zal het eerste exemplaar aan Antoinette overhandigen en de presentatie van de middag is in handen van Herbert Mouwen.
Ik zal volgende week wat meer over deze presentatie schrijven en een gedicht uit haar nieuwe bundel plaatsen. Hier nu nog een ouder gedicht.
.
Achter glas
Het weerbarstige, onverzoenlijke
in je bewegingen moet ik
vastleggen
Hoe je neigt naar alles
wat distantie is
in mij –
Jouw geaardheid die
de jaren ongemerkt
zachtjes hebben ingeluid
met onzichtbare klokken
Hoe het zomaar kan – dat ik
de diepte van woorden
niet hervinden durf
Hoe ik verlangen kan – naar iets tastbaars
iets waarlangs handen
strelen, vorm kunnen raden
net als het najaarslicht
de rode kater
van de overburen vangt
in een kader
achter roerloos glas
.
liefdespoëzie
M. Vasalis
.
In de nieuwe categorie Liefdespoëzie begin ik vandaag met een dichter die vele mooie liefdesgedichten op haar naam heeft staan, M. Vasalis. Hier een gedicht van haar hand zonder titel.
.
*
.
Je gezicht, sluimrend van tederheid
zichtbaar, tastbaar, binnen mij.
O lief, lief, lief, zeg het, zeg ik
en de lippen beven even
en de ogen, met de wimpers,
gaan even dicht
.
Uit: Vergezichten en gezichten, Amsterdam, 1954
.
Vrouwen
Gerry van der Linden
.
Onder het motto: Meer vrouwen en poëzie op dit blog (zelf bedacht motto) ga ik de komende tijd een aantal gedichten van vrouwelijke dichters plaatsen gebruik makend van de onvolprezen bundel ‘Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis’.
Vandaag een gedicht van Gerry van der Linden (1952) is docente Poëzie- en schrijftraining aan ’t Colofon in Amsterdam. Ze publiceerde een aantal dichtbundels waaronder ‘Zandloper’ uit 1997 waar het onderstaande gedicht in is gepubliceerd.
.
Enkele liefdesgedichten
VI
.
Ik zie een man die weggaat.
Een vrouw
laat hem passeren.
.
Daar gaat een schouder
en een heup
die ze heeft vastgehouden.
Ze zijn nu bij de deur.
.
Het is een messcherpe vrouw.
De plooien
heeft ze al weggestreken.
.
Er valt een droge regen
tussen zijn hemd
en haar rok.
Wat zullen ze groeien!
.
Simon Carmiggelt
Gedicht
.
Het kan aan mij liggen maar de ik hoor de laatste tijd steeds vaker mensen over Simon Carmiggelt. De in 1913 in Den Haag geboren Carmiggelt was een schrijver, die vooral bekend was van zijn krantencolumns (Kronkels) in het Amsterdamse dagblad Het Parool en door zijn televisie-optredens. Een columniste als Sylvia Witteman is bijvoorbeeld een groot fan en navolger van zijn werk. Simon Carmiggelt was een scherp observant en werd geroemd om zijn situatiehumor.
Wikipedia schrijft hierover: Slenterend door de stad vond hij zijn thematiek: hij verwerkte een detail van een banaal voorval tot een compleet verhaal, luisterde naar mensen en gebruikte elementen uit hun conversaties, verplaatst, herschikt, versterkt, stileert en bouwt. Soms verwerkte hij de gegevens, verzameld over een tijdsspanne van weken, tot een samenhangend geheel, soms was het cursiefje zo uit het leven opgeschreven. En altijd heeft de lezer de indruk dat deze eigenste anekdote zich dagelijks ontelbare malen voordoet: elke situatie heeft een grote vorm van herkenbaarheid, van identificatie ook.
Naast zijn Kronkels schreef Carmiggelt ook gedichten. In 1974 verscheen bij De Arbeiderspers de bundel ‘De gedichten’ en bevat de bundels ‘Al mijn gal’ (1954), ‘Fabriekswater’ (1956), Het jammerhout’ (1948) en enkele andere gedichten. De 3 bundels verschenen onder het pseudoniem Karel Bralleput.
Uit ‘De gedichten’ het gedicht ‘Zwijgplicht’.
.
Zwijgplicht
.
Ik praat. Ik maak de hele dag geluid,
want eigenlijk ben ik zo’n zwijgzaam man,
dat ik onmoog’lijk zoveel zwijgen kan.
Daarom stel ik mijn zwijgen pratend uit.
.
Ik schrijf. Ik zie de hand maar gaan,
maar eigenlijk ben ik nog nooit begonnen
aan mijn verhaal. Het is nog niet verzonnen.
Ik schuif het schrijvend op de lange baan.
.
Ik leef. Ik vind mijn leven kort,
maar eigenlijk trek ik alleen gezichten,
die horen bij een handvol daagse plichten.
Zo wacht ik levend tot ik eens geboren word.
.
Ik praat. Geen ramp heeft me nog stil gekregen.
Ik schrijf. De snelle woorden gaan hun gang.
Ik leef – maar in de nacht denk ik soms bang:
Straks zwijg ik. Heb ik dan genoeg gezwegen?
.
Veel voor weinig
De boekenkast van Lucebert
.
Stichting Perdu staat voor het uitdragen en ontwikkelen van de poëzie in het Nederlandse taalgebied in samenhang met andere kunsten. Daartoe brengt zij op haar podium experimentele en geëngageerde vormen van literatuur met de dichtkunst als focus en reflectie als uitgangspunt.
Bij Poëziecentrum Perdu wordt op 1 december een feestelijke bijeenkomst georganiseerd rond het thema ‘De boekenkast van Lucebert’. Naast een film en een voordracht van Lisa Kuitert (als hoogleraar Boekwetenschap verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en schrijfster van ‘De lezende Lucebert’) wordt er een verkoop georganiseerd van een deel van het nagelaten boekenbezit van Lucebert. Een deel van zijn uitgebreide bibliotheek is op verzoek van de erven Lucebert geschonken aan Perdu.
De boeken worden in pakketjes van steeds 4 exemplaren verkocht voor € 12,- per stapeltje. Een aantal van de boeken bevat een handtekening of een stempel en ben je niet tevreden met een titel in je pakket dan kun je deze achteraf met andere kopers ruilen.
.
Stadsdichters
In Nederland (en België)
.
Nederland kent vele stadsdichters. Om precies te zijn waren het er vorig jaar 50. Volgens mij zaten daar ook dorpsdichters bij maar voor het gemak (waarom ook niet) houden we het op stadsdichters. Nederland telde op 1 januari 2013 precies 408 gemeenten. Dat wil zeggen dat maar 12,3% van de Nederlandse gemeenten over een stadsdichter beschikt. In Vlaanderen is het aantal inmiddels gegroeid naar 5 (van 3).
Wat is eigenlijk een stadsdichter? Stadsdichters zijn dichters die officieel door een college van burgemeester en wethouders zijn benoemd. Hun taak is meestal een aantal gedichten schrijven over de gemeente of over activiteiten en gebeurtenissen in de gemeente. Dat varieert van een paar gedichten per jaar tot maandelijks een gedicht. Sommige stadsdichters hebben daarnaast de rol van aanjager. In hun functie van stadsdichter mogen of moeten ze de inwoners van de gemeente kennis laten maken met poëzie of activiteiten op het gebied van de poëzie.
De stadsdichter van Hengelo, Fred van de Ven heeft nu voorgesteld om te komen tot een instituut voor stadsdichters. Zo’n instituut zou dan aanbevelingen kunnen doen aan de colleges: over het aantal gedichten dat geschreven zou kunnen worden, over de publicatie en over de vergoeding. Want in de regel is het liefdewerk, oud papier.
In 2005 werd de eerste stadsdichtersbundel ‘De stad en ik’ uitgegeven door uitgeverij Kontrast, onder redactie van Gerard Beense (Stadsdichter van Lelystad) gevolgd door ‘Verzen van verbondenheid’ in 2008 en ‘Stadsdichters bijeen’ in 2009 tijdens de 5e stadsdichtersdag in Lelystad. Inmiddels is de 9e stadsdichtersdag geweest in Lelystad, georganiseerd door de stichting Poëtikos, met een stadsdichtersgedichtenwedstrijd, dus volgend jaar het tweede lustrum.
De winnaar van deze wedstrijd was stadsdichter van Hengelo Lowie Gilissen met het gedicht ‘Amsterdam’.
.
Amsterdam
Nabij gehei dreunt, dreunt, dreunt,
in een dwingend ritme
als van een metronoom.
Op die doffe beat houden trams
met hun triangeltringtingtinggetinkel
en ssschurend sssnerpen
van weerbarstig wentelende wielen
helemaal geen maat.
Opgevoerde brommers overstemmen
met knalpijphard geknettterrrr
en passant moeiteloos
nerveuze claclaxons van schildpadtrage taxi’s.
Doppleriaans nadert met steeds meer nadruk
de viertonige ta-ti-ta-ta sirene
van een slalomambulance.
Te midden van deze ongeorkestreerde kakofonie
staat een straatmuzikant op zijn viool
een ti-ta-ti-ta partita van Bach te spelen,
alsof al die helse herrie om hem heen niet bestaat.
En warempel,
ik denk dat ook,
één hemels ogenblik.
.
Dichter in verzet
Maurits Mok (1907 – 1989)
.
Maurits Mok werd geboren als Mozes Mok maar veranderde zijn naam in 1971 naar Maurits. Mok was behalve dichter, schrijver, vertaler en criticus ook één van de oprichters in 1944 van uitgeverij De Bezige Bij.
Maurits Mok werd als kind geconfronteerd met de gevolgen van een oorlog: hij zag de vluchtelingen tussen 1914 en 1918 om zich heen. Ook nam hij in die tijd waar hoe hele ‘klassen’ slachtoffer waren van onrechtvaardige maatschappelijke verhoudingen. In de jaren dertig merkte hij wat het betekende, jood te zijn en tot een vervolgde bevolkingsgroep te behoren.
Mok debuteerde in 1934 met de roman Badseizoen , maar publiceerde later vooral veel poëzie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog dook hij onder in Het Gooi. In deze periode publiceerde hij onder de pseudoniemen Victor Langeweg en Hector Mantinga.
Naast een aantal andere literaire prijzen ontving hij in 1959 de Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945.
Uit de bundel Avond aan avond uit 1970 (De Bezige Bij) een gedicht over gruwelen van de oorlog.
.
The face of god after Auschwitz
.
Al die zielen die goden aanhangen,
speeksel omzetten in gebeden,
dromen verwarmen tot mythen,
mythen verkillen tot stenen
grondslagen van een geloof –
ik schuif de mist van hun visioenen weg
en ben alleen; een ijskoud waaien
staat op, een vleugelslag
van horizon tot horizon
die vormen oproept en verslindt,
en enkel leegte achterlaat, sneeuwvelden
over de aarde, een met zwarte, uitgegloeide
zweren overdekte zon.
.




















