Site-archief

Lichtgedicht

Ester Naomi Perquin en Geert Mul

.

In januari 2014 verscheen in de Noorderzon, wijkkrant van Rotterdam-Noord het bericht dat in december 2013, in het Muizengaatje (de onderdoorgang van het spoor bij station Rotterdam Noord, nabij de Bergweg) een lichtgedicht is geplaatst van dichter Ester Naomi Perquin (toen stadsdichter van Rotterdam) en kunstenaar Geert Mul. Het gedicht is geplaatst op het plafond en door de speelse belichting krijgt het steeds een andere dimensie.

De combinatie van tekst en gekleurd licht zorgt voor verschillende lagen en daagt de lezer uit om de tekst opnieuw te lezen, te interpreteren en te ontdekken.

Lichtgedicht-Station-Noord-16-12-2014-DSC_3591-NZ-NZO

 

Lichtgedicht-Station-Noord-16-12-2014-DSC_3609-NZO

Foto’s: Johannes Odé, redacteur van Noorderzon.

Hoekkamer

Clara Haesaert

.

Vandaag wil ik een vrouwelijk Vlaamse dichter Clara Haesaert belichten. En wel om de volgende reden. Toen ik informatie over haar las waarin stond dat ze zich professioneel inzette voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken scoorde ze als mens al punten bij me, toen ik op zoek ging naar haar poëzie was het duidelijk; ik ging een blogpost over haar schrijven.

Geboren in 1924 was Clara Haesaert na haar studie werkzaam als ambtenaar bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur (kom daar tegenwoordig nog maar eens om, ministeries met zulke ronkende namen). In die functie zette ze zich dus in voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken.

Op 29 jarige leeftijd debuteerde ze als dichter met de bundel ‘De overkant’ waarna er nog 8 bundels volgden. Haar laatste bundel ‘Voorbij de laatste vijver’ verscheen in 1995. Ze was medeoprichtster en redacteur van het tweemaandelijkse tijdschrift ‘De Meridiaan’ tijdschrift voor kunst en letteren, en oprichtster van Internationaal Kunstcentrum Taptoe in Brussel. Tot slot was ze mede-stichtster van de “Middagen van de Poëzie” en van het Haiku-centrum voor Vlaanderen in Overijse.

Naast de Basiel de Craeneprijs voor haar gedicht ‘de Man’ in 1952 , de Mathias Kempprijs voor Poëzie voor haar bundel ‘Medeplichtig’ in 1984 en ‘Het gulden boek voor Verdiensten bewezen aan het Boekwezen’ in 1991 werd ze in 2001  bevorderd tot Officier in de Leopoldsorde.

Uit jaargang 8 van De Brakke Hond uit 1991 het gedicht Hoekkamer van haar hand.

.

Hoekkamer

Het gulden boek voor verdiensten bewezen aan het boekwezen, bibliotheken, jeugdboeken,

1.
Je loopt levend door mijn gedachten,
je handen bewegen,
je knippert met de ogen.
Ik ben dood, zei je toen, die avond,
zeven jaar geleden.
Nu hoor ik je stem, verdrietig,
ik zie je stappen, voorovergebogen.
Toch loop je elk ogenblik, veerkrachtig,
lachend en pratend door mijn gedachten.
2.
Op een dag liep ik met een vriend door het bos.
Een groot bos vlakbij de grootste stad van het land.
Het was februari, ik hoorde een ijsvogel zingen.
Op het smalle wandelpad lag een dun laagje sneeuw.
3.
In deze hoekkamer rees de vraag:
waarom de stem verheffen,
waarom met woorden treffen.
Waarom het ondoordachte:
steeds de sterkere, de onverstoorbare te lijken,
waarom geraffineerd de meedogenloze spelen.
In het schild voor het ongeluk geboren:
onloochenbaar merkbaar in ogen en stem,
koele tegenstrijdigheid in zien en horen.
.
Clara
Met dank aan dbnl.org en Wikipedia

Dichter in het verzet

Louis de Bourbon

.

Louis Jean Henri Charles Adelberth de Bourbon (1908 – 1975) was een bijzonder mens, dichter en prozaschrijver.  Hij was een achterkleinzoon van de in 1845 te Delft overleden Franse troonpretendent Karl Wilhelm Naundorff, wiens nazaten – ten onrechte, zou later blijken – gerechtigd waren de naam Bourbon te voeren. In 1998 werd middels DNA onderzoek aangetoond dat Naundorff niet verwant was met de familie de Bourbon en dus geen nazaat van Lodewijk XVI.

Louis de Bourbon studeerde in Nijmegen (rechten) en publiceerde vanaf 1932 werk in onder andere in ‘Het Venster’ en later in ‘De Gemeenschap’ waarvan hij ook redacteur werd. Van 1938 tot 1941 was hij burgemeester van Escharen. In 1941 werd hij benoemd tot burgemeester van Oss. Vanwege toenemende onvrede over de maatregelen van de Duitse bezetter nam Bourbon ontslag in 1943. Hij dook onder en ging in het verzet. De Duitse bezetter veroordeelde hem bij verstek ter dood. Daags na de bevrijding van Oss (19 september 1944) werd Bourbon als waarnemend burgemeester van Oss aangewezen. In 1946 trad hij terug en wijdde zich vooral aan de letteren. In de Nederlandse Poëzie Encyclopedie staat in een stukje over jonge katholieke dichters (de jong-katholieke poëten) uit de jaren dertig van de vorige eeuw:

“Een onthutsend groot aantal van hen (van de jong-katholieke poëten) belandde in nationaal-socialistisch vaarwater. Daarom was ik des te opgeluchter toen ik vandaag Louis de Bourbon in het lopende NPE-onderzoek behandelde. Niet alleen een goed dichter, maar ook nog eens een oprecht en dapper mens.”

In totaal publiceerde hij 8 dichtbundels. Uit de bundel ‘In Ballingschap’ uit 1939 het gedicht ‘Sonnet in de Lente’.

.

Sonnet in de Lente

.

Aan Gudrun

De winter is voorbij, het groen is blond
aan alle boomen en de bloesems bloeien,
over de weiden zweven vlinders rond,
die met de eerste voorjaarsbloemen stoeien.
De rog staat hoog en in mijn kleine dorp
neigt de natuur zich naar het nieuwe leven;
de zeug wordt zwaar en wacht haar eerste worp,
en meisjes zingen in de lichte dreven.
Om jouw gezicht speelt nog wat avondzon,
het doet mij denken aan de lentedagen
toen tusschen ons dat vreemde spel begon.
Zoo is het goed, reik mij opnieuw je mond,
laat onze liefde nieuwe bloesems dragen,
want eeuwig als de aarde is ons verbond.
.
LdB
Met dank aan Wikipedia en NPE

Seizure poetry

Fiona Wright

.

Seizure is een Australisch magazine over het nieuwe schrijven waar jonge auteurs en redacteurs mogen experimenteren met vorm en stijl.  Zo is men bij Seizure bezig met hele korte romans, de website en een tweejarig tijdschrift. Op de website is nu een langjarig verlangen van de redactie vervuld.

De eerste huisdichter, award winnend schrijfster, redacteur en bakker! Fiona Wright werd gevraagd om een aantal rebellerende gedichten te maken waarbij vorm en inhoud de lezer zouden prikkelen. Het zijn de volgende gedichten geworden:

Epistles at Dawn – poems in the form of correspondence from one poet to another.
Swear Jar – in the poetic tradition of Samuel L. Jackson.
Bout Rimés – 17th Century parlour game for the decidedly un-faint of heart. Parlez-vous awesome?

.

Hieronder de weergave van Fiona.

.

poetry-row

Meer informatie over Seizure: http://seizureonline.com/projects/seizure-now-with-extra-poetry/

De terrorist en de poëzie

Invictus

.

Toen Timothy McVeigh op 11 juni 2001, de dag dat zijn doodstraf uitgevoerd zou worden, die hij kreeg na het plegen van een bomaanslag op een gebouw van de federale overheid in Oklahoma city, zijn final statement mocht maken, deed hij dit door het overhandigen van een handgeschreven gedicht aan zijn bewaker Harley Lappin.

Het gedicht was van William Ernest Henley getiteld ‘Invictus’ (betekenis: god van de onoverwinnelijkheid) uit 1875. Aangenomen wordt dat Henley in dit gedicht  het bestaan van een god volgens de Christelijke doctrine ter discussie stelt of ontkent

Waarom McVeigh juist dit gedicht over schreef en aan de bewaker overhandigde daar kunnen we slechts naar gissen. Meteen na het overhandigen van de tekst werd McVeigh om het leven gebracht middels een dodelijke injectie.

De dichter Henley kreeg op zijn twaalfde Tuberculose waarna zijn rechterbeen werd geamputeerd. Zijn linkerbeen kon worden gespaard maar hij in zijn latere leven had hij enorm veel pijn door de abcessen die zijn lichaam teisterde. Velen denken dat zijn afkeer van het Christendom hier mee te maken heeft.

Dit is het briefje dat McVeigh aan de bewaker overhandigde mat daaronder de tekst van ‘Invictus’.

De titel Invictus was niet de originele titel van het gedicht. Dat had geen titel. De titel Invictus werd later door zijn redacteur toegevoegd toen het gedicht werd opgenomen in The Oxford book of English verse.

.

.

Invictus

.

Out of the night that covers me,

Black as the pit from pole to pole,

I thank whatever gods may be

For my unconquerable soul.

.
In the fell clutch of circumstance

I have not winced nor cried aloud.

Under the bludgeonings of chance

My head is bloody, but unbowed.

.
Beyond this place of wrath and tears

Looms but the Horror of the shade,

And yet the menace of the years

Finds and shall find me unafraid.

.
It matters not how strait the gate,

How charged with punishments the scroll,

I am the master of my fate:

I am the captain of my soul.

.