Site-archief
Licht
De 100 beste gedichten
.
Het VSBfonds heeft aangegeven te gaan stoppen met de VSB poëzieprijs. Dat is om verschillende redenen heel spijtig. Hier is al veel over geschreven en het is echt te hopen dat een grote partij deze prijs (onder een andere naam) kan en wil voortzetten. Behalve het uitreiken van deze prijs voor de beste poëziebundel van een jaar was een bijeffect of bijproduct de publicatie van ‘De 100 beste gedichten van dat jaar’. In deze bundel vaak heel interessante, meer en minder bekende dichters die met een of meerdere gedichten werden opgenomen.
Voor mij ligt de editie van 2002. Al bladerend kom ik dan namen tegen van mij onbekende dichters die vaak heel fraaie poëzie schrijven. Zo ook de dichter J.W. Oerlemans.
Jacobus Willem Huibert Oerlemans (1926 – 2011), beter bekend als J.W. Oerlemans, was een Nederlands dichter en historicus. Van 1986 tot 2002 was hij hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Tussen 1962 en 2011 zijn er negen bundels van zijn hand verschenen. Oerlemans wordt meestal gezien als de dichter van bundels met veelal korte, romantische, vrije gedichten in sobere taal, waarin melancholie en het besef van vergeefsheid en vergankelijkheid domineren. In 1992 kreeg hij de Anna Blaman Prijs voor zijn gehele oeuvre.
In ‘De 100 beste gedichten van 2002’ staat het gedicht ‘Licht’. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘De tuinen van dodenman’ een bundel die, vreemd genoeg, ontbreekt in het bibliografisch overzicht op zijn Wikipediapagina.
.
Licht
.
Vaak slaat het licht dwars door de huizen
maar niemand lijkt iets te zien
.
mensen blijven gewoon zitten, lopen rond
met een poes of een handdoek of staan
voor de spiegel iets te doen, eten iets
uit een kast of gaan gewoon met de lift mee
.
intussen slaat het licht door hun oren heen
en door hun boezeroenen en hun botten.
.
Zwemmen
J.W. Oerlemans
.
Toen ik het onderstaande gedichtje van de dichter J.W. Oerlemans las moest ik aan een gedicht van mezelf denken van jaren geleden. De dichter J.W. Oerlemans (1926 – 2011) kende ik niet.
Hij was een Nederlands dichter en historicus. Van 1986 tot 2002 was hij hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Tussen 1962 en 2002 zijn er zeven bundels van zijn hand verschenen. Oerlemans wordt meestal gezien als de dichter van bundels met veelal korte, romantische, vrije gedichten in sobere taal, waarin melancholie en het besef van vergeefsheid en vergankelijkheid domineren. In 1992 kreeg hij de Anna Blaman Prijs voor zijn gehele oeuvre. Uit ‘De gedichten van nu en vroeger’ het gedicht ‘Zwemmen’.
.
Zwemmen
.
Gisteren toen zijn moeder gestorven was
ging hij zwemmen en het water was even leeg
als de hemel en toen hij wegging
wist niemand met zekerheid
het vocht op zijn gezicht te verklaren.
LiteRAR
Augusta Peaux
.
Afgelopen zondag mocht ik voordragen bij LiteRAR, een podium voor muziek en poëzie in het mooie (voormalige gemeentehuis) pand waar nu de Kunstuitleen is gevestigd in Spijkenisse. Dit podium wordt sinds jaar en dag georganiseerd door Jan Bontje. Van hem ontving ik de bundel ‘De wilgen, de velden, het water’ met poëzie van Augusta Peaux.
Augusta Guerdina Peaux (1859 – 1944) was een Nederlandse dichteres en vertaalster. Zij was van Franse afkomst (haar oudovergrootvader kwam uit Camarès, Frankrijk). Peaux publiceerde de bundels ‘Gedichten’ (1918) en ‘Nieuwe gedichten’ (1926). Als dichteres leefde zij in de schaduw van de meer bekende Tachtigers, onder wie de door haar bewonderde Hélène Swarth die haar werk apprecieerde. Peaux blonk uit in minutieuze impressionistische landschapsschilderingen waaraan zij een sombere, melancholieke ondertoon wist te geven. Hoewel een aantal van haar gedichten in bloemlezingen verschenen (onder meer Eenzaam kerkhof), heeft haar werk weinig aandacht gekregen. Ze koos bewust voor een teruggetrokken leven. Ze ligt begraven op Rustoord in Nijmegen, graf W-0222. Haar naam staat niet op het graf.
In 2011 verscheen een speciale uitgave van haar werk verzorgd door Mario Molegraaf: een gelimiteerde uitgave van 95 exemplaren op geschept papier. In 2014 verscheen er een bibliofiele uitgave van drie gedichten van haar hand ter gelegenheid van een bijeenkomst op 23 februari 2014 van ‘LiteRAR’ in Spijkenisse, waar haar 70ste sterfdag (op 23 februari 1944) werd herdacht door haar biograaf en bloemlezer Mario Molegraaf . De gedichten werden tot lied verwerkt en vertolkt door Willem, de huistroubadour, die van 22 van haar gedichten ’n lied maakte. In november 2014 verscheen een nieuwe verzamelbundel gedichten van haar, bijeengebracht door Mario Molegraaf: ‘De wilgen, de velden, het water ‘ de bundel die ik van Jan cadeau kreeg.
De dichter J.C. Bloem zei ooit over de poëzie van Augusta Peaux: “Hartstochtelijke, haast stamelende poëzie” en in het gedicht ‘Eenzaam kerkhof’ (vaste lezers weten van mijn fascinatie voor kerkhoven en zullen dus niet verrast zijn door mijn keuze voor dit gedicht) komen beide omschrijvingen heel mooi tot zijn recht.
.
Eenzaam kerkhof
.
De witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
de takken wiegen hun stille droomen
op donkere armen in sluiers van rouw,
het sleepkleed der treurende esschenbomen
raakt bloeiende grassen in avonddauw.
.
Hoog groeien de grassen, wind die ze zaaide,
wind die ze verwaaide, zij bloeien uit,
geen hand die ze plukte, geen zeis die ze maaide
de witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
op de hekspijlen buigen de boomen
hun donkere hoofden in krip van rouw.
Hun hangende sluiers beroeren de klachten
der witte rozen en het schemerrood
der oude daken, vele wolkengeslachten
gaan het hek over, de bloemen en den dood.
.
Woest liggen de graven, de grendelen der aarde
sluiten de dooden van ’t leven af,
zij zinken al dieper, een weeldrige gaarde
bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf.
En de wagenmenner, in ’t beeld van de sterren
ziet ernstig peinzend omlaag,
ver ligt al de aarde, een stip, zoo verre
en zijn paarden gaan zo traag.
Langs andere werelden siert hij zijn wagen
en waar geen werelden meer zijn,
de steppenvlakten door van een eindeloze,
vage, onbekende hemelwoestijn.
.
Doodstrijd
H. Marsman
.
Dichter, vertaler en literair criticus Hendrik Marsman (1899 – 1940) overleed in 1940 toen de Berenice, het schip waarop hij met zijn vrouw naar Engeland vluchtte, in Het Kanaal verging, waarschijnlijk als gevolg van een torpedo van een Duitse U-boot, die een explosie veroorzaakte. Tussen 1919 en 1926 schreef hij het gedicht ‘Doodstrijd’ waar je met een beetje fantasie een voorspellende Marsman in kan lezen.
.
Doodstrijd
.
Ik lig zwaar en verminkt in een hoek van den nacht,
weerloos en blind; ik wacht
op den dood die nu eindelijk komen moet.
het paradijs is verbrand: ik proef roet,
dood, angst en bloed.
ik ben bang, ik ben bang voor den dood.
.
ik kan hem niet zien,
ik kan hem niet zien,
maar ik voel hem achter mij staan.
hij is misschien rakelings langs mij gegaan.
hij sluipt op zwarte geruisloze voeten onzichtbaar
achter het leven aan.
.
hij is weergaloos laf:
hij valt aan in den rug;
hij durft niet recht tegenover mij te staan;
ik zou zijn schedel te pletter slaan.
ik heb nu nog, nu nog, een wild ontembaar
verlangen naar bloed.
.
Dame seule
J. Slauerhoff
.
Ook op deze derde zondag van maart een gedicht van de dichter van de maand J. Slauerhoff. Lezend in de bundel ‘Saturnus’ kwam ik het gedicht ‘Dame seule’ tegen (een vrouw alleen) en ook uit dit gedicht blijkt weer dat de dichter eigenlijk een hele schalkse man is. Uit ‘Saturnus’ uit 1930 ( dat eigenlijke een uitgebreide heruitgave van Clair-obscur uit 1926) het gedicht ‘Dame seule’.
.
Dame seule
.
Zij voelt zich onder ’t donker van de boomen
Zoo eenzaam, dat zij zelf haar schouder liefkoost.
Haar handje, met de ronding ingenomen,
Die over ’t zomerkleed is bloot gekomen,
Daalt af, dwaalt af; zij richt zich op en bloost,
Gaat dan weer voort een kledingstuk te zoomen.
.
Noordereiland
J. Eijkelboom
.
Jan Eijkelboom (1926 – 2008) was een Nederlandse dichter, journalist, schrijver en vertaler van onder andere werken van Philip Larkin, John Donne, W.B. Yeats en Derek Walcott. Op 3 maart 2001 werd hij ereburger en stadsdichter (voor het leven) van Dordrecht, de eerste plaats in Nederland met een stadsdichter. Eijkelboom schreef en publiceerde verschillende dichtbundels en in 2002 werd een verzamelbundel uitgegeven onder de titel ‘Tot zo ver’. Hierna zou hij nog twee dichtbundels publiceren.
Uit zijn bundel ‘Het lied van de krekel’ uit 1996 komt het gedicht ‘Noordereiland’. Dit gedicht gaat over het Noordereiland in Rotterdam, een eiland in de Nieuwe Maas, verbonden door de Willemsbrug en Koninginnebrug.
.
Noordereiland
.
Toen, in die hoek
waar eerdere wind dood blad had vergaard
bracht onverhoeds een stormvlaag werveling teweeg
die als een bruine tol de lucht inging.
.
En uit de top daarvan
ontsprong vervolgens een fontein, een zwerm
voorheen verscholen, luid
kwetterende mussen.
.
Ze leken meer te twisten dan te zingen.
Toch hoorde ik in al dat leven
de leeuwerikjes van de winter
.
Wat blijft komt nooit terug
J. Eijkelboom
.
De in Dordrecht geboren dichter Jan Eijkelboom (1926 – 2008) debuteerde op 53 jarige leeftijd in 1979 met de bundel ‘Wat blijft komt nooit terug’. Deze bundel sloeg destijds in als een bom; de bundel toont zijn gevecht met de alcohol en zijn zoektocht naar zijn verloren jeugd en liefde. De bundel is ook wat vreemd opgebouwd. Het bestaat uit drie hoofdstukken van ongelijke grootte. Deel 1, zonder titel, bestaat uit zijn gedichten 48 pagina’s lang, daarna een hoofdstuk met als titel Zwarte sonnetten (5 gedichten) en als slotstuk Zes vertalingen naar Emily Dickinson met 6 gedichten met Engelse titel en Nederlandse vertalingen.
Sedert 3 maart 2001 was hij ereburger en stadsdichter (voor het leven) van Dordrecht, de eerste plaats in Nederland met een stadsdichter.
Ik heb gekozen voor een gedicht uit het eerste hoofdstuk. De titel is ‘Moeilijk moment’.
.
Moeilijk moment
.
Net als ik op ’t café-toilet
in de verschoten spiegel kijk
barst er een bloedrivier
mijn oogbal binnen.
Ook wordt het ademen beperkt:
de refusal is nog aan ’t werk.
.
Toch weet ik in mijn ademnood
dat het maar even duurt,
dan kan het weer beginnen,
de zoete levensdood.
.
De stortbak heet Silentium.
Grijs bovenlicht zakt om mij heen.
Een vrede buiten kijf
vult mij, die net niet stierf,
van top tot teen.
.
Foto: Victor van Breukelen
Rainer Maria Rilke
De Zwaan
.
Rainer Maria Rilke (1875 – 1926) wordt als één van de belangrijkste lyrische dichters gezien in de Duitse taal. Naast gedichten schreef Rilke proza en brieven.Zijn omvangrijke briefwisselingen vormen een groot deel van zijn literaire nalatenschap. In 1894 debuteerde hij met de poëziebundel Leben und Lieder waarna nog vele dichtbundels volgden.
In zijn poëzie is de filosofie van de tijd waarin hij leefde duidelijk aanwezig. De filosofen Schoppenhauer en Nietzsche hebben hem in het bijzonder geïnspireerd. Deze filosofie rekent aan de ene kant af met de vanzelfsprekendheid van het westelijke christendom en aan de andere kant rekent het af met de (toen) moderne natuurwetenschappelijke verklaringen van de werkelijkheid.
Rilke werd vele malen in het Nederlands vertaald. Uit ‘Nieuwe gedichten. het andere deel’ uit 1998 hier het gedicht ‘De zwaan’.
.
De Zwaan
.
Deze last: door wat nog ongedaan is
als gebonden, zwaar je weg te gaan,
lijkt de lompe gang die van de zwaan is.
.
En het sterven, geen contact meer maken
met de grond waarop wij daaglijks staan,
lijkt op zijn beducht te water raken -:
.
in het water dat hem zacht ontving,
dat als blijdschap in herinnering
stroom na stroom onder hem door laat gaat,
nu ’t hem stil, oneindig zelfbewust,
als maar mondiger en meer gerust,
vorstlijker behaagt om voort te gaan.
.
Cult dichter
Weldon Kees
.
De cult dichter of cult poet Weldon Kees (1914 – 1955) was enig kind van een Duitse vader en een Amerikaanse moeder. Behalve dichter was hij schilder, literair criticus, romanschrijver, toneelschrijver, jazz pianist, korte verhalen schrijver en filmmaker. Ondanks zijn korte leven wordt hij gezien als één van de meest belangrijke dichters van het midden van de vorige eeuw met generatiegenoten als John Berryman, Elisabeth Bishop en Robert Lowell. Zijn werk heeft veel invloed gehad op dichters in generaties na hem en is opgenomen in vele bloemlezingen.
Zijn poëzie, vooral in de laatste periode van zijn leven was sardonisch en confessioneel. Ondanks dat hij in kringen van de San Francisco Renaissance verkeerde. Kees verdween vervolgens onder verdachte omstandigheden. In 1955 vond de politie van San Francisco zijn auto bij de Golden gate Bridge met de sleutels in het contactslot. Twee vrienden van hem gingen naar zijn appartement om hem te zoeken. Daar troffen ze slechts zijn kat Lonesome aan, een paar rode sokken in de wastafel. Zijn portemonnee, zijn horloge en een slaapzak ontbraken. Er was geen geld van zijn rekening met 800 dollar opgenomen en geen afscheidsbrief. Na dit incident heeft nooit iemand meer iets van Weldon Kees vernomen.
The porchlight coming on again,
Early November, the dead leaves
Raked in piles, the wicker swing
Creaking. Across the lots
A phonograph is playing Ja-Da.
.
An orange moon. I see the lives
Of neighbors, mapped and marred
Like all the wars ahead, and R.
Insane, B. with his throat cut,
Fifteen years from now, in Omaha.
.
I did not know them then.
My airedale scratches at the door.
And I am back from seeing Milton Sills
And Doris Kenyon. Twelve years old.
The porchlight coming on again.
.
.
Schilderij van Weldon Kees uit 1949 getiteld ‘8XX’
.
O, dat ik ooit nog eens
J. Eijkelboom
.
De dichter Jan Eijkelboom (1926 – 2008) was daarnaast vooral journalist ( De Dordtenaar, Vrij Nederland, Het Vrije Volk), schrijver en vertaler van onder andere Philip Larkin, John Donne, W.B. Yeats en Derek Walcott. Vanaf 3 maart 2001 was hij stadsdichter van Dordrecht (de eerste plaats in Nederland met een stadsdichter). Dat Dordrecht en Jan Eijkelboom bij elkaar horen blijkt wel uit het feit dat op het Damiatebolwerk één van zijn bekendste dichtregels is gegraveerd: “Wat Blijft Komt Nooit Terug”.
.
Uit zijn bundel ‘De gouden man’ uit 1982 het gedicht ‘O, dat ik ooit nog eens’.
.
O, dat ik ooit nog eens
O, dat ik ooit nog eens
een vers met o beginnen mocht,
dat het dan ongezocht een ode
werd waarin zeg maar een dode
dichteres tot leven kwam
ofwel een warm lief lijf
tot marmer werd waardoor
voor wie daarvoor gevoelig is
een adem ging als was het
leven nu voorgoed betrapt.
Maar nee, wat bij mij ingaat moet bezinken,
verdicht zich tot een sprakeloos substraat
dat roerig wordt en uit wil breken
en soms vermomd de mond verlaat.
0, klonk het nog eens ongehinderd.
.

















