Site-archief
Naar men zegt
Ellen Warmond
.
Het is de eerste kerstdag en daarom wilde ik een toepasselijk gedicht plaatsen. Omdat ik niet in de val wilde trappen van een ‘traditioneel’ gedicht over Kerstmis maar eerder een gedicht zocht dat de geest van Kerstmis zou weergeven, ben ik bij het gedicht ‘Naar men zegt’ van Ellen Warmond uitgekomen. Het gedicht komt uit de bundel ‘Erts’ een bloemlezing uit de poëzie van heden uit 1955.
.
Naar men zegt
.
Naar men zegt is dit
het leven der wijzen:
.
niet meer bewegen stilstaan als een berg
zeer ouderwets liefdesbrieven lezen
een kerkboek copiëren zonder lachen
bij willekeurige voorbijgangers
naar hun gezondheid informeren
.
1 boek bezitten met het alfabet
letter voor letter op een ander blad geschreven
daar lang in lezen
dan tevreden als een varen
het lichaam samenvouwen
en gaan slapen.
.
Broer
Dubbel-gedicht
.
Over families zijn vele gedichten geschreven. Over vaders, moeders, zoons, dochters maar vreemd genoeg ben ik niet veel gedichten tegen gekomen over broers. Toch heb ik er twee kunnen vinden die nogal verschillend zijn en daarom zo interessant.
Het eerste is van de dichter en schilder Hendrik de Vries (1896 – 1989). Hendrik de Vries was een vroege surrealist. Het onderbewuste speelt een cruciale rol in zijn poëzie. Hij kreeg tijdens zijn leven o.a. de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Constantijn Huygens-prijs en de P.C. Hooft-prijs. Uit ‘Hoor! Zo is nooit gezongen! Hoor! uit 1986 komt het gedicht ‘Broer’.
Het tweede gedicht is van Bob Fosko (1955) pseudoniem van Geert Timmers, muzikant, tekstschrijver, acteur, recensent, producer, presentator, stem en programmamaker en bij mij vooral bekend als zanger van de Raggende Manne. Van hem is het gedicht ‘Ik wil je broer niet zijn’ uit de bundel ‘Nacht vd Poëzie’, een uitgave n.a.v. de 30ste nacht van de Poëzie uit 2011.
.
Broer
.
Mijn broer, gij leedt
Een einde, waar geen mens van weet.
Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik
Begrijp het slecht, en tast en schrik.
.
De weg met iepen liet gij langs,
De vogels riepen laat. Iets bangs
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.
.
Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam
En vroeg, waarheen gij ging.
Het antwoord was:
.
“Te vreselijk om zich in te verdiepen
Zie: ’t gras
Ligt weder dicht met iepen
Omkringd.”
.
Ik wil je broer niet zijn
.
midden in de nacht hoor ik de bel
slaperig maar nieuwsgierig doe ik
open.
daar sta je weer met je plastic zak
je zegt: ‘ik wilde naar mijn broer toe
lopen’,
maar ik ben je broer niet, stomme
trut!
wel lekker hier komen slapen
en ondertussen effe lekker….
ja….
.
ik wil je broer niet zijn
zie je dat dan niet
ik wil je broer niet zijn!
zie je dat dan niet?
.
ik ben geen familie van je
dat zou je wel willen he…
moet je kijken wat je doet…
zie je niet dat mijn handen trillen…
kom maar binnen hoor
ik maak wel chocola
maar dan moet ik weer naar bed
ik ga niet uren liggen lullen
zo is het maar net
.
ik wil je broer niet zijn
.
foto: Jean-Pierre Jans
Maffe zus
Nico Scheepmaker
.
In 1973 vertelde Nico Scheepmaker aan Guus Luijters: ‘Het moet allemaal een spel blijven, vind ik. Sommige gedichten zijn een spel met een serieus onderwerp, andere met een frivool onderwerp, maar het is allemaal spel. Het gaat erom de mensen een beetje leesgenot te verschaffen’. Hij deed dit in het Parool en deze passage is het begin van de bundel ‘De gedichten’ Bezorgd door Ivo de Wijs uit 1991.
De reden dat ik dit citaat overneem is omdat ik het zo eens ben met Nico. Alle literatuur is er (ook) om de mensen een beetje leesgenot te verschaffen. Voor poëzie geldt dit net zo. Natuurlijk zijn er vast nog vele andere redenen te bedenken waarom iets geschreven is maar door het simpele feit dat het geschreven is, is het altijd om gelezen te worden. En lezen zonder leesgenot is geen lezen.
Nico Scheepmaker (1930-1990) was columnist, (sport)journalist en dichter. In de jaren 50 kreeg hij succes als dichter. Hij debuteerde als dichter met de bundel ‘Poëtisch fietsen’ (1955) en in 1958 kreeg hij de Anne Frank-prijs voor jeugdige schrijvers. Scheepmaker schreef verschillende dichtbundels waaronder ‘Vinger in de hoed’ uit 1976, een dialoog in sonnetvorm tussen Scheepmaker en Jan Kal.
Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Maffe zus’.
.
Maffe zus
.
Het gaat in een gedicht niet om het rijm!
En ook sonnetten zijn nog steeds gedichten
al vallen zij als onvolwassen nichten
bij ’t eerste ’t beste halfrijm in zwijm.
.
Je hebt als sonnettist natuurlijk plichten,
maar een gedicht dat met een kwastje lijm
aaneengehaakt wordt, mist het groot geheim
op ongeëvenaarde vergezichten.
.
Neem nu alleen maar deze twee kwatrijnen:
‘rijm’ en ‘gedichtenazijn toch niet ontheemd
in een gedicht dat zonder tierlantijnen
zijn licht over de dichtkunst wil doen schijnen.
.
Maar ’t blijft natuurlijk wel een beetje vreemd
dat elk zijn maffe zus op sleeptouw neemt.
.
Romantische herfst
Dichter van de maand november: Cees Nooteboom
.
Door alle drukte was ik helemaal vergeten dat november de maand van dichter/schrijver Cees Nooteboom (Den Haag, 1933) zou zijn. En hoewel het vandaag geen zondag is, de vaste dag van de dichter van de maand, wil ik hier toch een gedicht van hem plaatsen. Dit keer het gedicht ‘Romantische herfst’ uit de bundel ‘Doden zoeken een huis’ uit 1956.
In 1955 ontvangt Nooteboom een reisbeurs van ƒ2500,- van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen voor de uit veertien gedichten bestaande cyclus ‘kleine cantate van het voortdurend overlijden’. Later zullen deze gedichten in enigszins gewijzigde vorm worden opgenomen in zijn eerste dichtbundel, ‘De doden zoeken een huis’, waarmee hij als dichter debuteert en die in 1956 verschijnt.
.
Romantische herfst
.
schimmig vanavond jaagt die mist de velden
de maan sluipt terug in dodelijke bomen
nu is de grote rafelaar gekomen
een herfst een doodgaan een gekwelde smeekstem
.
hoor… ademend beweegt de aarde van heimwee
om mensen te bezetten met een adem van verdriet
om koeien zwaar en zwijgend in zich vast te zetten
als schepen, vastgegroeid aan het lichaam van de zee
of de dood, levend aan het gezicht van de mensen,
mééademend, méésprekend.
.
Alst past
Victor Speeckaert
.
Ik verbaas me soms over dichtbundels die ik tegenkom in kringloopwinkels en op rommelmarkten. De staat waarin bundels zich bevinden die toch al heel oud zijn bijvoorbeeld. Zo kocht ik een klein bundeltje, je mag het eigenlijk niet eens een bundeltje noemen, het zijn 5 A4tjes met een slap kaftje aan elkaar geniet, met 9 gedichten daarin van de dichter Victor Speeckaert uit 1962 in een staat alsof het net vorige week gemaakt was.
Victor Speeckaert (1906-1988) was zijn leven lang werkzaam als ambtenaar op de administratie van de gemeente Gent. Daarnaast was hij archivaris der Fonteine (een Rederijkerskamer die stamt uit de 15e eeuw). Speeckaert debuteert in 1931 met de bundel ‘Najaarskleuren’ die nog door Marnix Gijsen in De Standaard wordt besproken. Zijn gedichten werden in 1970 bijeengebracht in de bundel ‘Verzamelde Gedichten’, een fraai uitgegeven boekje, met illustraties van Jos van den Abeele en Paul Mak en vier tekeningen van Herman Verbaere. De ‘Verzamelde Gedichten’ bevatten een herdruk van de cyclussen ‘Van Zomer en Najaar’ (1954/1955) en ‘De Rij der Maanden’ (1957) en verder twee reeksen van negen en acht stukken onder de respectievelijke titel ‘Alst Past’ en ‘Bi Apetite’, die samen het devies vormen van de rederijkerskamer ‘De Fonteine’, waarvan hij in 1931 bestuurslid en in 1941 archivaris was geworden.
Het bundeltje ‘Alst past’ heb ik dus nu in bezit. Uit dit kleine maar fijne bundeltje koos ik het gedicht ‘Aan de Sure’.
.
Aan de Sure
.
Er ruist een teder woord
Uit ranke wilgetwijgen
Die aan de Sûreboord
Naar ’t helder water nijgen,
Waarin hun spiegelbeeld,
Door ’t Stroomgeweld gebroken,
De Blaren kust en streelt
Om ’t woord door hen gesproken.
.
Dat woord ruist in mij mee,
In hart noch ziel te stelpen,
Als ’t ruisen van de zee
In parelmoeren schelpen,
Want aklles wat nog zin
En waarde schenkt aan ’t leven
Heeft aan dat woord “ik min”
Mij antwoord steeds gegeven.
.
Nu hoort gij mij misschien
Coert Poort
.
De in Rotterdam geboren dichter Coert Poort (1922 – 2004). Woonde drie jaar in India (Bombay) en een jaar in Indonesië (Medan). Hij debuteerde in 1953 met ‘Twee gedichte’n, waarin details uit de werkelijkheid op hallucinerende wijze worden uitvergroot waardoor hun essentie voor de waarnemer aan het licht komt. Een van de centrale thema’s in de poëzie van Poort is de geboorte als grondslag voor het `ik’.
In 1970 verscheen van Poort bij Uitgeversmaatschappij Holland de bundel ‘Gedichten’ waarin gedichten zijn opgenomen uit de bundels ‘Een kleine dag voor mijzelf’, ‘De koning van Wezel’, ‘Mannenwerk’ en ‘Zonder omslag’. C. Ouboter schreef over deze verzamelbundel: ‘Terwijl de voornaamste tendens in onze westerse cultuur expansief is, staat de poëzie van Coert Poort in een tegengesteld teken van versobering en zelfs verijling, van inkeer tot een begin: een geboorte in een huis van bewaring’.
Een andere criticus Anton B. Lam schreef over Poort: Voor Poort is de poëzie een gebeuren, waarin niet de dichter het woord voert, maar waarin de taal zich, in haar volle openbarende kracht, aan de dichter – en via hem aan de lezer – meedeelt en voltrekt.
Uit de bundel met verzamelde gedichten koos ik voor een vroeg gedicht van Poort met de titel ‘Nu hoort gij mij misschien’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Een kleine dag voor mijzelf’ uit 1955.
.
Nu hoort gij mij misschien
.
Nu hoort gij mij misschien
gaan door het leven
door een deur
zoals huizen mij horen
eenmaal of honderdmaal op een dag
zoals zij mij beter horen
dan ik zelf
ik strijk vuur in het donker
ik streel een huid tegen de zin
ik blaas averechts op een fluit
ik schop stenen tegen de hellingen op
ik zwem rond in de lange rivier
ik wacht in de voortsnellende treinen
ik praat maar wat tegen de zon
ik geef mijn kinderen terug aan God
tegen de wind
ik steek langzaam de nacht over
ik paasser de stilte
langs de wegen verlaat ik het land
langs de zeeën verlies ik het water
ik ga tussen mijn woorden door
om bij u te zijn.
.
Rob de Vos poëzieprijs
Doe mee!
.
De Meander Dichtersprijs is ter ere van de geestelijke vader van Meander, Rob de Vos (1955 – 2018), omgedoopt tot de Rob de Vos-prijs. Op deze manier wil Meander zijn werk levend houden en wordt de traditie van de dichtwedstrijd in ere gehouden.
Tot 15 oktober 2019 mag iedere deelnemer één gedicht inzenden dat geïnspireerd is op dit thema:
‘’Achter de ogen scheen een zomermaand
het middenrif liep vol zacht avondlicht’’
(Uit het gedicht van Menno Wigman ‘’Aarde, wees niet streng’’ Slordig met geluk, 2016)
Het ingezonden gedicht is:
-in het Nederlands geschreven
-in lettertype Arial 10
-niet langer dan één A4 formaat
-geïnspireerd op het thema
-nooit ergens eerder gepubliceerd
-nooit genomineerd of bekroond
-niet kwetsend of discriminerend
-na inzending niet meer te veranderen
Er kan over de uitslag niet worden gecorrespondeerd.
Door deelname geeft de dichter toestemming voor het plaatsen van het gedicht op de site van Meander.
Juryleden en organisator van Meander zijn uitgesloten van deelname.
Bij deelname verklaart de inzender zich akkoord met het wedstrijdreglement.
Inzendingen die niet voldoen aan bovenstaande voorwaarden worden uitgesloten.
Er worden tien gedichten genomineerd, daaruit komen drie winnaars voort en zeven eervolle vermeldingen.
De genomineerden krijgen persoonlijk bericht. Er zijn leuke prijzen te winnen en de winnaar krijgt daarnaast een kunstwerk.
De datum van de prijsuitreiking is in het najaar en zal later dit jaar bekend worden gemaakt.
Gedicht als bijlage in word-document sturen naar e-mailadres : wedstrijd@meandermagazine.nl
In de mail vermelding van naam adres, geboortedatum, e-mailadres plus de titel van het gedicht.
.
Als je mee wil doen met deze wedstrijd en je twijfelt nog aan je gedicht of aan je poëtische gaven, lees dan morgen op dit blog de 10 tips voor het schrijven van goede poëzie. Allicht doe je er je voordeel mee.
De voorloper van de Rob de Vos Poëzieprijs was de Meander Dichtersprijs zoals gezegd, in 2008 won Vicky Francken deze prijs. Hier een gedicht van haar hand ter inspiratie, uit de bundel ‘Röntgenfotomodel’ uit 2017.
.
We hebben allemaal recht op een rug
een graat waarrond we bestaan
een marionettendraad die we oppakken
als we onszelf bijeenrapen
geen mens kan tippen aan vissen
die zwemmen in de golven van hun wervelkolom
maar stel dat een vin verlangt naar aaien
wie troost de vis wie pakt hem vast
wie streelt de schouder
uit de kom
.
Dit dwergkonijntje
Astrid Lampe
.
De, in Tilburg geboren, Astrid Lampe (1955) is dichter en schrijft eigenzinnige poëzie, associatief en controversieel. Ze publiceerde onder andere titels als ‘De memen van Lara’, ‘Spuit je ralkleur’, en ‘Lil (zucht)‘ Haar poëzie schakelt van catwalk naar cakewalk, is vitaal en springerig en is (zelfs na meerdere lezingen) verschillend te duiden. Uit haar bundel ‘De memen van Lara’ uit 2002, het titelloze gedicht met de intrigerende beginregel “dit dwergkonijntje laat zich bibberend bekijken”.
.
dit dwergkonijntje laat zich bibberend bekijken
…waar zijn je handjes dan?
volk stuift op platte gympen uiteen
zo’n hoofd is een hard ding
-weg uit deze dimensie!
dit meisje poetst haar paardenstel
haar meester verstopt zich
ik kan al bijna een staart
hier zijn haar handjes
ze laat haar verse vrind heus niet buiten staan
(zeker en vast nie)
.
De koffer
John Ashbery
.
In 1977 staat Poetry International in het teken van de koffer, symbool van het reizen. Naast de gebruikelijke poëzie en dichters uit vele landen is er een tentoonstelling van oude reiskoffers. In 1977 staat de Amerikaanse dichter John Ashbery op het podium in Rotterdam. Ashbery (1927- 2017) werkte van 1955 tot 1965 voor The New York Herald Tribune in Parijs als kunstcriticus. Na zijn terugkeer in de Verenigde Staten werkte hij als docent Engels en was hij ook daar kunstcriticus. Ashbery was een avant-gardistisch dichter.
Ashbery’s vroege werk werd sterk geïnspireerd door door het werk van Auden, alsook door de obscure Franse surrealistische dichter Pierre Martory. Later werd zijn werk steeds meer modernistisch. In de jaren zestig verkeerde hij in avant-gardistische kringen, met wereldwijd de aandacht trekkende kunstenaars als Andy Warhol en John Cage.
Ashbery’s werk kenmerkt zich door vrije, spontane associatie, waarbij zijn gedichten meestal nauwelijks een echt onderwerp kennen. Hij kan heel vaag en poëtisch zijn over concrete alledaagse dingen, waarbij hij regelmatig de parodie als stijlmiddel gebruikt. Een overkoepelend thema is de relatie tussen chaos en het bewuste menselijk denken en met de kunst in zijn algemeenheid. Hoewel Ashbery vaak beweerd heeft voor een groot publiek te willen schrijven, geldt veel van zijn werk als moeilijk toegankelijk, niet in de laatste plaats door de semantische en linguïstische experimenten in zijn werk.
Uit zijn bundel ‘The double dream of spring’ uit 1970 het gedicht ‘The task’ en in een vertaling van Peter van Lieshout, ‘De taak’.
.
De taak
.
Ze maken zich klaar om opnieuw te beginnen:
Problemen, een nieuwe wimpel aan de vlaggemast
in een voorspelde romance.
.
Rond de tijd dat de zon laag boven het
Westelijk halfrond haar stralen vlijt, de kermis echoot,
Dringen de vluchtende landen onder andere namen bijeen.
Leegte neemt de plaats van vreugde in, en Ieder moet vetrtrekken
Weg, ver weg in de stokkende nacht, want zijn lot
Is vruchteloos terug te keren uit het licht
Voorgetoverd door verstrijkende tijd. Slechts
Luchtkastelen waren het, doorkneed in de kunst het verleden
Te grijpen en met pijn te beheersen. En de weg ligt open
Nu om regelrechtschapen te handelen in deze tijd
Verterende dichtheid waarin hij ooit leerde ademen.
.
Kijk eens naar de rommel die je gemaakt hebt,
Zie eens wat je hebt gedaan
Maar als dat dat al spijt mocht zijn raakt het nauwelijks
De kinderen die na het eten buitenspelen.
Belofte van kussens en meer in de nacht die straks valt.
Ik ben van plan hier wat langer te blijven
Omdat dit enkel ogenblikken zijn, ogenblikken van inzicht,
En omdat getast en gereikt nog moet worden,
Naar uiterst en vurig verlangen dat wegsmelt
Ondertussen, als afstand onder pelgrimsvoeten.
.
The task
.
They are preparing to begin again:
Problems, new pennant up the flagpole
In a predicated romance.
.
About the time the sun begins to cut laterally across
The western hemisphere with its shadows, its carnival echoes,
The fugitive lands crowd under separate names.
It is the blankness that follows gaiety, and Everyman must depart
Out there into stranded night, for his destiny
Is to return unfruitful out of the lightness
That passing time evokes. It was only
Cloud-castles, adept to seize the past
And possess it, through hurting. And the way is clear
Now for linear acting into that time
In whose corrosive mass he first discovered how to breathe.
.
Just look at the filth you’ve made,
See what you’ve done.
Yet if these are regrets they stir only lightly
The children playing after supper,
Promise of the pillow and so much in the night to come.
I plan to stay here a little while
f’or these are moments only, moments of insight,
And there are reaches to be attained,
A last level of anxiety that melts
In becoming, like miles under the pilgrim’s feet.
.















