Site-archief

De sjouwers van de Grève

Rutebeuf

.

De Franse dichter Rutebeuf ( of Rustebeuf) werd waarschijnlijk geboren in Troyes, hoofdstad van Champagne. Rutebeuf (1230 – ca. 1285) werkte hij als jongleur of beroepsdichter in Parijs. Zijn beschermheren waren Alfons van Poitiers en Karel van Anjou, twee broers van Lodewijk IX de Heilige. Rutebeuf legde zijn naam uit als ‘rude boeuf’of  ‘hard zwoegende os’ (voor middeleeuwers is schrijven ploegen met de pen). Zijn omvangrijke oeuvre telt veertienduizend verzen. Het omvat zesenvijftig werken van uiteenlopende aard. Er zijn fabliaux of boerden, koddige vertellingen in verzen ( zoals Le Dit de l’herberie, Frère Denise, La Vengeance de Charlot le juif), klaagdichten (Pauvreté Rutebeuf, Le Mariage Rutebeuf, Complainte Rutebeuf), satiren (Le Dit de l’université, Le Dit des béguines), een oproep tot een kruistocht (Complainte d’outre-mer), heiligenlevens (La Vie de sainte Marie l’Égyptienne) en een mysteriespel over een pact met de duivel (Le Miracle de Théophile). Rutebeuf hekelt de clerus en zet zich vooral af tegen de bedelorden die aan de universiteit leerstoelen opeisen. Anderzijds leeft hij mee met de gewone man. De eeuwige klachten over zijn eigen armoe zijn wellicht karikaturale overdrijvingen van een broodschrijver. Zijn poëzie is virtuoos, volks van toon en melodieus van klank.

In 2015 verscheen bij uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep ‘De tuin van de Franse poëzie’ een canon in 100 gedichten. In deze bundel staat Franse poëzie van dichters die leefden tussen de 9e eeuw en nu. Uit deze bundel het gedicht ‘De sjouwers van de Grève’ van dichter Rutebeuf in een vertaling van Paul Claes en in het originele Frans. Dit gedicht  gaat over Parijse schooiers. Op de place de Grève (‘Zandplein’) bij de Seine, waar nu het stadhuis staat, boden ze hun diensten aan als sjouwers van per boot aangebrachte goederen. De witte vliegen aan het slot zijn sneeuwvlokken. Het beeld komt al voor in Rutebeufs gedicht ‘La Griesche d’Yver’ (De ellende van de winter) en loopt vooruit op Guido Gezelles gedicht ‘Wintermuggen’.

.

De sjouwers van de Grève

.

Sjouwers, het einde is nabij:
De blaren vallen van de bomen
En jullie vinden geen kledij
Om aan de vrieskou te ontkomen.
Een wambuis of een warme pij
Daar kun je enkel maar van dromen.
Al loop je ’s zomers nog zo blij,
De winter biedt geen onderkomen.
Je schoeisel is van smeervet vrij:
Je hebt je voet tot zool genomen.
De zwarte vliegen zijn voorbij,
De witte zullen weldra komen.

.

Li Diz des Ribaux de Greive

.

Ribaut, or estes vos a point:
Li aubre despoillent lor branches,
Et vos n’aveiz de robe point,
Si en avreiz froit a voz hanches.
Queil vos fussent or li porpoint
Et li seurquot forrei a manches.
Vos aleiz en estei si joint
Et en yver aleiz si cranche.
Vostre soleir n’ont mestier d’oint:
Vos faites de vos talons planches.
Les noires mouches vos ont point,
Or vos repoinderont les blanches.

.

Met dank aan athenaeum.nl

De slaper in het dal

Arthur Rimbaud

.

Ik lees de verzamelbundel ‘Van Dante tot Neruda, 123 wereldgedichten om uit het hoofd te kennen’, uitgegeven door uitgeverij Lannoo in 2009. De bundel is samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem en bevat een doorsnee van de bekendste en beroemdste dichters uit Europa en het Amerikaanse continent. Opvallend genoeg geen Aziatische dichters (Perzië, Japan, China), Afrikaanse dichters (Zuid Afrika, Noord Afrika) of dichters uit Australië. Als verklaring geven de samenstellers dat deze gedichten niet tot ons collectieve geheugen behoren en daar is iets voor te zeggen, zeker wanneer je je beperkt tot 123 gedichten uit alle eeuwen poëzie.

Veel bekende gedichten, ook (voor mij) wat minder bekende gedichten. Ik heb uit deze fijne bundel gekozen voor het gedicht ‘De slaper in het dal’ van de Franse dichter Arthur Rimbaud (1854 – 1891). Rimbaud was een vertegenwoordiger van het Symbolisme en het Decadentisme en in zijn korte leven één van de grote vernieuwers van de dichtkunst. Rimbaud schreef dit anti-oorlogsgedicht op zijn zestiende jaar. De vertaling is van Paul Claes.

.

De slaper in het dal

.

Een kuil vol groen waar een rivier door zingt
Die kruid met flarden zilver onbesuisd
Bespat; vanaf de fiere bergkam blinkt
De zon: een klein dal dat van stralen bruist.
.
Een jong soldaat, blootshoofds, met open mond,
De nek in blauwe kers gedompeld, ligt
In open lucht te slapen op de grond,
Bleek in zijn groene bed vol plenzend licht.
.
Zijn voeten in het lis, zo slaapt hij. Zwakjes
Lachend zoals een ziek kind, soest hij zachtjes:
Natuur, wieg hem vol warmte: kou lijdt hij.
.
De geuren doen zijn neusvleugels niet trillen;
Hij slaapt in de zon, één hand op zijn stille
Borst, rechts twee rode gaten in de zij.

.

Spits

Daggedichten

.

In de zomer van 2010 begon radio deejay Frits Spits (pseudoniem van Frits Ritmeester) op verzoek van zijn omroep, de KRO,  te twitteren en terwijl hij dat aan het doen was bedacht hij dat het aardig zou zijn om dat in de vorm van een klein gedichtje te doen. Zoals vaker bij leuke kleine ideetjes komt het een van het ander en zo ook hier; Frits Spits maakte van deze gedichtjes een vast onderdeel in zijn programma op radio 2 ‘Tijd voor twee’. Dit programma presenteerde hij tussen 1995 en 2013.

In 2013 verscheen ook de bundel ‘Daggedichten’, een selectie van de daggedichten die hij schreef voor zijn radioprogramma. Alle gedichten zijn geënt op het nieuws en de actualiteit waarbij een aantal onderwerpen steeds terugkeren zoals politiek, sport, cultuur en de natuur.

Ik koos er een paar die (zijdelings) betrekking hebben op de onderwerpen die ik op dit blog behandel.

.

Daggedicht 071011

Zweedse Tomas Tranströmer (80) wint Nobelprijs Literatuur

.

Ook op hoge leeftijd mag je van Nobelsucces dromen

Verlies daarom nooit de moed

Ook voor Tomas kwam het goed

Tranströmer bewees ons met zijn poëzie te doorströmen

.

Daggedicht 100511

Yves Petry winnaar van de Libris Literatuur Prijs

.

Met de Librisprijs voor Yves Petry valt goed te leven

Maar waarom raakte bij die prijs

Yves zo van de wijs

En sprak hij alsof hij nog nooit een letter heeft geschreven.

.

Daggedicht 160712

Dichter Rutger Kopland

.

De rijmelaar moet het oordeel der dichters vrezen

Zij zullen adviseren:

Wil je dichten leren

Moet je heel veel werk van Komrij en Kopland lezen

.

Columbus dus

Het nieuwe avontuur

.

Naast dat je op avontuur en ontdekkingsreis kunt gaan in de poëzie (wat ik iedereen kan aanraden) kun je ook in de poëzie op zoek gaan naar ontdekkingsreizen. Dat is precies wat Hans Heesen in 1991in opdracht van uitgeverij Kwadraat uit Utrecht gedaan heeft. Hij stelde de bundel ‘Het nieuwe avontuur’ ontdekkingsreizen in de poëzie samen.

In deze thematische verzamelbundel staan gedichten van dichters uit de vorige eeuw over ontdekkingsreizen. Veelal gaan ze over Columbus maar ook Stanley Livingstone Diego Cam, Vasco da Gama, Pizarro en James Cook komen voorbij. Dat je een gedicht over ontdekkingsreizen kunt schrijven en toch heel dichtbij huis kunt blijven bewijst dichter Leendert Witvliet (1936) in het gedicht ‘Columbus dus’ dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel ‘Sterrekers’ uit 1984.

.

Columbus dus

.

Een boot vaart voor het raam

het vloerkleed is de zee

elke stoel krijgt naam

van land of water mee

.

en de kast die op een flat gelijkt

waarop de kat soms ligt als ze niet krabt

waarvoor de boot de zeilen strijkt

en waarheen een reus nu stapt

.

nog zonder naam, nog echt

een kast met grote la

totdat de jongen zegt

die noem ik Amerika.

.

Herfst

W.J. van der Molen

.

In mijn boekenkast staan vele dichtbundels, bloemlezingen en verzamelbundels. Zo ook ‘Van de morgen tot morgen’ uit 1964 (tweede druk) een bloemlezing van moderne poëzie ten dienste van het onderwijs. Toen ik deze bundel uit mijn boekenkast pakte en de ondertitel las moest ik onmiddellijk denken aan een bericht dat Kila van der Starre mij toestuurde over een symposium in Utrecht op dinsdag 5 november 2019 met als thema ‘Uitgesproken poëzie: over poëzievoordracht in de klas’ waar ik gisteren nog over schreef.

In begin jaren zestig was poëzie in de schoolklas blijkbaar belangrijk genoeg dat er zelfs een bundel aan gewijd werd. In deze bundel staan gedichten van alle grote dichters. En soms kom ik een naam tegen van een dichter die ik (nog) niet ken. Zoals de dichter W.J. van de Molen (1923 -2002). Volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie https://www.nederlandsepoezie.org was Willem Johan van der Molen bevriend met Michaël Deak. Hij publiceerde met hem onder het pseudoniem Aernout van Leiden zes bloed- en bodemverzen in nr. 5/6 (mei/juni) 1944 van het door de SS gerunde tijdschrift ‘Groot Nederland’.

In 1985 verklaarde Deak daarover dat deze zes verzen dienden om vijf sonnetten met een verborgen verzetsboodschap een door de Amsterdamsche Keurkamer uitgeschreven poëziewedstrijd te laten winnen. Na de oorlog zouden hij en Van der Molen deze boodschap dan onthullen. Probleem is evenwel dat niemand vóór 1985 van deze wedstrijd gehoord had. De enige bron voor het bestaan van die poëziewedstrijd is Michaël Deak, die erover repte in een brief d.d. 14-08-1985 aan literair onderzoeker Frank van den Bogaard. In kranten- en tijdschriften uit 1944 is geen spoor van de wedstrijd aangetroffen. Het lijkt erop dat Van der Molen, een paar jaar jonger dan Deak, door deze in dit avontuur is gesleept (Bron NPE).

In 1949 publiceert van der Molen zijn bundel ‘Sous-terrain’ (1949) in de Windroos-reeks. In het tweede deel van zijn leven hield van der Molen zich vooral bezig met Haiku’s. Zo was hij vanaf 1981 redacteur van ‘Vuursteen’, het vierjaarlijkse tijdschrift van de Nederlandse en Vlaamse Haiku centra. Na zijn dood wijdde de vanuit Japan opererende World Haiku Association een internetpagina aan hem, vanwege zijn grote verdiensten op haiku-gebied:
www.worldhaiku.net/poetry/nl/wjvan.molen.htm

In ‘Van de morgen tot morgen’ is het gedicht ‘Herfst’ opgenomen. In deze, al donker wordende, dagen leek me dat wel toepasselijk.

.

Herfst

.

De herfst komt met een tondeuse van wind

en een schaar van zilveren schemerregen.

Met lakens wolken om wachtende bomen.

.

Hij legt in het lover een watergolf van tranen

Hij schudt uit flessen doorzichtig grijs

brillantine van dauw en lotions van dromen.

.

Hij snijdt met een scheermes het licht uit de hemel.

Hij knipt met een schaar het geluid uit de tijd,

met zijn vingers de as van de werkelijkheid.

.

Satie

Henk Romijn Meijer

.

Het gebeurt me nog wel eens. lezend in een dichtbundel (meestal een verzamelbundel) dat ik een gedicht tegen kom van een dichter die ik alleen als schrijver van romans of verhalen, of als columnist ken. Meestal betreft het hier éénmalige gedichten en heeft de schrijver in kwestie nooit een dichtbundel uitgebracht. En soms word ik verrast zoals in het geval van schrijver, taalkundige, vertaler en essayist Henk Romijn Meijer.

Henk Romijn Meijer (1929-2008) ken ik als schrijver vanaf 1983, toen een docent Nederlandse Letterkunde aan de P.A. Tiele Academie, waar ik mijn opleiding deed, ons studenten wees op Romijn Meijers roman ‘Mijn naam is Carrigue’. Henk Romijn Meijer brak in dat jaar door naar het grote publiek met deze roman, een boek dat een nieuw genre in de Nederlandse literatuur zou inluiden: de faction. Het is naar vorm en stijl een psychologische roman, naar intrige een thriller, maar gebaseerd op ware feiten.

Toen ik in de bundel ‘De vier jaargetijden’ een gedicht van zijn hand tegen kwam was ik dan ook verrast. Op zoek naar zijn oeuvre kwam ik via Wikipedia een enorme lijst van romans, verhalen, novelles en kritieken tegen én één poëziebundel uit 1986, getiteld ‘Resten van jou’. Destijds uitgegeven in een oplage van 750 stuks, voorafgegaan in een speciale druk van 250 exemplaren als relatiegeschenk in 1985.

Uit deze bundel is in ‘De vier jaargetijden’ een keuze uit poëzie over klassieke muziek uit 1991 het gedicht ‘Satie’ opgenomen.

.

Satie

.

De spotzieke lentevogel

klauwt aan zijn vingers vast.

.

nu zijn er bijna uitgesproken woorden

die aarzelen, dan wemelen als sneeuw,

dan dichtvallen als ogen, verschrikt verlegen.

.

eenzaamheid glimpt als de weerschijn

van een kaarslantaarn, bescheiden

en voorzichtig klinkt de eenzaamheid.

.

Einde

Luuk Gruwez

.

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez (1953) debuteerde in 1973 met de dichtbundel ‘Stofzuigergedichten’ waarna vele bundels volgden. De poëzie van Luuk Gruwez wordt weleens tot de neoromantiek gerekend, een stroming die als reactie op het nieuw-realisme van de jaren ’60 weer aandacht opeiste voor de grote gevoelens omtrent leven, liefde, ziekte, vergankelijkheid en dood. Luuk Gruwez voegt aan deze vorm van romantiek altijd een stuk (zelf)ironie toe. In zijn recentere werk wordt zijn poëzie verhalender en breder.

In 2015 verscheen de bundel ‘Garderobe’ een keuze uit al zijn gedichten. Poëzie uit zeven bundels is in deze bloemlezing gebundeld. Van ‘De feestelijke verliezer’ (1985, bekroond met de Dirk Martensprijs) tot ‘Lagerwal’ uit 2008. Uit deze mooie bundel koos ik het gedicht ‘Einde’ uit de ‘Feestelijke verliezer’.

.

Einde

.

Niemand zal met mij verdwijnen,

wanneer ik straks mijn einde vind.

De wereld mag na mij wel blijven,

alleen: ik ging nooit graag alleen.

.

En dat ook dan een duivenklets

nog op mijn oude dakraam ploft

waaronder vreemde lijven woelen

in liefdes melodieus rumoer,

.

of dat, al liet ik niemand na,

het ernstig loensen van een kind

met druipneus en een uilenbril

voorgoed aan mij voorbij zal gaan,

.

ik tel dit alles niet zozeer,

bedwelm al wie mijn kist wil volgen

met fleurige ontbindingswalm.

Alleen: ik ging nooit graag alleen.

.

Zuidelijke gastvrouw

Maria van der Steen

.

In 1987 publiceerde uitgeverij Meulenhoff de lijvige bundel ‘De spiegel van de Nederlandse poëzie’ Dichters van de twintigste eeuw (5e herziene editie), samengesteld door Hans Warren. Het aardige van verzamelbundels uit een bepaalde tijd (in dit geval de jaren 80 van de vorige eeuw, wat de titel gelijk al een vreemde bijsmaak geeft, er waren nog 13 jaar te gaan in de twintigste eeuw toen deze bundel uit kwam) is dat er dichters in zijn vertegenwoordigd waar je veel later (in dit geval ruim 30 jaar later) nooit meer iets van hoort. Samen met dichters die nu nog steeds worden gelezen vormen zij een mooi palet van de dichterscultuur in een bepaalde periode.

Lezend in deze bundel kwam ik de dichter Maria van der Steen tegen met een aantal gedichten. Maria van der Steen is het pseudoniem van Annie Pepers (1906 – 1987).  Zij debuteerde (na eerder verschillende prozawerken te hebben geschreven) in 1970 met de poëziebundel ‘Sintels rapen’ waarna nog 10 dichtbundels en een bloemlezing zouden volgen. In haar eerste dichtbundels beschrijft Maria van der Steen eenvoudige, alledaagse toestanden, waarmee zij thematisch bij haar proza aanleunt (armoede en onmenselijkheid). Later zou zij meer feministische poëzie gaan schrijven.

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Zuidelijke gastvrouw’ dat eerder verscheen in de bundel ‘Laat maar’ uit 1971.

.

Zuidelijke gastvrouw

.

zij snijdt nog brood

op de ouderwetse manier

.

zij neemt het bijna als een baby in haar armen

-zij moet een warm hart hebben- denk ik

een rilling van bijna betrapte herkenning

gaat door mij heen

.

ik word weer klein

en sta aan tafel

.

met de punt van het mes

maakt zij een kruis

van korst tot korst

.

het lemmer klieft

het grijs van golgotha

zij schijnt het niet te merken

.

ik bespied haar feller

het brood, een donkere homp nu

draait zich tussen haar borsten rond

en om haar warme wijze mond beeft

een nauw aanvaarde glimlach

als zij zegt

terwijl zij de sneden

behoedzaam op de broodschaal legt:

.

wat zijn de jaren snel gegaan

ik had je bijna niet herkend

nu ik het kind en jij de moeder bent

.

Nu hoort gij mij misschien

Coert Poort

.

De in Rotterdam geboren dichter Coert Poort (1922 – 2004). Woonde drie jaar in India (Bombay) en een jaar in Indonesië (Medan). Hij debuteerde in 1953 met ‘Twee gedichte’n, waarin details uit de werkelijkheid op hallucinerende wijze worden uitvergroot waardoor hun essentie voor de waarnemer aan het licht komt. Een van de centrale thema’s in de poëzie van Poort is de geboorte als grondslag voor het `ik’.

In 1970 verscheen van Poort bij Uitgeversmaatschappij Holland de bundel ‘Gedichten’ waarin gedichten zijn opgenomen uit de bundels ‘Een kleine dag voor mijzelf’, ‘De koning van Wezel’, ‘Mannenwerk’ en ‘Zonder omslag’. C. Ouboter schreef over deze verzamelbundel: ‘Terwijl de voornaamste tendens in onze westerse cultuur expansief is, staat de poëzie van Coert Poort in een tegengesteld teken van versobering en zelfs verijling, van inkeer tot een begin: een geboorte in een huis van bewaring’.

Een andere criticus Anton B. Lam schreef over Poort: Voor Poort is de poëzie een gebeuren, waarin niet de dichter het woord voert, maar waarin de taal zich, in haar volle openbarende kracht, aan de dichter – en via hem aan de lezer – meedeelt en voltrekt.

Uit de bundel met verzamelde gedichten koos ik voor een vroeg gedicht van Poort met de titel ‘Nu hoort gij mij misschien’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Een kleine dag voor mijzelf’ uit 1955.

.

Nu hoort gij mij misschien

.

Nu hoort gij mij misschien

gaan door het leven

door een deur

zoals huizen mij horen

eenmaal of honderdmaal op een dag

zoals zij mij beter horen

dan ik zelf

ik strijk vuur in het donker

ik streel een huid tegen de zin

ik blaas averechts op een fluit

ik schop stenen tegen de hellingen op

ik zwem rond in de lange rivier

ik wacht in de voortsnellende treinen

ik praat maar wat tegen de zon

ik geef mijn kinderen terug aan God

tegen de wind

ik steek langzaam de nacht over

ik paasser de stilte

langs de wegen verlaat ik het land

langs de zeeën verlies ik het water

ik ga tussen mijn woorden door

om bij u te zijn.

.

Wie verliefd is..

Karel Eykman

.

Van de schrijver en dichter Karel Eykman (1936) verscheen in 1982 de verzamelbundel ‘Wie verliefd is gaat voor’ met honderden liedjes en gedichten die Eykman schreef voor het jeugdtheater, televisie en radio. Uit deze bundel het gedicht/liedje ‘Hij had een motor en wist er alles van’.

.

Hij had een motor en wist er alles van

.

Hij had een motor en wist er alles van
en ik hielp hem zoals een kind dat kan
(’t is jaren terug).
En zo van lieverlee werd hij een echte vriend
al was hij groot mens en was ik nog een kind
(dat vergeet ik niet vlug).
Ik werd vertroeteld, geknuffeld en verwend
zoals alleen iemand die je goed kent
(’t is jaren terug).
Ik had het fijn bij hem en was op mijn gemak
en ik begreep niet wat daar voor kwaads in stak
(dat vergeet ik niet vlug).
Hoe hij dan zei met zijn grappige gezicht
hoe hij dan praatte, net als een gedicht:
Jossie, lief Jossie, klein Jossie, goed Jossie
goed lijf Jossie, goed zicht.
.
En nooit vergeet ik wie hij toen voor me was
ik was toen dom en eenzaam in de klas
(’t is jaren terug).
En was ik droevig toen of wou ’t op school niet gaan
dan kroop ik zachtjes zo tegen hem aan
(dat vergeet ik niet vlug).
Toen zei m’n vader: ‘Wat moet jij met die miet?’
Toen was het uit, toen mocht het verder niet
(’t is jaren terug).
Al ben ik nu groot mens en jaren lang getrouwd
ik zorg ervoor dat ik hem goed onthoud
(dat vergeet ik niet vlug).
Hoe hij dan zei, met zijn grappige gezicht.
Hoe hij dan praatte, net als een gedicht:
Jossie, lief Jossie, klein Jossie, goed Jossie
goed lijf Jossie, goed zicht.

.