Op de nationale gedichtendag in januari heeft de provincie Vlaams-Brabant eens flink uitgepakt. Op deze dag hing men een spandoek van liefst 50 meter op het Provincieplein in Pamel met daarop een gedicht van de 95-jarige dichter Hubert van Herreweghen.
Site-archief
Liefste
J.W.F. Werumeus Buning
.
Vandaag onder de noemer (bijna) vergeten dichters, de Nederlandse dichter en schrijver Werumeus Buning (1891 – 1958). Werumeus Buning was bevriend met Adriaan Roland Holst. Roland Holst moedigde zijn vriend, die op dat moment kunstredacteur bij de Telegraaf was, aan gedichten te gaan schrijven.
In 1921 verscheen zijn eerste dichtbundel ‘In memoriam’, over de dood van zijn geliefde. Daarop volgde ‘Hemel en Aarde’ (1927) waarin Werumeus Buning de stijlvorm van de ballade uitprobeerde. In die vorm dichtte hij zijn grootste succes: ‘Mária Lécina’ (1932) gevolgd door ‘Drie balladen’ (1935), waarvan de ‘Ballade van den boer’ de bekendste is ( wie kent de regel :”Maar de boer, hij ploegde voort” niet?).
In de oorlog trad Werumeus Buning toe tot de Kultuurkamer, wat hem na de oorlog een publicatieverbod van één jaar opleverde. Mede hierdoor was zijn populariteit tanende. Na de oorlog bleef hij actief als dichter en vertaalde hij werken van Shakespeare, Cervantes en Herman Melville.
Uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1948 het gedicht ‘Liefste’.
.
Liefste
.
Liefste ik ben de droefenis gaan beminnen,
omdat geen andere méér uw ogen had.
Het was een duister, roekeloos beminnen;
Ik heb niet meer van haar dan u gehad.
.
Want droefenis was als gij waart in mijn leven
om uwe ogen heb ik haar bemind.
Was zij van u niet liefde’s enigst kind?
Zij was als gij, zij is niet lang gebleven.
.
En droefenis ging henen om het smeken
dat zij van u zou laten wat nog was:
de zachtheid, die in mij gebleven was
als een oud nest, waarom de takken breken.
.
En droefenis, mijn lief, heeft mij verlaten
want ik was nimmer gans met jaar alleen
ik bleef van u, ik ben alleen gelaten;
Zij was als gij, en anders was er geen.
.
En droefenis, mijn lief, heeft al het oude
gebroken uit de takken van het hart.
Waar zijn haar ogen, ùwe bleke, gouden,
en waartoe zwelt genezen in het hart?
.
We refugees
Benjamin Zephaniah
.
De in Jamaica geboren dichter en musicus Benjamin Obadiah Iqbal Zephaniah groeide op in de Engelse plaats Birmingham, in de wijk Handsworth (van de Handsworth riots) alwaar hij naar een school voor moeilijk opvoedbare jongeren werd gestuurd. Dat dit geen effect had blijkt uit het feit dat hij uiteindelijk in de gevangenis terecht kwam voor inbraak. Na zijn gevangenisstraf nam hij afscheid van de misdaad en wijdde hij zich aan muziek en poëzie.
Als DJ en dichter onderscheidde hij zich van andere Jamaicaanse kunstenaars in Engeland door Engeland als zijn belangrijkste ‘point of interest’ te kiezen in plaats van Jamaica maar zijn afkomst daarin wel te integreren.
Op zijn 22ste in 1980 publiceerde hij de dichtbundel ‘Pen Rhythm’ waarna nog 17 poëziebundels volgden alsmede kinderboeken, romans en theaterteksten. Ook speelde hij mee in een aantal speelfilms en bracht hij verschillende platen en cd’s uit.
Zijn sociale geëngageerdheid blijkt uit veel van zijn gedichten zoals ook in het gedicht ‘We Refugees’.
.
We Refugees
.
I come from a musical place
Where they shoot me for my song
And my brother has been tortured
By my brother in my land.
I come from a beautiful place
Where they hate my shade of skin
They don’t like the way I pray
And they ban free poetry.
I come from a beautiful place
Where girls cannot go to school
There you are told what to believe
And even young boys must grow beards.
I come from a great old forest
I think it is now a field
And the people I once knew
Are not there now.
We can all be refugees
Nobody is safe,
All it takes is a mad leader
Or no rain to bring forth food,
We can all be refugees
We can all be told to go,
We can be hated by someone
For being someone.
I come from a beautiful place
Where the valley floods each year
And each year the hurricane tells us
That we must keep moving on.
I come from an ancient place
All my family were born there
And I would like to go there
But I really want to live.
I come from a sunny, sandy place
Where tourists go to darken skin
And dealers like to sell guns there
I just can’t tell you what’s the price.
I am told I have no country now
I am told I am a lie
I am told that modern history books
May forget my name.
We can all be refugees
Sometimes it only takes a day,
Sometimes it only takes a handshake
Or a paper that is signed.
We all came from refugees
Nobody simply just appeared,
Nobody’s here without a struggle,
And why should we live in fear
Of the weather or the troubles?
We all came here from somewhere.
.
‘We refugees’ voorgedragen door Dan Saverey Raz
Son-net
Christine D’haen
.
Christine D’haen (1923 – 2009) was een Vlaams dichter die in 1948 debuteerde in Dietse Warande en Belfort en in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Hoewel ze zichzelf als agnost zag speelde het katholieke milieu waarin ze opgroeide en leefde een grote rol in haar werk.
In 1958 verscheen haar dichtbundel ‘Gedichten 1946-1958’. Deze gedichten bezitten een klassiek vormschema dat nogal opvallend was in de tijd van de Vijftigers , die er een veel uitbundigere stijl op na hielden. Haar gedreven poëtisch werk kenmerkt zich door een retorisch taalgebruik met beladen symboliek, een poëtisch-technische begaafdheid, een enorme taalrijkdom, een ongeziene verbeeldingskracht en een zintuiglijke geladenheid. Meermaals komen er verwijzingen terug naar de Griekse mythologie. Om het de lezer wat makkelijker te maken, voegde ze veelal voetnoten toe.
Christine D’haen was tot haar dood actief en kreeg tijdens haar leven verschillende literaire prijzen zoals de Prijs van de stad Gent, De Anna Bijnsprijs der Nederlandse letteren en De grote prijs der Nederlandse letteren.
Uit haar bundel ‘Merencolie’ uit 1993 het gedicht ‘Son-net’.
Son-net
Klimmend naar ’t zenit zoekt zij die haar licht
in ’t lichaam stort, blind van gestolde glans,
met bevende transgressie naar zijn trans,
doch voelt door bijstere nacht zijn blik gericht
op zijn in zich verzengd eigen gezicht
weerkaatsend hun oorspronkelijk dubbelnaakt,
of ’t oog gesperd de waterspiegel raakt
waar de beminde knaap verdronken ligt,
dan duikt hij naar haar schimmige tweeling-vacht,
of splijt hij met zijn vlijm gesloten schacht,
met gouden tong likkend een duister gras
ondersteboven in een woudmoeras,
of daar in zilveren ketenen gekneld
met goud bespat verzonken vrouwenspeld.
.
Met dank aan Wikipedia
Zonder lidwoord
Sluitende man I
.
Poëzie komt in vele vormen. Zo is er de vorm waarin lidwoorden volledig of vrijwel volledig worden weggelaten hetgeen, in mijn beleving, het gedicht vaak een mate van afstandelijkheid meegeven. Dichten zonder lidwoorden is niet niet domweg lidwoorden weglaten waar je die normaliter zou schrijven, het is ook zoeken naar alternatieven, naar wegen om zonder lidwoorden toch dat te kunnen schrijven wat je wil schrijven.
Ik weet dat er dichters zijn die bijna niet anders meer kunnen of willen. Ik blijf het met enige verbazing lezen. Een mooi voorbeeld dat ik zeker kan waarderen is het gedicht ‘Sluitende man I’ van dichter Piet Gerbrandy.
Piet Gerbrandy (Den Haag, 1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij ontving voor zijn werk verschillende literaire prijzen waaronder de Jan Campert-prijs en de Herman Gorterprijs. Over zijn bundel ‘Kreukmonden opgevuld met gelei schreef Wiel Kusters begin dit jaar:
“Zijn experimentele, atonale poëtica heeft niet alleen symbolistische trekken maar is ook sterk verwant aan de poëzieopvattingen van hermetisch genoemde dichters als Hans Faverey, Cees Nooteboom en Kees Ouwens.”
Misschien niet de meest eenvoudige poëzie om te lezen maar wel poëzie waar je op kan kauwen en waarvan de schoonheid langzaam tot je komt.
.
Sluitende man I
Te midden van jaarloze flessen tast
schrander de gymnasiast naar contact in een muur
want aantocht van mensen is denkbaar.
Uit rokzak puilt een zinderende schuimkraag.
Staat kroegjool op springen, het lekt
in zijn aards gewelf – ach daar velt hem
vonkende stroom, stuipt zijn hart.
In baaierd van zwam zal zijn rotting
geknakt, hoge zijden gedeukt nog wat liggen.
Hij leeft. Hij vermoedt dat hij leeft.
Hij wendt zich van veel dingen af die zijn.
En sluitende man kiest hij vrouw
om aanspreekbaar te blijven.
.
Met dank aan gedichten.nl
Pierre Kemp
Stadswandeling
.
Op zondag 23 augustus 2015 (van 11.00 – 13.00) organiseren Centre Céramique en de Vereniging Literaire Activiteiten Maastricht een literaire stadswandeling door Maastricht en Wyck aan de hand van zestien gedichten van de Maastrichtse dichter Pierre Kemp. Tijdens de wandeling wordt u getrakteerd op poëzie van Pierre Kemp bij de plekken in de wijk waar hij gewoond en gewerkt heeft. De wandeling is een kans bij uitstek om kennis te maken met de dichter die zoveel speelse en originele gedichten schreef.
Het startpunt van de wandeling is het Centre Céramique, ingang Plein 1992, Maastricht. Aanmelden en reserveren kan via info@vlammaastricht.nl. Prijs: € 5,00 VLAM-leden gratis (inclusief de wandelbrochure ‘Pierre Kemp. Nobel oud kind’).
Pierre Kemp (1886 – 1967) was plateelschilder en later loonadministrateur bij de kolenmijnen maar daarnaast dichter. In 1914 debuteerde Kemp met de bundel ‘Het wondere lied’. Decennia lang reisde Kemp met de trein heen en weer tussen Maastricht en Eygelshoven, op weg naar zijn werkplek bij de kolenmijn Laura. Kemp, meestal onberispelijk gekleed in donkere stemmige tinten, schreef tijdens die korte treinreizen honderden korte gedichten. Vele daarvan kwamen terecht in uitgaven als ‘Stabielen en passanten’ (1934), de bundel die ‘Kemps tweede debuut’ wordt genoemd, vanwege de lichtere toon en de speelse, bescheiden verzen, en ‘De Engelse Verfdoos’ (1956).
Pierre Kemp kreeg voor zijn werk onder andere de Comstantijn Huygensprijs (1956) en de P.C. Hooft-prijs (1958).
.
Gang
Ik, de zon en de weg
en de zon, de weg en ik
in zonderlinge samenhang
op dit ogenblik.
Ik ruik geen bloemen, ik zie
geen bomen, geen vogels, geen heg.
Ik voel maar een gaande man in de zon
op een weg.
.
Yoga
Miroslav Holub
.
Al eerder schreef ik over de bundel ‘De geboorte van Sisyphus, een keuze uit de gedichten en andere teksten 1958-1998’ van de Tsjechische dichter Miroslav Holub (1923-1998), samengesteld door en in een vertaling van Jana Beranová. Al lezend begrijp ik steeds beter dat de Bezige Bij dit werk heeft laten vertalen. Prachtige “absurdistische en lyrische” poëzie.
Voor alle dichters en beoefenaren van Yoga het gedicht ‘Yoga’.
.
Yoga
.
Elke poëzie is rond
de vijfhonderd graden Celsius.
.
Maar bij dichters
verschillen de ontbrandingspunten.
Die gedrenkt zijn in alcohol
vatten het snelst vlam.
.
Wat zouden ze zijn zonder hun ziekte.
Hun ziekte is hun gezondheid.
.
Ze branden, stropoppetjes,
lezen geen Nietzsche,
wat jou niet doodt
verhardt je tot staal.
.
Ze smeulen.
Ze sissen.
Terwijl alleen een slechte yogi
zijn voeten brandt
aan gloeiende kooltjes.
.




















