Site-archief

Jozzonet

Joz Knoop

.

De Rotterdamse dichter Joz Knoop ken ik al jaren als een prima dichter en een fijn mens. Joz (1957) was van 2013 tot 2016 wijkdichter van De Beverwaard en hij was samen met Irene Siekman de initiatiefnemer van De Poëziebus. Joz is echter vooral bekend van zijn Jozzonetten.

Het Jozzonet is een door Joz Knoop ontwikkelde dichtvorm, waarbij de middelste regel van een oneven aantal regels het gedicht als het ware spiegelt. Een mooi voorbeeld is het Jozzonet ‘Grassex’ uit ‘De driehoek is rond’ uit 2013.

.

Grassex

De koeien staan onverstoord
te grazen in het weiland.
Ik neem je overtuigend
lief mee naar stille paden.
Daarom ga jij met mij
naar waar de lente explodeert..
Dat wat ons bindt verwijst ons door
naar waar de lente explodeert..
Daarom ga jij met mij
lief mee naar stille paden.
Ik neem je overtuigend
te grazen in het weiland.
De koeien staan onverstoord.

 

Paul van Ostayen

Gedicht op een muur

.

In de Joodse wijk (rond de België lei) van Antwerpen staat heel groot op een muur van het Sint-Vincentiusziekenhuis een gedicht getiteld ‘Zeer kleine speeldoos’ van Paul van Ostaijen (1896 – 1928). Het geboortehuis van deze dichter is vlak om de hoek op de Lange Leemstraat 53. Geboren als Nederlander (zijn vader was Nederlander, zijn moeder Vlaams) kreeg hij op zijn 22ste ook de Belgische nationaliteit. In zijn laatste levensjaren propageerde Van Ostaijen de ‘zuivere lyriek’: pure klankpoëzie zonder bijbedoelingen. Het gedicht moest ‘geontindividualiseerd’ zijn, autonoom, los van de werkelijkheid en de gevoelens van de dichter. Zijn laatste gedichten werden postuum uitgegeven onder de titel ‘Nagelaten gedichten’. Uit de bundel ‘Gedichten’ uit 1935 komt het gedicht op de gevel van het ziekenhuis.

.

Zeer kleine speeldoos

.

Amarillis

hier is

in een zeepbel

Iris

hang de bel

aan een ring

en de ring

aan je neus

Amarillis

Schud je ’t hoofd

speelt het licht

in de bel

met Iris

Schud je fel

breekt de bel

Amarillis

Waar is

Iris

Iris is hier geweest

Amarillis

aan een ring

en de ring

aan jouw neus

Wijsneus

Amarillis

.

 

Hugo Claus

Avondland

.

Van de Vlaamse dichter Hugo Claus (1929 – 2008) verscheen in 1994 de bundel ‘Gedichten 1948 – 1993’ met daarin het volgende gedicht.

.

Als er niets nieuws is in het avondland

maar alleen wat er geweest is vanaf het begin,

wat kan ik uitvinden dat niet faliekant

een eerder geboren kind verzint?

.

Jij staat al Etruskisch, Helleens, Azteeks

op ansichtkaarten aan de wand gepind

te lonken, te koop, al te zeer bemind,

mijn eeuwenoude jonge feeks.

.

Hoe zou de antieke wereld reageren

tegenover het huidig mirakel van je lijf?

Blijven geloven dat geen ogenblik

.

ooit zonder herinnering kan genereren?

Die oude rakkers wisten van geen blijf

met jouw eenzelvigheid, net zomin als ik.

.

Poëzie in Zurenborg

Rutger Kopland

.

Afgelopen weekend was ik in Antwerpen en daar kwam ik, al wandelend door de wijk Zurenborg (aanrader voor als je van Art Neauveau architectuur houdt) een gedicht van Rutger Kopland tegen. Op een raam van een huis in de Transvaalstraat was in folie een gedicht van Rutger Kopland aangebracht. Wat zo aardig is aan deze regels, is dat ze uit het gedicht ‘Groningen’ komen maar blijkbaar inspirerend en bruikbaar genoeg om ook in andere steden van toepassing te zijn.

Het volledige gedicht uit de bundel ‘Dankzij de dingen’ uit 1989 luidt:

.

In Groningen

 

Je bent in Groningen, maar hier
ben je dat niet, dit is een onbekende
plek, dit is een gedicht in
deze stad.

Waarin je al die jaren kwam en
ging, door altijd zon, altijd regen,
altijd wind, totdat je hier
stond, en dit las.

Je kwam en gaat weer weg, ook nu.
Zo zal het blijven tussen ons, ik ben
een onbekende plek

.

Slagbaai

Alette Beaujon

.

Uit de serie ‘dichters omnibus’. Heb ik nu ook deel 6 bemachtigd. Een klein beetje waterschade maar dat mag de pret niet drukken. In dit deel uit 1959 , een geschenk van Esso Nederland n.v., staan weer een aantal dichters die ik niet ken. Een daarvan is de dichter Alette Beaujon.

Alette Clemence Beaujon, geboren op Curacao (1934 – 2001) studeerde in Chicago en Amsterdam. In de jaren ‘60 werkte Beaujon als klinisch psycholoog. Schreef poëzie in het Engels, Papiamento maar hoofdzakelijk in het Nederlands. Van haar hand verscheen een grote bundel ‘Gedichten aan de baai en elders’ en de dichtbundel ‘De schoonheid van blauw’. Daarnaast publiceerde ze poëzie in het magazine ‘Amigoe’ in de Nederlandse Antillen.

.

Slagbaai

.

Stil te zitten in de schemering

voor een huis te staren

wanneer de hemel plots

heel laag zijn kleuren offert

aan de nacht

.

Snelle Spaanse waaiers in de lucht

een dansend begin

wordt langzaam donker in de verte

en komt vreedzaam naar ons toe

in de omtrek sterft het weg

.

De gladde strekenvan de zee

slepen nog kleine stenen mee

alle beweging is moeizaam

en boeit niet meer

.

Ik kom hier elke dag

de avond zoeken

en de dag want beide

heb ik op dit strand voor het eerst gevonden

heel lang geleden

.

 

Omdat daar toch niemand zat

Hans Faverey

.

De dichter Hans Faverey (1933-1990) werd geboren in Paramaribo en kwam in 1939 naar Nederland. Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde hij psychologie.  Sinds 1965 was hij als klinisch psycholoog verbonden aan de Universiteit Leiden. Hans Faverey begon gedichten te schrijven in de hoogste klassen van het Amsterdams Lyceum, toen hij via de stimulerende lessen van F. Lulofs kennis had gemaakt met de moderne Nederlandstalige poëzie. Tussen 1953 en 1957 schreef hij niet, omdat hij naar eigen zeggen zijn gedichten niet goed en muziek mooier vond. De poëzie van Faverey is modern en klassiek tegelijk, makkelijk en moeilijk. Soms verontrustend, met een dramatische ondertoon. Hij speelt een spel, hij goochelt, hij is de meester van het onverwachte, en hij heeft humor. In 1990 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Uit de postuum verschenen bundel ‘Springvossen’ uit 2000, samengesteld door Lela Zeckcovic, de weduwe van Faverey, het gedicht ‘Omdat daar toch niemand zat’.

.

Omdat daar toch niemand zat

.

Omdat daar toch niemand zat,
en omdat het niet dicht zit,
is het weer tijd voor een wandeling
langs de oevers van het strand, daar
waar het woud zich plotseling inhield,
of zich gaandeweg heeft verwijderd.

Dit denkt iemand die niet weet
dat hij in deze tekst zit
en er nooit meer uitkomt,
hoe hij ook morrelt aan zinnen
en met betekenissen schuift.

Beter zo dan andersom,
wanneer de kou onverwacht inzet;
en beter nooit dan te laat.
Dat ben ik weer die dit denk.

In mijn afwezigheid hier
verschuilt zich een triomf
die nooit uitgevierd raakt.

.

Tempels in woestijnen

Boeli van Leeuwen

.

Willem Cornelis Jacobus (Boeli) van Leeuwen (1922 – 2007) was een Nederlands-Antilliaans schrijver en dichter. Van Leeuwen studeerde rechten in Leiden en promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Op Curaçao vervulde hij verschillende publieke functies waaronder die van bestuurssecretaris van de Antillen. Na zijn pensionering werkte hij als pro-Deoadvocaat in de probleemwijk Scharloo.

Als dichter debuteerde hij in 1947 met de, in eigen beheer uitgegeven, bundel ‘Tempels in woestijnen’ bij Imprenta Bolívar. In 1959 publiceerde hij zijn eerste roman ‘De rots der struikeling’ waarvoor hij in 1961 de Vijverbergprijs (nu Ferdinand Bordewijk Prijs) kreeg. Binnen dit werk speelt het leven op Curaçao een belangrijke rol. Dit wordt veelal gekoppeld aan belangrijke Bijbelse thema’s rondom schuld, seksualiteit en verantwoordelijkheid. De paradoxen tussen individu en sociale omgeving worden hiermee uitgedrukt.

In De Parelduiker, tijdschrift over schrijvers, litaratuur en hun geschiedenis, nummer 5 van 2013  http://docplayer.nl/13575712-De-parelduiker-een-parelduiker-vreest-den-modder-niet-multatuli.html  staat een lang artikel over Boeli van Leeuwen en een paar gedichten uit zijn debuutbundel waaronder het gedicht ‘Nacht’.

.

Nacht
.
Tropennacht, karbonkelsterren aan het firmament,
Het zwoel gewelf waaruit de bleke maan
Schaduwen van weemoed achter lemen hutten zendt
En schimmige geraamten triest vergaan.
De schurftige kokosstammen met verziekte huid
Kreunen in de dorre grond van dorst.
Het landhuis, een verlaten bruid,
Droomt hooghartig boven krullengeborduurde gevelborst.
1947,
Een negerin gaat door de nacht
Gevangen in betovering der dingen;
En de lucht wordt zwaar van angst en macht.
Nu groeit het menselijk verlangen
En de hunkering
Naar beelden die men nooit meer kan vervangen.
.
.

Simon Vinkenoog

gedicht

.

In 1973 richtte Remco Campert het tijdschrift ‘gedicht’.op dat werd uitgegeven door de Bezige Bij. ‘gedicht’ was een tijdschrift dat uitsluitend gewijd was aan poëzie en het vertegenwoordigde geen stroming in de Nederlandse letteren, maar wilde poëzie brengen van goede kwaliteit, of wat de redacteur daarvoor aanzag. Het tijdschrift stond open voor debuterende en gevestigde dichters. Het tijdschrift ‘gedicht’ verscheen 4 maal per jaar. Uit nummer 5 van de tweede jaargang (1975) koos ik voor een gedicht van de dichter Simon Vinkenoog getiteld ‘Anna sunya’.

.

anna sunya

.

in de fontein

van het licht

dat alle dorst lest

is alles waar

.

alles leeft

.

voor haar

is alles

een, vanuit

haar is alles

waar

.

anna sunya

zuiver niets

teder levend

kwetsbaar

wonder

.

dochter

.

je bent volmaakt

hoe is het mogelijk?

maar- het is waar-

je bent volmaakt

.

Een winter aan zee

A. Roland Holst

.

Bij de kringloopwinkel kocht ik twee kleine bundeltjes van A. Roland Holst; ‘Vuur in sneeuw’ en ‘Een winter aan zee’. Deze laatste is in 1961 uitgegeven als Ooievaar pocket 127 en beslaat een lang gedicht in 10 hoofdstukken weer onderverdeeld in delen. ‘Een winter aan zee’ wordt beheerst door drie motieven:

  1. Een vrouw van thans, die voor de ‘ik’ een tijdlang aan zee in levende lijve de bezielde schoonheid was.
  2. Helena van Troje, van wie, opgeroepen door de herinnering aan die eerste vrouw, het beeld en de betekenis de achtergrond bepalen.
  3. De wereld van thans, zoals zij gezien en ervaren wordt vanuit het verlangen, of het heimwee.

In elk van de tien afdelingen of hoofdstukken overheerst één van deze motieven.

Dit is afdeling of hoofdstuk VII in twee delen en heeft de wereld van thans als motief.

.

VII

.

Soms heerst in een duinkom

omtrent vroeg vallend donker

een zwijge’ als van rondom

daar wachtenden. De eenzame

die, in zichzelf verzonken,

daar binnenkomt, vertraagt

zijn pas, door wat geen namen

benoemen thans belaagd.

.

Dit is de plek: wantrouwen

ontzenuwt hier den moed

tot inkeer: in dit nauwe

duindal komt het wel voor,

dat men zichzelf ontmoet,

en aanziet, en moet lezen

in de andre blik. Dit oord

suizelt van angst en vrezen.

.

Vuurtoren

Jana Beranová

.

Een tijd terug vond ik tussen de afgedankte boeken in het Groot Handels Gebouw in Rotterdam (onder de naam Book Central staat daar een kast waar je je oude boeken kwijt kan en, als je er wat van je gading tussen vindt, ook uit mee mag nemen) een vroege bundel van de Rotterdamse dichter en goede bekende Jana Beranová getiteld ‘Geen hemel zo hoog’ uit 1983.

Deze bundel was na enkele bibliofiele uitgaven haar eerste grote dichtbundel, die destijds al een paar jaar in voorbereiding was. Jana komt uit Tsjechoslowakije en ze leefde lang noodgedwongen ver van haar vaderland. Ze dicht, vertaalt, acteert en is heel actief in het literaire leven van vooral (maar niet exclusief) Rotterdam. Van 2009 – 2010 was ze stadsdichter van Rotterdam, in 2012 was ze jurylid van de Ongehoord! gedichtenwedstrijd en in 2016 was ze één van de deelnemende dichters aan de Poëziebus.

Uit de (wel wat vergeelde maar desalniettemin gekoesterde) bundel ‘Geen hemel zo hoog’ het gedicht ‘Vuurtoren’.

.

Vuurtoren

.

Een stenen tronk grijpt naar de hemel,

arrogant en bijna ongenaakbaar

in zijn erectie.

.

Ritmisch schokkend uit zijn eikel

vloeit lichtgevend zaad

dat nooit opraakt

de weg wijzend naar

blijde verachting.

.

Machteloos en smachtend

hang je aan zijn signalen.

.

Als god hem heeft neergezet,

waarom dan schipbreuk lijden?

.