Categorie archief: Favoriete dichters
Kathedralen
Leo Vroman
.
Afgelopen zomer was ik op vakantie in Engeland, Cornwall. Op enig moment bezochten we de kathedraal van Truro, hiertoe ook aangezet door wat ik in ‘According to Yes’ las van Dawn French (ja die van French and Saunders). In deze roman van comedian/romanschrijfster French bezoekt de (Engelse) hoofdpersoon een oude kerk in New York die haar aan de kathedraal in haar geboorteplaats Truro doet denken.
Omdat wij in de buurt van Truro logeerde besloten we deze kathedraal met een bezoek te vereren. Aangekomen in de kathedraal werd ik verrast door een enorm springkussen en een soort creatieve markt/rommelmarkt in de kathedraal die gewoon nog in gebruik is als kerk. Vooral het springkussen was een detonerend object tussen zoveel geschiedenis.
Ik moest hier aan denken toen ik in ‘In liefde bloeyende’ De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten, van Gerrit Komrij, het deel over het gedicht ‘Kathedralen’ van Leo Vroman (1915-2014) las.
In zijn beschouwing over dit gedicht schrijft Komrij: “Het gaat hier om een laat-twintigste-eeuwse kathedraal, een kathedraal die een andere bestemming lijkt te hebben gekregen – die van meubelzaal of een rommelmarkt.”
Hieronder de foto’s die ik nam van en in de kathedraal en het gedicht van Leo Vroman.
.
Kathedralen
.
Wij zijn kathedralen
vol duistere geuren
en duistere gangen
achter zware deuren
verborgen zalen
Van het beeldwerk hangen
versmolten spiralen
en treurige slangen
van kleurloze kralen
Daar zijn voelbare balen
verouderde stangen
verwaarloosde palen
Daar stijgen en dalen
verdwaalde gezangen
verdichte verhalen
van dood en verlangen
zichtbare gangen
geopende zalen
en zonlicht
.
Brief aan de spiegel
Pierre Kemp
.
Via Facebook werd ik gewezen op een artikel dat verscheen http://www.literatuurmuseum.nl/artikelen/het-noodzakelijke-cliche-van-een-dichtende-forens over Pierre Kemp (1886 – 1967). Ik weet niet veel over deze Limburgse dichter, ik las eens een artikel over hem en bekeek een documentaire over zijn leven. Wat me ervan is bij gebleven, is dat hij een muze had, een vrouw die niet zijn vrouw was, en dat hij zijn poëzie vooral in de korte treinreizen schreef tussen de mijn Laura, waar hij werkte als loonadministrateur en zijn huis in Maastricht.
In het zeer lezenswaardige artikel staat ook te lezen dat hij altijd in het zwart gekleed ging zodat het kolengruis niet zichtbaar was. Kemp heeft veel gedichten geschreven (19 bundels) en zijn werk werd o.a. bekroond met de P.C. Hooft-prijs en de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre.
Uit zijn verzameld werk uit 1976 het gedicht ‘Brief aan de spiegel’.
.
Brief aan de spiegel
.
spiegel, als ik straks nog maar een lege onderbroek ben
en hemd, waarin vergolft mijn laatste harteklop;
als ik van het bestaande niets meer erken
dan wat nog welt uit mijn zingende kop
van onder het eerzame, schaarse haar,
kom ik nog eens vorsend voor je staan
en kijken wij elkander nog eens heel lang aan.
Tot dan,
je incomplete luisteraar
en leeggelopen man!
.
Lucebert
De Amsterdamse school
1,71
Demi Baltus
.
Demi Baltus (1998) studeert geneeskunde aan de UVA en in 2015 won ze met haar poëzie de Velser Inter Scolaire (een algemene podiumkunsten wedstrijd voor middelbare scholieren in Gemeente Velsen). Ze schrijft poëzie in de vorm van klankgedichten. In haar werk is klank en ritme heel belangrijk (wat ook blijkt uit het gedicht hieronder).
Haar gedichten luisteren net zo makkelijk weg als popsongs want zegt ze: “Ik wil dat mensen wakker blijven”. Afgelopen jaar was Demi één van de deelnemende dichters van de Poëziebus.
Uit de lesbrief van ‘Doe Maar Dicht Maar 2014-2015’ de docentenhandleiding het gedicht 1,71 van Demi.
.
1,71
.
Ik ken jou
Hoofd, schouders, knieën, teen
de stressvlek in je nek
en het trillen van je been
.
De glinstering in je ogen
en de woorden op je tong
De sproetjes op je neus
waar ik nog liedjes over zong
.
Ik ken je handen
koud maar veilig
De eerste haartjes op je kin
het puntje van je neus
en je hoofd van binnenin
.
Ik ken je lijfgeur als geen ander
Jouw lippen op mijn mond
Jouw 1,71
Mijn voeten van de grond
.
Demi in actie tijdens de Poëziebus toer in Antwerpen.
Dichter van de maand December
M. Vasalis
.
Uit de bundel ‘Parken en woestijnen’ uit 1940 koos ik vandaag voor een stemmig gedicht over de dood. Ook dit jaar was de dood en het sterven weer alom. Voor Vasalis was dit ongetwijfeld net zo maar toch wist zij met een knipoog over de dood te dichten.
.
De Dood
.
De Dood wees mij op kleine, interessante dingen:
dit is een spijker – zei de Dood – en dit een touw.
Ik zie hem aan, een kind. Hij is mijn meester
omdat ik hem bewonder en vertrouw,
de Dood.
.
Hij wees mij alles: dranken, pillen,
pistolen, gaskraan, steile daken,
een bad, een scheermes, een wit laken
‘zomaar’- voor als ik eens zou willen
de dood.
.
En vóór hij ging, gaf hij me nog een klein porretje…
‘ik weet niet, of je ’t al vergeten was,
het komt misschien nog wel te pas
voor als je eens niet meer zou willen
sterven,
maar wie let je?
zei de Dood.
.
Popcornkip
Joyce Willemse
.
Stadsdichter van Veenendaal in 2015 en 2016 Joyce Willemse neemt afscheid. Voor 2017 en 2018 wordt nu naar een nieuwe stadsdichter gezocht. Dat las ik op Twitter en nieuwsgierig als ik ben wil ik dan graag wat lezen van deze stadsdichter. Op de website van de stadsdichter van Veenendaal http://stadsdichterveenendaal.nl/ staan er een groot aantal.
De eerste die ik opende was meteen een rake. Bij het nieuws dat een Oekraïens bedrijf – Myronivsky Hliboproduct (MHP) – het voornemen heeft om een kippenslachtfabriek te vestigen in Veenendaal, schreef Joyce het volgende gedicht met een knipoog naar de term plofkip.
.
Popcornkip
.
Toooook, tok, tok, tok, tok
Tok, toooook,
Tok, tok, tok, toooook, tok
Tok, tok, tok, tok
Plof
Tok, tok, tok, toooook, tok
Plof
Tok
Plof
Tok, tok, tok, toooook, tok, tok, tooook
Plof, tok, tok
Plof
Tok Plof Tok Plof
Tok, tok, toooook, tok, tok, toooook
Plof Plof Plof
Tok Plof
Tok Plof Plof Plof Plof
Plof
.
Joyce heeft ook een zeer lezenswaardige website http://www.joycewillemse.nl/
Neeltje Maria Min
Wak
.
Neeltje Maria Min (1944) haar eerste gedichten werden gepubliceerd onder het pseudoniem Sophie Perk, verwijzend naar Jacques Perk in 1964 in het Nederlands cultureel en literair tijdschrift De Gids, twee jaar later gevolgd door enkele gedichten in het literair tijdschrift Maatstaf. Haar eerste bundel ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’, uit 1966 was met een oplage van 7000 exemplaren meteen een groot succes. Haar gedichten daarin gaan over liefde en dood en over de verhouding tussen ouder en kind.
Haar vijfde en vooralsnog laatste bundel verscheen in 1995 en was getiteld ‘Kindsbeen’. Uit deze bundel, die in 1996 de publieksprijs won komt het titelloze gedicht waarbij ik meteen een beeld had. Een beeld dat je tegenwoordig steeds minder vaak te zien krijgt namelijk een wak in het ijs met in dat wak een obstakel dat door het ijs gevangen is.
.
Een toegetakeld wak,
een hinderlaag van ijs.
Het tabernakel geeft
niet prijs wat het heeft ingelijfd.
.
Waar roestig ijzer schrijft,
waar tekening begint
van lijn en hapering,
houdt wind de adem in en snijdt.
.
Hier is het wachten op:
Het einde van de tijd,
een kilte die ontdooit,
de dag waarop hij vleugels krijgt.
.
Dichter van de maand december
M. Vasalis
.
In de fijne bundel ‘Apollo’s reis door Nederland’ uit 1956 waar ik eerder deze week al over schreef, staat een mooi gedicht van Margaretha (Kiekie) Droogleever Fortuyn-Leenmans of zoals de meeste mensen haar kennen M. Vasalis, met als titel ‘Afsluitdijk’. Omdat zij in december mijn dichter van de maand is was het makkelijk kiezen dit keer.
Oorspronkelijk verschenen in ‘Parken en woestijnen’ uit 1940.
.
Afsluitdijk
.
De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.
Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.
Dan zie ik plots, als waar ´t een droom, in ´t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.
.
Apollo’s reis door Nederland
Een verzameling geografische gedichten
.
In 1956 verscheen bij Nijgh & Van Ditmar in de Nimmer Dralend Reeks (nummer 56) ‘Apollo’s reis door Nederland’ een verzameling geografische gedichten samengevoegd door Laurens van der Waals. Gedichten over plaatsen, forten, duinen, sloten, weiden, molens, rivieren en dorpen. Door dichters als Aafjes, Achterberg en Marsman maar ook Jan Walch, E. den Tex en J. Jac Thomson. Ruim 140 pagina’s gedichten en poëzie over Nederland in al haar facetten.
Ook over het deel van Den haag waar ik woon staat een gedicht in de bundel, daarom mijn keuze voor dit gedicht van J.C. Bloem.
.
Scheveningen: mistige wintermiddag
.
Doodstille decemberdag,
Nevel en stilte overal.
Geen enkel geluid maakt gewag
Van een wereld van schijn en schal.
Landwaarts is het kil, maar de kust
Is zoel als een najaarsnoen,
Betogen door een rust
Als van een eeuwig seizoen.
Na de ijdele praal van feest
Schijnt het wanstaltig vertoon
Van bouwsels en plompen geest
Verheven en bijna schoon.
De zwarte brug in de zee
Reikt naar den wolkenden gloor
Van een zon, die niet blonk, en verglee’
In den zilveren mist teloor.
Wat vissers langs ‘t eenzaam strand,
En kindren, spelend op straat —
En de golven, spoelend aan land,
Het geruis, dat hen nooit verlaat.
O meisje, o jonge bruid,
Uw lippen zijn warm en rood,
Het leven dat niemand stuit,
Bloeit eens uit uw wachtenden schoot,
Gij lacht, en uw stap klinkt luid —
Maar het eind van dit al is de dood.
.
De Sidderrog
N.E.M. Pareau
.
In de bundel ‘Lees eens een gedicht’ uit 1974, samengesteld door T. van Deel kwam ik een mij onbekende dichter tegen (niet de enige trouwens) met de naam N.E.M. Pareau. Achter deze naam bleek de schrijver/dichter/jurist/hoogleraar rechtsgeschiedenis Herman Jan Scheltema (1906-1981) schuil te gaan. Nu moet ik eerlijk bekennen ook deze dichter niet te kennen al ging bij zijn naam wel een klein lampje branden (maar dat bleek een andere Scheltema te zijn).
Over zijn poëzie is bij mij niet veel bekend behalve dat hij destijds (in de jaren ’30 – ’40) in nauw contact stond met de schildersvereniging ‘De Ploeg’ in Groningen en dat hij behalve onder het pseudoniem Pareau ook schreef onder een ander pseudoniem namelijk Mr. J.Jer. van Nes.
Het gedicht De sidderrog komt uit ‘Mengelingen’ uit 1933 proza en poëzie.
.
De sidderrog
.
Schoon week en traag schuwt hij den vijand niet;
zijn blanke buik komt door het slijk gegleden
en peinzend starend prevelt hij gebeden,
’t vermoeide oog vol eeuwenoud verdriet.
.
Maar ijzig gif doorstroomt de klamme leden,
verschrikking, die het vadsig merg doorziedt.
Het oog vlamt op. De kille bliksem schiet.
De prooi is dood, de sidderrog tevreden.
.
Somwijl heeft hem het listig aas bedrogen,
de haak is door de dunne lip gebogen.
Thans spilt niet, ijdel rukkend, hij zijn kracht.
.
De visscher trekt… hij ziet het monster drijven
en loost het snoer – dan plots: de handen stijven;
de sidderrog zinkt bodemwaarts en lacht.
.
















