Maandelijks archief: maart 2017

Hollands landschap

Hans Wap

.

Ik heb al meerdere malen betoogt dat poëzie overal is. Poëziebundels mogen dan mondjesmaat verkocht worden en met nog zuiniger mondjes worden gelezen als ik het zo mag zeggen, poëzie is echt overal om ons heen. Bij een bijeenkomst van het Deltaport donatiefonds nam ik een krantje mee van het Rotterdams Havenbedrijf. In deze Havenkrant stuitte ik onder de titel ‘Gespot: Smickel Inn’ op een aantal regels van het gedicht ‘Hollands landschap’ van Hans Wap.

De snackbar uit het gedicht, de Smickel inn staat op de Maasvlakte en is volgens het artikel “met recht een gedicht waard, want de locatie is uniek”. Met de industrie in de rug en de Noordzee in het vizier is dit de plek om allerlei schepen te spotten. Met helder weer kun je Scheveningen zien liggen en je kunt er zomaar een Bruinvis of Zeehond zien zwemmen. Een bijzondere plek verdient een bijzonder gedicht.

.

Hollands landschap

.

waar de weg ophoudt
het niemandsland begint
waar industrie staat
tot aan de rand van de zee
waar schepen zand opspuiten
voor niet bestaande kavels
waar in de verte
een door loodsen bestuurd schip
de haven binnenvaart

de mens zich met de elementen meet
wolken langzaam samenpakken
boven schoorsteenpijpen
waar handen en spieren
door machines zijn vervangen
een ballet van windturbines
de horizon beweegt
en roestige treinen geduldig wachten
op cargo voor het achterland

daar in het niets
waar perspectief geen houvast heeft
staat een snackbar in de vlakte
alleen tegen de wind
die vrij spel heeft
in deze woestenij

daar mag je je bestelling plaatsen
hoe hollands
kan een landschap zijn

één patat
één frikadel
en twee kroketten

.

                                            Foto: Havenkrant

Bemoediging

Wolf Biermann

.

De Poëzie van de Duitse dichter en zanger (Karl) Wolf Biermann (1936)  staat in het teken van het gedeelde Duitsland. Ook uitte hij fundamentele kritiek op het stalinistische regime van het voormalige Oost-Duitsland in zijn gedichten. Hij wordt dan ook vooral als een politiek dichter gezien.

Zijn vader werd als Jood en verzetsman vermoord in Auschwitz en op 14 jarige leeftijd (wat zijn verdere leven getekend heeft), was hij al lid van de Freie Deutsche Jugend (een communistische jeugdbeweging). In 1953 verhuisde hij op 17 jarige leeftijd naar de DDR. Daar begon hij met het schrijven van gedichten en liederen. In 1963 leidde het stuk Berliner Brautgang tot het eerste conflict met de autoriteiten. Het door hem opgerichte Berliner Arbeiter- und Studententheater wilde dit stuk spelen, dat over de bouw van de Berlijnse Muur handelde. Het mocht niet worden opgevoerd en het theater -een verbouwd cinemazaaltje- werd gesloten voordat de première kon plaatsvinden. In datzelfde jaar werd hij ook geweigerd als lid van de communistische partij van de DDR, de SED.

Nadat in 1965 zijn gedichtenbundel “Die Drahtharfe” en zijn eerste langspeelplaat “Wolf Biermann (Ost) zu Gast bei Wolfgang Neuss (West)” worden uitgegeven in de Bondsrepubliek, verbiedt de DDR-overheid Biermann om nog op te treden, te publiceren of buiten de DDR te reizen. De SED beschuldigt hem van klassenverraad en obsceniteit. Vanaf dat moment komt werk van Biermann dan ook vooral uit in West Duitsland waarna dit clandestien zijn weg vindt naar Oost Duitsland.

In 1976 mag hij voor het eerst weer naar West Duitsland om op te treden. Als hij daar verblijft wordt zijn staatsburgerschap van de DDR ingetrokken en kan hij niet meer terug naar de DDR, ondanks grote protesten van schrijvers, kunstenaars en intellectuelen uit het West en Oost Duitsland.

Biermann zette zijn carrière verder met optreden en nieuwe teksten, waarin hij de DDR op de korrel bleef nemen en tegelijk ook zijn geloof in een vorm van socialisme en communisme tegen het stalinisme uitte. Hij brak later met zijn socialistische overtuiging, terwijl er eind jaren 80 ook een zekere actie-moeheid zichtbaar werd. In de jaren  ’90 kreeg hij meer interesse in zijn Joodse roots, treedt regelmatig op in Israël en vertaalt hij Joodse poëzie. Tegenwoordig woont Biermann in Hamburg en is nog altijd actief. Hij ontving meerdere prijzen voor zijn werk zoals  de Georg-Büchner-Preis in 1991, en is sinds zijn zeventigste verjaardag in 2006 drager van het Groβes Bundesverdienstkreuz. Ook is hij ereburger van de stad Berlijn.

Uit 1968 het gedicht ‘Ermutigung’ (bemoediging) in het origineel en in vertaling van L. van Summeren.

.

Ermutigung

Du, laß dich nicht verhärten
in dieser harten Zeit.
Die allzu hart sind, brechen,
die allzu spitz sind, stechen
und brechen ab sogleich. Du, laß dich nicht verbittern
in dieser bittren Zeit.
Die Herrschenden erzittern
– sitzt du erst hinter Gittern –
doch nicht vor deinem Leid. Du, laß dich nicht erschrecken
in dieser Schreckenszeit.
Das wolln sie doch bezwecken
daß wir die Waffen strecken
schon vor dem großen Streit. Du, laß dich nicht verbrauchen,
gebrauche deine Zeit.
Du kannst nicht untertauchen,
du brauchst uns und wir brauchen
grad deine Heiterkeit. Wir wolln es nicht verschweigen
in dieser Schweigezeit.
Das Grün bricht aus den Zweigen,
wir wollen das allen zeigen,
dann wissen sie Bescheid

 

Bemoediging
Jij laat je niet verharden
In deze harde tijd
Die veel te hard zijn breken
Die veel te scherp zijn steken
En breken af meteen. Jij laat je niet verbitteren
In deze bittere tijd
De heersers zullen sidderen
Jij zit niet achter spijlen
Voor jouw verdriet
Toch niet voor jouw verdriet. Jij, laat je niet afschrikken
In deze deze tijd van schrik
Ze willen immers zorgen
Dat we de wapens strekken
Nog voor de grote strijd. Jij, laat je niet verbruiken
Gebruik de tijd van jou
Je kunt niet onderduiken
Wij kunnen je gebruiken
Vooral je energie. We zullen niets verhullen
In deze verhulde tijd
Het groen breekt uit de twijgen
Wij willen dat iedereen tonen
Dan weten zij het ook

.

biermann

Met dank aan Wikipedia.

De dichter, thuis

Simon Carmiggelt

.

Hoewel ik nooit een groot fan geweest ben van de Kronkels van Simon Carmiggelt (om te lezen) mocht ik destijds altijd wel graag naar de voorgelezen versie op televisie luisteren. De droog komische en soms ook ironische toon van de stem van Carmiggelt maakte het een plezier om naar te luisteren. Pas later kwam ik erachter dat hij ook gedichten schreef. In 1974 werden de gedichten uit drie bundels (die hij publiceerde onder de naam Karel Bralleput) aangevuld met wat losse gedichten gepubliceerd door De Arbeiderspers in de bundel ‘De gedichten’.

Uit deze bundel heb ik gekozen voor het gedicht ‘De dichter, thuis’ waarin hij een wel heel bijzonder beeld schetst van het leven van de dichter thuis.

.

De dichter, thuis

.

Naast telefoon en drenzig kinderleven,

wacht hij gedwee op ’t hemels bevel.

Meiregen van ’t woord. Maar kómt ze wel-

de dame, die dit alles kleur moet geven?

.

Ook ’s avonds krast hij met zijn pen.

Een krekel is hij, die zijn dij bespeelt.

De vogel mijdt de lamp. Wordt soms ´n vette hen,

die ranzig tokkelt, denkend dat zij kweelt.

.

Maar dan ontsnapt een snik zijn volle krop

en vallen de koralen eensklaps uit de hemel.

Zie, wat beweegt daar tussen stergewemel ?

Twee duiven dalen neer / twee mussen stijgen op.

.

Zo vliedt de lange nacht. Zijn brave vrouw

vindt hem des morgens bleek naast zijn geweer.

Een schimmenjager met kartonnen speer.

Een dwerg die kralen rijgt aan ´t galgentouw.

.

de-gedichten

 

 

 

Die moeder

Elisabet Eybers

.

Soms kom ik in mijn boekenkast de meest vreemde boeken tegen. Nu weer een boek van Joke Forceville-van Rossum met de titel ‘Als je het mij vraagt’ uit 1983. Joke begint in haar voorwoord over de welvaart in ons land en dat deze bijna spreekwoordelijk is (!). Omdat zij veel gelezen heeft en daarbij zoveel is tegengekomen dat blij maakt, te denken geeft, helpt, troost en vragen stelt, wil ze anderen hier ook deelgenoot van maken. Er zijn dringender redenen geweest om een boek uit te geven dunkt me. Dit boek bestaat dan ook uit een enorme hoeveelheid foto’s, spreuken, verhaaltjes, korte essay-achtige stukken, overdenkingen en gedichten. Waarschijnlijk heb ik dit boek daarom ooit voor een euro gekocht bij een kringloopwinkel.

Het boek doorbladerend wilde ik het al weg doen tot ik een prachtig gedicht tegenkwam van Elisabet Eybers getiteld ‘Die moeder’. Elisabet Eybers (1915 – 2007) was een Zuid Afrikaans dichter. Ze groeide op en studeerde in Johannesburg maar vestigde zich in 1961 in Amsterdam en nam de Nederlandse nationaliteit aan. Toch bleef ze schrijven in het Afrikaans. Haar werk wordt gekenmerkt door humor, ironie en zelfspot. Als voorbeeld hiervan onderstaand gedicht uit 2006, geciteerd in haar overlijdensadvertentie:

Godsdienstigheid beweer
Die siel bly voortbestaan
Terwyl ek self begeer
Om grondig te vergaan

Ze wordt met M. Vasalis en Ida Gerhardt tot de drie grote naoorlogse dichteressen van Nederland gezien. Voor haar werk ontving ze vele prijzen waaronder drie keer de Hertzogprijs, de Herman Gorterprijs, de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooft-prijs voor haar hele oeuvre. Ze publiceerde maar liefst 30 bundels poëzie in haar leven.

.

Die moeder

.

Die vreemde oorsprong van jou lewe het,

soos lig deur ’n kristal, deur my gevloei

in al die maande toe ek één was met

die stil geheim van jou verborgene groei.

.

En nou kan niks ons skei – want is jy niet

afhanklik en gebonde aan my bloed

wat met sy onbegryplike chemie

jou wonderlik gevorm het en voed?

.

En of die uur ver en vergete word,

en of die jare tussen jou en my

hul seile span, die see sy golwe stort,

of self die Dood sy somber baken steek,

nogtans sal jy aan my gebonde bly

met die onsigb’re naelstring wat nie breek.

.

n_jong_elisabeth_eybers

De sneeuwpop

Harriet Laurey

.

Harriet Laurey (1924 – 2004) werd in Eindhoven geboren en is vooral bekend geworden als schrijfster en vertaalster van sprookjesachtige kinderboeken voor veelal jonge kinderen. Ze debuteerde als dichter  in 1945 met het gedicht ‘Laatste gebed’ in ‘De Nieuwe Eeuw’. Laurey’s eerste eigen bundel, ‘Loreley’, verscheen in 1952 en had als autobiografisch hoofdthema het verlies van een grote liefde. Deze bundel kon het grote publiek zeer bekoren. In 1971 schreef een recensente van de Telegraaf dat zij de bundel ‘Oorbellen’ uit 1954  al vijftien jaar lang tot de beste Nederlandse liefdespoëzie rekende. In 1955 publiceerde zij nog eenmaal samen met haar echtgenoot een dichtbundel maar daarna schreef ze nog louter kinderboeken.

Uit de bundel ‘Loreley’ het gedicht ‘De sneeuwpop’.

.

De sneeuwpop.

 

Ik ben de sneeuwpop op het Leidseplein.

In vlokken kwam ik naar hun wereld vallen,

ontelbaar. Maar zij maakten met z’n allen

de starre man, die ik opeens moet zijn.

.

Mijn ene arm korter dan de and’re,

mijn hoofd te groot, de stijve hoed te klein.

Ik voel wel, dat ik onbehouwen schijn.

Ik voel het, maar ik kan het niet verand’ren.

.

Hoewel zij inderhaast mijn beide ore

-alsof een pop wel zonder kan – vergaten,

hoor ik hun warme mensenstemmen praten.

.

En ’t sneeuwt zó los. Maar ik ben vastgevroren

en straks, met heel het plein alleen gelaten,

niet eens meer sneeuw, niet eens meer helder water..

,

sneeuwpop

 

’s Zomers

Jotie ‘T Hooft

.

Tussen mijn poëzie parafernalia (mooi woord) kwam ik een bijdrage van mijn dochters tegen aan de Jotie ‘T Hooft poëziewedstrijd. Toen ze destijds hoorde dat je best wel mooie prijzen kon winnen bij poëziewedstrijden sloegen ze meteen aan het dichten, hoe heerlijk het opportunisme van kinderen. Grappig genoeg bleek één van de twee tot de genomineerden te behoren in haar leeftijdsgroep (ze won niet) maar het bracht ons ertoe om af te reizen naar de geboorteplaats van Jotie ‘T Hooft Oudenaarde, om daar bij de prijsuitreiking aanwezig te zijn. Ze mocht zelfs haar gedicht voordragen. Het heeft verder niet geleid tot poëtische aspiraties maar leuk was het wel.

Omdat ik dit tegen kwam heb ik er maar weer eens een (verzamel)bundel van “t Hooft bij gepakt en uit zijn ‘Verzamelde gedichten’ koos ik voor het gedicht ’s Zomers’.

.

’s Zomers

.

’s Zomers vouwt men vliegers van mijn woorden

en holt ermee naar zee

alsof men ginds iets kon beginnen

zonder mij.

.

De huizen vol zand slapen nog

er zijn geen duinen

meeuwen hangen roerloos aan hun nylonkoord

er zijn nog geen schelpen gestrooid en

op de golfbreker ligt nog het blauwe lijk

van de bader van vorig jaar.

.

Pas als ik een woord ( ‘strandbal’)

tegen de wind ingooi, ontstaan:

een vrouw,

een schop, wat zonneolie

(en de ijskoventers kruipen uit hun gangen).

.

De rest laat ik met gerust gemoed

aan het stadsbestuur over.

.

jotie

Dichter van de maand Maart

J. Slauerhoff

.

Als dichter van de maand maart heb ik gekozen voor J. Slauerhoff (1898-1936). Slauerhoff is bekend als schrijver en dichter en publiceerde in zijn relatief korte leven toch heel wat verhalen, romans en poëzie. Ook vertaalde hij proza uit het Spaans en Portugees. Tijdens zijn leven was hij al bekend en geroemd maar ook na zijn dood bleef de belangstelling voor zijn werk. Tot op de dag van vandaag wordt zijn werk heruitgegeven en vertaald.

Uit de ‘Verzamelde gedichten’ in twee delen uit 1973 (negende druk) het gedicht het gedicht ‘Woninglooze’ met de beroemde eerste zin.

.

Woninglooze

.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,

Nooit vond ik ergens anders onderdak;

Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,

Een tent werd door den stormwind meegenomen.

.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.

Zoolang ik weet dat ik in wildernis,

In steppen, stad en woud dat onderkomen

Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen

Dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt

En tevergeefs om zachte woorden smeekt,

Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde

Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de

Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.

.

js2

js

Rotterdam

J.C. Bloem

.

In 1990 publiceerde Dr. J. de Gier bij het Boekencentrum in Den Haag, de bundel ‘Poëzie als wapen’ een overzicht met bloemlezing van gedichten rond oorlog en verzet 1940-1945. In deze bundel dus veel oorlogspoëzie waaronder het gedicht van J.C. Bloem ‘Rotterdam’.

Bloem publiceerde op 4 september 1940 in de Telegraaf dit gedicht dat vervolgens in een aantal verzamelbundels werd opgenomen. In dit gedicht beschrijft hij de stad Rotterdam na het bombardement. Een stad die ‘open ‘ligt. In dit gedicht is eerder sprake van bevreemding en bedeesdheid dan dat de dichter geschokt is door hetgeen is gebeurd. Of, zoals Bloem indirect stelt, de hemel, de zon en de natuur blijven onaangetast en ook op de puinhopen van Babylon en Nineveh is het leven doorgegaan.

De Gier schrijft in de bundel over dit gedicht: “Het lijkt niet erg aannemelijk dat velen in de harde realiteit van toen de hoge vlucht van Bloems verbeelding konden meegaan”. In retrospectief gezien, met de kennis van de stad Rotterdam van nu, is dat al veel beter te doen.

.

Rotterdam

.

Hoe vreemd ligt deze stad nu open,

hoe is zij wonderlijk en licht:

De huizenloze straten lopen

van niets naar niets – toch niet ontwricht.

.

De hemel straalt als nooit tevoren

op waar der eeuwen bouw verdween-

de zomer heeft geen glans verloren,

de zon scheen zoals ze altijd scheen.

.

Men gaat in innerlijke afzondring,

herdenkend hoe het is geweest,

en vindt zichzelf tot zijn verwondring

geschokt veel minder dan bedeesd.

.

Klaag niet. Steeds bloesemen de tuinen

boven vergankelijkheid en wee:

Een herder rust thans op de puinen

van Babylon en Niniveh.

.

paw

Tegen de afgrond

Dirk van Bastelaere

.

Ik ruim mijn kast op. Dat is hard nodig want ik heb nog nauwelijks plaats voor mijn (nieuwe) dichtbundels. Tussen alle boeken vond ik ook nog een tijdschrift ‘Boek’ uit 2007. Waarom ik dat bewaard heb is me een raadsel, er staat hoegenaamd vrijwel niets over poëzie in behalve een klein stukje over de Week van de poëzie en de VSB poëzie prijs. Grappig om te lezen is dat de Week van de poëzie in 2007 van 21 tot en met 27 april liep (synchroon met de Poetry month in de VS) terwijl deze week inmiddels naar januari is ‘verhuisd’.

In dat stukje staan ook de genomineerde dichters waaronder Dirk van Bastelaere (1960) met zijn bundel ‘De voorbode van iets groots’.  De VSB poëzieprijs won hij niet dat jaar, wel de Jan Campert prijs. Uit een andere bundel ‘Hartswedervaren’ uit 2000 het gedicht ‘Tegen de afgrond’ waaruit duidelijk het post moderne karakter van zijn poëzie blijkt.

.

Tegen de afgrond

Dat ik je aanspreek,
stom hart,
is natuurlijk complete waanzin, je bent
een generiek gegeven uit de cultuurgeschiedenis.

Dat betekent: een sterrennevel,
drijvende paddesnoeren, een parcours d’accidents
een zon die in het zwart verkeert,
napalm, Reihung, een nevengeschikte wereld
en we schrijven entropie.

Het is een woord,
hart,
tegen de wereld. Net zo goed kan ik tegen
de afgrond gaan schreeuwen, een canyon waarlangs
op zorgvuldige plaatsen
een houten framepje werd opgesteld
met de vermelding Take Pictures Here. KODAK

.

dvb2

dvb

Paterson

Ron Padget en The New York School 

.

Op Facebook las ik in een stuk van Marja van Rossum over de film ‘Paterson’ van Jim Jarmusch. Nu staat deze film op mijn verlanglijstje van films die ik nog moet gaan zien maar na het stuk van Marja ga ik de film snel zien. In deze film draait het om een buschauffeur die poëzie gebruikt om de alledaagse routine te doorbreken. Uit het stuk van Marja begrijp ik dat poëzie wordt gebruikt van o.a. Ron Padgett zoals ook het gedicht ‘Love Poem’ hieronder. Padget maakte deel uit van de The New York School.

Critici betoogden dat het werk van The New York School een reactie was op de Confessionalist beweging in de poëzie van die tijd (de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw).  De onderwerpen van hun poëzie was vaak licht, gewelddadig of observerend, terwijl hun schrijfstijl  vaak werd omschreven als kosmopolitisch en die van wereldreizigers. De dichters schreven vaak in een directe en spontane manier die doet denken de zogenaamde ‘stroom van bewustzijn’ schrijven, vaak met behulp van levendige beelden. Ze hebben zich gebaseerd op inspiratie uit het surrealisme en de hedendaagse avant-garde kunststromingen, in het bijzonder de action painting van hun vrienden in de kunstscene van New York City zoals Jackson Pollock en Willem de Kooning.

Dichters die vaak geassocieerd worden met de The New York School zijn John Ashbery, Frank O’Hara, Kenneth Koch, James Schuyler, Barbara Guest, Ted Berrigan, Bernadette Mayer, Alice Notley, Kenward Elmslie, Frank Lima, Lewis Warsh, Tom Savage, Joseph Ceravolo en Ron Padgett.

Van de laatste het gedicht ‘Love Poem’ uit de film ‘Paterson’ (met dank aan Marja van Rossum).

 

Love Poem

.

We have plenty of matches in our house.

We keep them on hand always.

Currently our favourite brand is Ohio Blue Tip,

though we used to prefer Diamond Brand.

That was before we discovered Ohio Blue Tip matches.

They are excellently packaged, sturdy

little boxes with dark and light blue and white labels

with words lettered in the shape of a megaphone,

as if to say even louder to the world,

„Here is the most beautiful match in the world

its one-and-a-half inch soft pine stem capped

by a grainy dark purple head, so sober and furious

and stubbornly ready to burst into flame,

lighting, perhaps, the cigarette of the woman you love,

for the first time, and it was never really the same

after that. All this will we give you.”

That is what you gave me, I

become the cigarette and you the match, or I

the match and you the cigarette, blazing

with kisses that smoulder toward heaven.

.

padgett-ron-nyc

                                                                             Foto: John Tranter

paterson