Site-archief
Erts
Gabriel Smit
.
Ik heb inmiddels ruim 6 meter aan dichtbundels verzameld door de jaren heen en daar zitten bijzondere exemplaren tussen. Een mooi voorbeeld daarvan is de bundel ‘Erts’ uit 1955. Een bloemlezing uit de poëie van heden, samengesteld en ingeleid door Bert Voeten.
Het aardige van dit soort bundels, zeker als ze al wat ouder zijn, is dat ik er dichters in tegen kom waar ik nog nooit van gehoord heb. Dichters die, om wat voor reden dan ook, ooit bekend waren en in de vergetelheid zijn geraakt. Een voorbeeld van zo’n dichter is Gabriel Smit (1910-1981).
Als je op zijn naam zoekt op internet kom je al snel een uitgebreide bi(bli)ografie tegen op http://www.schrijversinfo.nl
Dan blijkt Smit in zijn tijd een bekende dichter te zijn geweest. Op de website van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie staat te lezen over hem: “Dichter, prozaïst, journalist, toneel- en jeugdboekenschrijver, vertaler. Gold als een van de bekendste katholieke dichters, in de periode 1940-1970.
Werkzaam als journalist bij De Gooi en Eemlander (1933-1944) en bij het Utrechtsch Dagblad (1939-1950). Hij was daarna literair redacteur van De Volkskrant (1952-1975). Ook was hij na de oorlog redacteur van weekblad De Linie en het literair tijdschrift Roeping.” Ook won Smit gedurende zijn leven verschillende literaire prijzen waaronder tweemaal de Henriëtte Roland Holstprijs (1957 en 1967).
Uit de bundel ‘Erts’ en oorspronkelijk verschenen in De Gids in 1955 de gedichten ‘Omschrijvingen van de liefste I en II’.
.
Omschrijvingen van de liefste
I
Je komt. Ik houd mijn adem in. Even
valt alles stil, auto’s zijn eeuwen
oud, Het uur is een eerste sneeuwen,
bijna dalend, bijna teruggedreven.
.
Samen weten wij wat niemand vermoeden
kan. Tussen ons beiden houden
onzichtbare stemmen een vertrouwde
doortocht open. Neuriënd behoeden
.
zij de zee voor terugval, blijven
van hart tot hart lang voor onze
geboorte hun verrukking slaan.
.
Nu ben je er. de wolken drijven
weer, de stad begint weer te bonzen.
Maar het neuriën houdt aan.
.
.
II
Samen zijn wij op reis. De dagen
glijden als in een trein de weiden
aan ons voorbij. Soms komen vragen
je ogen, je schoot verwijden,
.
adem opent je handen, even
trilt waterlicht aan de ramen,
gewiek van vogels, gevleugeld leven.
wij denken niet, wij kijken, samen.
.
Soms staat de trein verwonderlijk
stil. Buiten ligt het bezonnen
landschap en wacht, onvoltooid.
.
Even is ons samenzijn afzonderlijk,
dan weet het zich weer begonnen.
Soms is een hand genoeg, soms nooit.
.
O, dat ik ooit nog eens
J. Eijkelboom
.
De dichter Jan Eijkelboom (1926 – 2008) was daarnaast vooral journalist ( De Dordtenaar, Vrij Nederland, Het Vrije Volk), schrijver en vertaler van onder andere Philip Larkin, John Donne, W.B. Yeats en Derek Walcott. Vanaf 3 maart 2001 was hij stadsdichter van Dordrecht (de eerste plaats in Nederland met een stadsdichter). Dat Dordrecht en Jan Eijkelboom bij elkaar horen blijkt wel uit het feit dat op het Damiatebolwerk één van zijn bekendste dichtregels is gegraveerd: “Wat Blijft Komt Nooit Terug”.
.
Uit zijn bundel ‘De gouden man’ uit 1982 het gedicht ‘O, dat ik ooit nog eens’.
.
O, dat ik ooit nog eens
O, dat ik ooit nog eens
een vers met o beginnen mocht,
dat het dan ongezocht een ode
werd waarin zeg maar een dode
dichteres tot leven kwam
ofwel een warm lief lijf
tot marmer werd waardoor
voor wie daarvoor gevoelig is
een adem ging als was het
leven nu voorgoed betrapt.
Maar nee, wat bij mij ingaat moet bezinken,
verdicht zich tot een sprakeloos substraat
dat roerig wordt en uit wil breken
en soms vermomd de mond verlaat.
0, klonk het nog eens ongehinderd.
.
De Poëziebus Deel 4
Rik van Boeckel
.
Gisteravond deed de Poëziebus Capelle aan de IJssel aan en vandaag rijdt men eerst naar Delft (Rietveld theater om 13.00 uur), waarna de dichters en de bus vertrekken naar wederom Den Haag om daar om 20.00 uur op het Koningsplein acte de présence te geven.
Vandaag extra aandacht voor een Poëziebusdichter/journalist/slagwerker Rik van Boeckel verwierf in de jaren tachtig landelijke bekendheid als popdichter. Zijn poëzie heeft vaak een muzikale inslag en ligt dicht tegen rap en liedkunst aan. Rik begeleidt zijn ritmische voordracht met diverse percussie-instrumenten zoals djembé en cajón.
.
Op de duinpan
.
De duinpan legt mij geen beperking op
als zij wegwaait de bladzij uit mijn boek
te water gaat en golven vreugde
de horizon dichterbij brengen
zie ik halmen zwaaien in genegenheid
als de zon maan is geworden
zijn er geen wolken om onder te schuilen
zie ik slechts het licht van een schip
een oogwenk van de nacht
een stip die etmalen overstijgt
de woorden uit mijn boek
langs de eindeloze einder trekt.
.
Meer informatie over de Poëziebus op http://poeziebus.nl
Onweer
Arseni Tarkovski
.
Arseni Tarkovski (1907-1989) werd geboren in Jelizavetgrad en werkte als journalist en vertaler van oosterse poëzie. Tarkovski begon pas na zijn vijftigste poëzie te publiceren. Zijn gedichten zijn filosofisch en traditioneel van aard in de traditie van het Acmeïsme. Het Acmeïsme is een stroming die in 1910 in Rusland ontstond. De Acmeïsten verzetten zich tegen het symbolisme en streefden in hun verzen naar opperste helderheid. Acmeïsme komt van het Griekse woord ‘acme’ dat ‘hoogtepunt’ betekent.
Uit de bundel ‘De tweede ronde’ uit 1993 het gedicht ‘Portret’.
.
Portret
.
Niemand die zich naast mij zet.
Aan de muur hangt een portret.
.
Over de geportretteerde
Zie ik vliegen rondmarcheren.
.
Als mijn blik haar blik ontmoet,
Vraag ik: Gaat het u daar goed?
.
Vliegen op haar blinde ogen,
En zij antwoordt afgewogen:
.
‘Hoe vergaat het jou, alleen
In je lege huis van steen?
.
Poëzie en politiek
Lincoln Silva
Lincoln Silva (1945) is een schrijver, dichter en journalist uit Paraguay. Momenteel schijnt hij in Amsterdam te wonen. Naast twee romans (‘Rebelión despuéus’ uit 1970 en ‘General, General’uit 1975) schrijft hij ook poëzie. In zijn geschriften hekelt Silva op humoristische maar groteske wijze de politieke realiteit in Paraguay. Met name tijdens het bewind van generaal en dictator Alfredo Strössner.
Op de website http://www.doorbraak.eu/ vond ik een mooi strijdbaar gedicht van Silva. In dit gedicht komen gevoelens van woede en machteloosheid en de weigering zich neer te leggen bij onrecht duidelijk naar voren.
.
Woede
Ik neem geen genoegen meer met een schreeuw
met het heffen van een vuist
en me te pletter lopen tegen een muur
Mezelf nu in brand steken
is de helft van niets;
verkoold sterven
terwijl je je eigen as opeet.
Het is veel te weinig alleen maar Paraguayaan te zijn
nauwelijks een Zuid-Amerikaan
een wereldburger.
Wat betekent het nu om christen te zijn
en je wonden likkend
van deur tot deur te gaan.
Vandaag viert de ellende
zijn bruiloft van as
en luiden de klokken
voor al onze martelaren.
Ik neem er geen genoegen meer mee een mens te zijn
zonder in de anderen
mijn woede te ontsteken.
.
Herman de Coninck
Nog meer liefde
.
In het kader van de liefdespoëzie vandaag een gedicht van Herman de Coninck. Herman de Coninck (1944 – 1997) was een Vlaams dichter, essayist, journalist en tijdschriftenuitgever. Hij staat bekend als ‘De man die zijn volk poëzie leerde lezen’. Hij wordt ook gezien als de vader van het nieuw realisme omdat hij gewone taal en het gewone leven laat doorklinken in zijn poëzie.
.
*
.
middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen, ik woon hier, zei je.
ik keek naar de bloemen. ja dat zie ik, zei ik.
.
je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
en daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
een oortje, waarin ik het lange woord
‘Lieveling’ uitgoot, zonder morsen.
.
Uit: Onbegonnen werk, 1984
Italiaanse dichter
Vincenzo Cardarelli (1887 – 1958)
.
Vandaag eens een ander geluid namelijk een Italiaans geluid. Italië heeft vele beroemde dichters voortgebracht maar van de hedendaagse dichtkunst is (mij) weinig bekend. Vincenzo Cardarelli was een schrijver, journalist en dichter die in zijn tijd grote bekendheid genoot. Voor ‘Il sole a pico’ ontving hij in 1929 de Baguttaprijs en voor Villa Tarantola uit 1948 kreeg hij de zeer prestigieuze Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega.
Het gedicht ‘Aan de dood’ is vertaald door Frans Denissen.
.
Aan de dood
Sterven wel,
niet overvallen worden door de dood.
Sterven in de overtuiging
dat die reis de beste is.
En in die laatste stonde blij zijn
als wanneer je de minuten telt
op de stationsklok
en elke minuut duurt een eeuw.
Omdat de dood de trouwe bruid is
na de trouweloze minnares
willen we haar niet ontvangen als een indringster,
noch met haar vluchten.
Al te vaak vertrokken we
zonder vaarwel!
Op het punt in een oogwenk
de tijd te overschrijden,
als zelfs de herinnering
zich van ons losmaakt,
laat ons, Dood, dan de wereld afscheid nemen,
gun ons nog een moment
Laat de onmetelijke stap
niet overhaast zijn.
Bij de gedachte aan een onverwachte dood
stolt mijn bloed.
Dood, ruk me niet weg,
maar kondig je van verre aan
en neem me mee als een vriendin,
als mijn allerlaatste
gewoonte.
.
Een nieuwe lente
Een nieuwe rubriek: Dichter in verzet
.
Op de vraag ” Over welk onderwerp in relatie tot poëzie zou ik op mijn blog kunnen schrijven?” kreeg ik van Blauwkruikje2.wordpress.com het antwoord ‘De dichter en zijn verzet tegen…’
Eerlijk gezegd vind ik dat een hele goede suggestie. De geschiedenis kent vele dichters en tekstdichters die zich op de een of andere manier ergens tegen verzetten.
Daarom een nieuwe rubriek ‘Dichters in verzet’ waarin ik voorbeelden ga behandelen van dichters die zich middels hun poëzie verzetten tegen onrecht.
Denkend over deze rubriek kwam meteen een gedicht en een dichter naar boven. De achttien dooden van Jan Campert.
Jan Remco Theodoor Campert (1902 -1943) was journalist, schrijver, dichter en verzetsman. Jan Campert is bekend geworden door zijn gedicht De achttien dooden, dat hij schreef naar aanleiding van de aangekondigde executie van vijftien verzetslieden van de Geuzengroep en drie communistische Februaristakers in maart 1941.
..
De Achttien Doden
.
Een cel is maar twee meter lang
En nauw twee meter breed,
Wel kleiner nog is het stuk grond
Dat ik nu nog niet weet,
Maar waar ik naamloos rusten zal,
Mijn makkers bovendien,
Wij waren achttien in getal,
Geen zal de avond zien.
.
O lieflijkheid van lucht en land
Van Hollands vrije kust –
Eens door de vijand overmand
Vond ik geen uur meer rust.
Wat kan een man, oprecht en trouw,
Nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
En strijdt de ijd’le strijd.
.
Ik wist de taak, die ik begon,
Een taak van moeiten zwaar,
Maar ’t hart, dat het niet laten kon,
Schuwt nimmer het gevaar;
Het weet hoe eenmaal in dit land
De vrijheid werd geëerd,
Voordat een vloek’bre schennershand
Het anders heeft begeerd.
.
Voordat die eden breekt en bralt
Het misselijk stuk bestond
En Hollands landen binnenvalt
En brandschat zijne grond;
Voordat die aanspraak maakt op eer
En zulk germaans gerief
Een land dwong onder zijn beheer
En plunderde als een dief.
.
De rattenvanger van Berlijn
Pijpt nu zijn melodie;
Zo waar als ik straks dood zal zijn
De liefste niet meer zie
En niet meer breken zal het brood
En slapen mag met haar –
Verwerp al wat hij biedt of bood,
De sluwe vogelaar!
.
Gedenk, die deze woorden leest
Mijn makkers in de nood,
En die hun nastaan ’t allermeest,
In hunne rampspoed groot,
Gelijk ook wij hebben gedacht
Aan eigen land en volk,
Er komt een dag na elke nacht,
Voorbij trekt ied’re wolk.
.
Ik zie hoe ’t eerste morgenlicht
Door ’t hoge venster draalt –
Mijn God, maak mij het sterven licht,
En zo ik heb gefaald,
Gelijk een elk wel falen kan,
Schenk mij dan Uw genâ,
Opdat ik heenga als een man
Als ‘k voor de lopen sta…
.

















