Categorie archief: Liefdespoëzie
Liefdesgedicht
Dag 14: Wouter van Heiningen
.
Gewoon omdat het kan en er altijd ruimte moet zijn voor een liefdesgedicht, een nieuw gedicht van mijn hand.
.
Liefdesgedicht
.
Dit is een liefdesgedicht
aan jou gericht, over je mooie gezicht
en de plicht, die roept en snoept
aan de tijd die je het liefst vermijdt,
want waar wil je zijn in het leven?
In het groot of het klein, is het detail
je meer waard dan het overzicht,
of is het genoeg, een liefdesgedicht,
aan jou gericht, over je prachtige lach
op je lieve gezicht.
.
Ik ben mogelijk
Dag 2: Maud Vanhauwaert
.
Uit de bundel ‘Ik ben mogelijk’ uit 2011 van Maud Vanhauwaert (1984) uit 2011 nam ik het gedicht zonder titel van pagina 43.
.
Ik ga je heel veel dragen
boven alles en om mij heen
en als ze naar mij vragen, zeg ik wacht
.
dan leg ik je zachtjes van mij af
kijk hoe zij mijn kleren is
hoe naakt ik zonder haar
.
ik kan je ook in mij dragen
maar als niemand ziet hoe je in mij doorweegt
houd ik het niet lang
.
laat mij je daarom aandoen
elke dag door jou ergens
aan blijven haperen
.
je schuren aan huizen waar de schaduw lang is en ook de straat
ook als er nog eens een vrouw komt
die haar vouwen om mij slaat
.
Vakantiegedichten
Menno Wigman
.
Vanaf vandaag is het vakantie voor mij. Dat betekent dat ik nog steeds elke dag een gedicht hier zal delen (want een dag zonder poëzie is een dag niet geleefd) maar dat de informatie die ik daar bij deel summier zal zijn. Waar heb ik heb gedicht vandaan, welke bundel uit welk jaar, welke dichter en dat is het wel zo’n beetje. Het gedicht dat ik deel zal de komende weken voor zichzelf spreken. Vandaag maar gelijk goed aftrappen met een gedicht van Menno Wigman (1966-2018) getiteld ‘Mijn helft’ dat ik nam uit de bundel ‘Vlaanderen & Co, Poëten in het parlement, bloemlezing 2002’.
.
Mijn helft
.
Haar lichaam is een teken, een bewijs
dat alles op de wereld wijst naar ons.
Maar ’s nachts schuift er een grijze
zwaardvis over het plafond en schrik
ik wakker op mijn helft. Ik heb het koud
.
en teken stil mijn kansen uit. Nog één
keer één te zijn, twee blinde dieren, god
in bed en diep en echt, een leven lang
uit haar spelonk van bont opstaan:
.
hoe zou dat zijn? De zwaardvis zwijgt.
In alle talen dromen mannen van genot
en dode liefdes die geen graven kregen.
.
En ik? Ik lig verblind naast het bewijs
dat alles wijst naar haar en mij.
.
Liefste liefste
Arthur Japin
.
In 2022 schreef ik een blog over de Boekenweek en de verkiezing van de mooiste zin uit de Nederlandse literatuur. Dat bleek een zin van Arthur Japin te zijn namelijk deze zin uit het boek ‘Een schitterend gebrek’: ‘Dit is het enige wat telt, lieverd, dat iemand meer in je ziet dan je wist dat er te zien was’. De reden dat ik hierover schrijf is dat dit de enige keer is dat ik op dit blog (in middels ruim 5000 berichten bevattend) over Arthur Japin schreef. Op zichzelf natuurlijk helemaal niet vreemd, dit blog gaat uitsluitend over poëzie (en alles wat daarbij hoort) en Arthur Japin schrijft proza.
Dat dacht ik tenminste. Tot ik de bundel ‘nachtkaravaan’ uit 2018 onder ogen kreeg. Toen bleek ook deze prozaschrijver (het is niet de eerste van wie ik dit ontdek) poëzie te hebben geschreven. In de afgelopen ruim twintig jaar schreef Arthur Japin voor artiesten als Sara Kroos, Paul de Leeuw en Karin Bloemen. Ook al veel eerder, op de Theaterschool, waar Arthur les had van Willem Wilmink, ontstonden talloze nummers, vaak gezongen door hemzelf. In 2009 won Arthur Japin voor zijn lied Nachtkaravaan de Annie M.G. Schmidtprijs. In de bundel ‘nachtkaravaan’ is een brede keuze uit Japins liedjes opgenomen, aangevuld met enkele gedichten. Zoals het liefdesgedicht ‘Liefste liefste’.
.
Liefste liefste
.
Liefste, liefste, ik wil iets van jóu aan
Iets wat naar jou ruikt, waarin ik jou voel
Mag ik je kleren aan? Liefste, vind het goed
Want ze doen me iets, ze raken me, ze koesteren me
.
Misschien dat ik me straks weer warm waan
Met iets van jou aan blijft het minder lang koel
Want dan voel ik je, liefste, diep in mijn bloed
Diep in mijn hart, onder mijn huid, diep in me, zo diep
.
Liefste, liefste ik wil iets van jóu aan
Iets wat naar jou ruikt, waarin ik jou voel
Laat je wat kleren hier? Liefste, alsjeblieft!
Ze zijn als ik, ze kenden je, ze herinneren zich jou
.
Ze zijn niet mooi of nieuw of wat dan ook
Maar als ik in iets van jou kruip zit dat zó warm en zó lekker
Dan voel ik hoe jij voelde in het begin
Voel ik dat hier, binnenin, zó lief en zó lekker
.
Kus
Peter Verhelst
.
In 2020 schreef ik al eens over Peter Verhelst (1962), over zijn bundel ‘Wij totale vlam’ en ik plaatste daar het gedicht bij ‘Voor het vergeten’. Nu was ik pas in de bibliotheek van Utrecht aan het Neude en daar had ik even pauze. Ja wat doe je dan? Dan ga je, als je mij bent, naar de afdeling poëzie. En daar nam ik de bundel ‘Koor poëzie’ een keuze uit de poëzie (1987-2017) van/door Peter Verhelst uit de boekenkast. Wat schetst mijn verbazing? Er staat het gedicht in getiteld ‘Tegen het vergeten’. Nu kwam deze titel mij direct bekend voor.
Zowel in de titel van een gedicht van Shari Van Goethem ‘Tegen het vergeten wat samen-leven is‘ als de titel van de bundel van Hans Faverey ‘Tegen het vergeten‘ uit 1988, als in de titel van een bundel van Alja Spaan ‘Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid‘ uit 2018 komt deze titel voor. En even verder kwam ik erachter dat ik het gedicht van Verhelst al eens gedeeld had hier op dit blog. Blijkbaar is de tegenstelling tussen vergeten en ‘er iets tegen doen’ wat eigenlijk niet mogelijk is, een interessante gedachtengang voor dichters.
Omdat ik het gedicht ‘Tegen het vergeten’ al eerder deelde heb ik gekozen voor een ander gedicht uit de bundel van Verhelst getiteld ‘Kus’. Ook al zo’n titel die je vaker tegen komt. Zoals blijkt uit dit, dit en dit gedicht.
.
Kus
.
Het beweegt iets kleins in haar slaap
het buigt een knie voorzichtig om het niet te wekken
lig je urenlang te kijken kin op arm hoe het samentrekt zich
wentelt op een zij het neemt je naar haar kant mee van het bed
zucht zich uit zichzelf zet zich op het laken af de voetzool
duwt de heup op nauwelijks een millimeter van je mond verwijderd
kom maar word maar wakker maar
de millimeter wordt een ding iets stijfs onder je tong je ziet het
uit het laken stulpen woelt zich bloot als het ochtend is een witte jurk
rilt door ons heen wiegt aan een kastdeur het is laat altijd te laat
begonnen we te zoeken plek na plek waar het zou kunnen
eindelijk de plek van ons om te vergeten te vergeten hoe je insliep
hoe je mond zich open droomde nog een keer voorzichtig
om je niet te wekken urenlang roerloos leunend op een hand
lig je te kijken lieve onbestaande
kus die loopt van de mond die er had kunnen zijn in het gezicht
dat al uit het kussen weg begint te trekken
het is onmiskenbaar ochtend laat ons nog een allerlaatste keer
voor het wakker wordt en kleren aantrekt en de kus wordt
die er niet meer is
.
Tijd voor de liefde
Jacobus Bellamy
.
Het mooie van liefdesgedichten is dat hoe lang geleden het ook is dat ze geschreven zijn, ze altijd naar het hier en nu te brengen zijn. En wanneer zo’n gedicht gelezen wordt dan is het alsof het nu geschreven is. De liefde is van alle tijden en het gevoelsleven veranderd door de loop van de eeuwen niet of nauwelijks. Als je het gedicht ‘De liefde’ van dichter Jacobus Bellamy (1757-1786) leest dan zou dit, los van de taal misschien, gisteren geschreven kunnen zijn.
Bellamy klom op van bakkersknecht tot een van de populairste dichters van Nederland in de 18e eeuw. Lang heeft Bellamy niet van zijn succes kunnen genieten, want hij stierf als student, slechts achtentwintig jaar oud. Bellamy studeerde met grote tegenzin theologie want zijn hart en passie lag bij de literatuur. Hij deed niets liever dan schrijven. Zo schreef hij proza in tijdschriften en brieven. Maar hij werd beroemd met zijn poëzie. ‘Gezangen mijner jeugd’ (1782), ‘Vaderlandse gezangen van Zelandus’ (1782-1783) en ‘Gezangen’ (1785) staan vol met gedichten waarin Bellamy ‘de taal van ’t hart’ spreekt, zoals hijzelf zei.
Dat hart ontvlamde door de liefde. Bellamy was eeuwig verliefd, op zijn vriendin Fransje, Francina Baane, het meisje met wie hij van haar moeder niet mocht trouwen en dat in het anoniem gepubliceerde ‘Gezangen mijner jeugd’ optreedt onder de naam Fillis
Het gedicht ‘De liefde’ komt uit deze bundel (ik nam het over van Neerlandistiek.nl) maar is van een schoonheid die opgaat voor elke dichter en zijn muze.
.
De liefde
.
Wanneer vertoont de Liefde
Zich op het allerschoonste,
In ’t hijgende verlangen,
Of na het gul genieten? —
Wij smaaken het genot reeds
In de armen der verbeelding,
Wanneer wij nog verlangen.
Maar, na het vrij genieten,
Wanneer, door al de vreugde,
De snaaren der verbeelding
Geheel zijn overspannen,
Dan heerscht in onze ziele
Een sombere verwarring.
Dan geeft het droevig denkbeeld:
Wij hebben reeds genoten!
Der ziele een matte houding.
Maar, geeft een blik der hope
Weêr leven aan ’t verlangen,
Dan leeft de ziel, en schept zich,
Uit loutre harsenschimmen,
Wel duizend vreugdebeelden.
.
Alice
Leonard Nolens
.
Omdat het alweer een tijdje geleden is dat ik een erotisch gedicht hier deelde, hier een van dichter Leonard Nolens (1947) getiteld ‘Alice’. Het gedicht komt uit ‘De liefdesgedichten’ uit 1997.
.
Alice
.
Geslapen, lang en diep, in het zwart.
Ons licht is de hele nacht buiten geweest.
Mijn blonde luchthartige beent halfnaakt
En vergroeid met haar zwierende rok
Door de kamer, zij kamt er heupwiegend
En fluitend het licht, het dik licht
Van haar kroezende haar en de ochtend.
.
De zon speelt er graag met haar borsten
En springt op haar rug, bespat
Haar nekvel en schouders, zij staat er
Te schitteren diep in het hart
Van de spiegel en pakt mij daar vast
Met haar blik: ga nu mee, ga toch mee.
Ik verdwijn in een goudwolk van scherven.
.
Tussen droom en daad
Eddy van Vliet
.
In een Vlaamse kringloopwinkel kocht ik de bundel ‘Tussen droom en daad’ De 200 bekendste gedichten uit de Vlaamse poëzie van de middeleeuwen tot nu, uit 1989 (wat ‘nu’ dan gelijk in een zeker perspectief plaatst). De bundel is samengesteld door dichter Eddy van Vliet (1942-2002). De bundel is opgehangen aan de versregel “tussen droom en daad staan wetten in den weg en praktische bezwaren” uit ‘Het Huwelijk’ van Willem Elsschot.
Op de achterkant van de bundel lees ik dat iedereen wel een aantal versregels uit het hoofd kent (dat klopt denk ik wel), maar wie herinnert zich het vervolg, of weet waar het bewuste gedicht te vinden is? Dat was de reden dat het PoëzieCentrum Eddy van Vliet vroeg op zoek te gaan naar de 200 meest geciteerde gedichten uit de Vlaamse poëzie. Als laatste regel staat er dan nog: “Hoewel bezwaard met de ballast van de actualiteit, maken vele versregels deel uit van ons collectief geheugen. Met deze bloemlezing wil Van Vliet deze poëtische kennis opfrissen en bewaren”. Een nobel streven en volgens mij goed gelukt.
Omdat het altijd moeilijk kiezen is uit 200 gedichten heb ik dan maar gekozen voor een gedicht van Eddy van Vliet zelf. Het betreft hier het gedicht ‘Verliefd’, oorspronkelijk gepubliceerd in de bundel ‘De binnenplaats’ uit 1987, een heerlijk realistisch gedicht over verliefd zijn.
.
Verliefd
.
Zo gaat het, zo ging het en zo zal het altijd gaan.
Afspreken in cafés op de sluitingsdag.
Aan de verkeerde zijde van bruggen staan.
Tussen duim en wijsvinger, als brandende as,
het fout begrepen telefoonnummer.
Parken te nat, hotels te vol, Parijs te ver.
Liefde als een veelvoud van vergissingen.
.
Onbeholpen woorden als zoëven op zak en
zoveel zin om, los van de wetten
van goede smaak en intellect, te schrijven
dat van de stad waar je elkaar voor het eerste zag,
een plattegrond bestaat, waarop een kus,
die het nauwelijks was, geregistreerd werd.
.
Onsterfelijke liefdesverzen
De kat
.
Dat je liefdespoëzie niet altijd aan een geliefd persoon hoeft te wijden blijkt uit de bundel ‘De liefste’ onsterfelijke liefdesverzen bijeengebracht door Paul Claes uit 1995. In deze bundel staat bijvoorbeeld een liefdesverklaring aan de kat. Voor iedereen die katten of poezen heeft zal dit niet raar voorkomen. Toch weet Charles Baudelaire er in dit gedicht een twist aan te geven door in de kat op zijn schoot zijn vrouw te herkennen.
Charles Baudelaire (1821 – 1867) was een Frans dichter en kunstcriticus schreef ‘Les Fleurs du mal’ in 1857. Het gedicht ‘Le chat’ komt uit deze bundel welke verscheen in juni 1857 in Parijs. Er waren elfhonderd exemplaren gedrukt voor de verkoop, en nog eens twintig exemplaren buiten de handel gedrukt op fijn papier. Binnen een maand startte de Franse regering een actie tegen de auteur en de uitgever, waarbij ze hen beschuldigden van aantasting van de publieke moraal. Op 20 augustus erkende een Franse rechtbank de literaire waarde van het boek als geheel, maar eiste dat zes gedichten op morele gronden werden verwijderd. Dit waren gedichten met een seksuele inhoud en gedichten over lesbiennes en homoseksualiteit. Dit zorgde echter alleen maar voor sensatie, en tegen de daaropvolgende zomer was de eerste druk van Les Fleurs du mal uitverkocht.
Voor de ware liefhebber heb ik het gedicht ‘Le chat’ zowel in het Frans als in de Nederlandse vertaling van Paul Claes hieronder opgenomen. Het volledige gedicht bestaat uit deel I en II. Ik heb hier slechts deel I opgenomen.
.
De kat
.
Kom, mooie kat, hier op mijn hart dat smacht;
Verstop de klauwen van je poten,
En laat mij plonzen in je ogenpracht,
Met agaat en metaal doorschoten.
.
Wanneer mijn vingers in volkomen rust
Je kop en soepele rug bestrelen,
En als mijn hand verlokt wordt door de lust
Met jouw elektrisch lijf te spelen,
.
Meen ik mijn vrouw voor mij te zien. Jouw kijk,
Lieftallig dier, zoals de hare
Diep én kil, kerft en klieft, een dolk gelijk,
.
En daar drijft ook, van kop tot teen,
Een fijne geur, een walmen vol gevaren,
Dicht om haar bruine lichaam heen.
.
Le chat
.
Dans ma cervelle se promène
Ainsi qu’en son appartement,
Un beau chat, fort, doux et charmant.
Quand il miaule, on l’entend à peine,
Tant son timbre est tendre et discret ;
Mais que sa voix s’apaise ou gronde,
Elle est toujours riche et profonde.
C’est là son charme et son secret.
Cette voix, qui perle et qui filtre
Dans mon fonds le plus ténébreux,
Me remplit comme un vers nombreux
Et me réjouit comme un philtre.
Elle endort les plus cruels maux
Et contient toutes les extases ;
Pour dire les plus longues phrases,
Elle n’a pas besoin de mots.
Non, il n’est pas d’archet qui morde
Sur mon coeur, parfait instrument,
Et fasse plus royalement
Chanter sa plus vibrante corde,
Que ta voix, chat mystérieux,
Chat séraphique, chat étrange,
En qui tout est, comme en un ange,
Aussi subtil qu’harmonieux !
.














